Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI3757

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
139562 / HA ZA 07-1522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn handelspartners in de textielbranche. Onduidelijk is welke vorderingen eiseres nog heeft op gedaagde.

De grote hoeveelheid producties verschaffen onvoldoende inzicht; voor de taakverdeling tussen de rechter en de partijen: zie r.o 4.1.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 139562 / HA ZA 07-1522

Vonnis van 21 januari 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JO-SEPH COMPANY B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. C. Borstlap,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEW LIFE STOCKLOTS OVERPRODUKTIES B.V.,

gevestigd te Ommen,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. van Dijk.

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 februari 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 24 april 2008

- de akte van eiseres

- de akte van gedaagde.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiseres houdt zich bezig met de import en export alsmede de snijderij van textiel en aanverwante producten, alsmede het confectioneren van kleding. De litigieuze producten liet eiseres vervaardigen in Mersin in Turkije. Gedaagde voert een groothandel in partij- en ongeregelde goederen, voornamelijk textiel en plaatste regelmatig orders bij eiseres. De productie is op zeker moment begeleid door Line Vier Kwadraat B.V. te Vleuten, hierna: Line Vier. Incassogemachtigde van eiseres is Atradius Collections te Ommen, hierna: Atradius.

3. Het geschil

3.1. Eiseres vordert samengevat - veroordeling van gedaagde tot betaling van EUR 37.212,73 vermeerderd met de contractuele, c.q. wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 5.581,91 subsidiair ad EUR 1.158,00 conform Voorwerk II en proceskosten. De hoofdsom is gebaseerd op een zestal facturen, te weten:

A. nr. 20070021 d.d. 16/2/2007 ad EUR 8.069,69

B. nr. 20070022 d.d. 16/2/2007 ad EUR 9.988,92

C. nr. 20070023 d.d. 16/2/2007 ad EUR 8.347,02

D. nr. 20070043 d.d.15/3/2007 ad EUR 303,45

E. nr. 20070077 d.d. 26/4/2007 ad EUR 11.365,21

F. nr. 20070122 d.d. 14/6/2007 ad EUR 21,42

- in totaal EUR 38.095,71, te verminderen met een drietal creditfacturen d.d. 15/3/2007 (2x) en d.d. 14/6/2007 ten bedrage van in totaal EUR 882,98, zodat per saldo verschuldigd zou zijn gemeld bedrag ad EUR 37.212,73.

3.1.1. Eiseres betwist bij conclusie na comparitie een onjuist declaratiegedrag: gefactureerd werd hetgeen is geleverd en gecrediteerd hetgeen later werd teruggezonden; als na herstel van die teruggezonden goederen wederom kon worden geleverd, dan werden die hernieuwde (en behouden) leveranties natuurlijk ook weer gefactureerd. Ter nadere onderbouwing verwijst eiseres naar haar producties 26 tot en met 28, respectievelijk bevattende de debiteurenkaarten 2006 en 2007 en de door gedaagde verrichte betalingen met betalingskenmerken. Van de 12 nog openstaande (en in extenso besproken) facturen ad in totaal EUR 129.838,28 zijn de door gedaagde verrichte vier betalingen zonder vermelding van een factuurnummer (productie 29) conform het wettelijk uitgangspunt afgeboekt op de oudste openstaande facturen.

Deze laatste vier betalingen ad in totaal EUR 92.140,60 betreffen:

- op 17/11/2006 EUR 22.640,60

- op 12/12/2006 EUR 23.000,00

- op 12/1/2007 EUR 17.500,00

- op 6/2/2007 EUR 29.000,00.

De vermelding “retour pallets” houdt niet het retour nemen van kleding in. De op grond van de algemene voorwaarden verschuldigde contractuele rente bedraagt 1,5% per maand vanaf 30 dagen na de factuurdata.

3.2. Gedaagde voert gemotiveerd verweer. Ten aanzien van 2006 stonden geen facturen meer open. Zij heeft gemelde facturen A., B. en C. d.d. 16/2/2007 voldaan door middel van betaling van een voorschot ad EUR 29.000,00 (dit bedrag had dus geen betrekking op nog openstaande oude facturen), zodat gedaagde ter zake - behalve gemelde door eiseres genoemde creditfacturen - ook nog tegoed heeft EUR 2.594,37. Voorts merkt zij op dat de transacties veelal liepen via Line Vier die een factuur ontving van eiseres; gedaagde op haar beurt ontving dan een factuur van Line Vier. Met betrekking tot de factuur E. van 26/4/2007 ad EUR 11.365,21 onderbouwt gedaagde dit laatste met haar producties 3, 4, 5 en 9 bij conclusie van antwoord; dit bedrag is aan Line Vier betaald. Als productie 6 legt zij een pakbon retourzending aan eiseres ad EUR 3.470,50 (exclusief BTW) over. Vrachtbrieven worden bij gedaagde direct gestempeld. Eiseres verschaft Atradius facturen ter bevoorschotting, zonder dat daar daadwerkelijke leveranties tegenover behoeven te staan. Eiseres maakt er volgens gedaagde bij het uitschrijven van facturen en vrachtbrieven al met al een rommeltje van.

3.2.1. Bij conclusie na comparitie refereert gedaagde aan zijn productie 2 bij diens conclusie van antwoord, waarin staat dat aan haar terug moet worden betaald wegens het retour zenden van goederen een bedrag ad EUR 3.470,50 (exclusief BTW), alsmede wegens het niet ontvangen van goederen een bedrag ad EUR 12.701,25. Gedaagde verwijt eiseres dat zij gemelde door haar gedane (en door eiseres erkende) betalingen ad EUR 92.140,60 onder meer afboekt op facturen, waarover gedaagde heeft gereclameerd. Eiseres moet de faxberichten van gedaagde produceren alsmede de vrachtbrieven zodat kan worden nagegaan of goederen daadwerkelijk zijn geleverd. Met gemelde betaling ad EUR 17.500,00 is helemaal geen rekening gehouden. Onder punt 19 van onderhavige conclusie bespreekt gedaagde een aantal haars inziens van belang zijnde kwesties met betrekking tot retourzendingen en posten die gecrediteerd hadden moeten worden.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank merkt allereerst op dat in een civiel geding het vergaren van materiaal ter staving van een door een procespartij ingenomen standpunt geschiedt door die betreffende partij en niet door de rechter. Geen rechtsregel verzet zich weliswaar tegen het in het geding brengen van een grote hoeveelheid producties, zoals ook in dezen aan de orde is (zie rechtsoverweging 4.2), doch dit dient wel op een zodanig inzichtelijke wijze te geschieden dat duidelijk is wat daarvan de relevantie is en tot welke - bij voorkeur eenvoudig verifieerbare - boekhoudkundige/rekenkundige consequenties een en ander in de visie van die partij heeft te leiden, ten einde de procedure niet te belasten met nodeloze, niet-juridische puzzels. Het is immers niet de taak van de rechter grote hoeveelheden stukken zelfstandig uit te zoeken, te rangschikken en op hun betekenis voor het betreffende standpunt van die partij te onderzoeken.

4.2. Eiseres heeft in totaal 40 producties aangeleverd: bij dagvaarding de producties 1 tot en met 10, ter gelegenheid van gemelde comparitie de producties 11 tot en met 25 en bij conclusie na comparitie de producties 26 tot en met 40 (waarvan de producties 26 en 27 ook al aan het proces-verbaal van comparitie zijn gehecht). Gedaagde beroept zich in totaal op 25 producties: bij conclusie van antwoord zijn in het geding gebracht de producties 1 tot en met 13 en bij conclusie na comparitie de producties 1 tot en met 12.

Desondanks is daarmee niet voldaan aan de in rechtsoverweging 4.1. omschreven criteria, zodat de rechtbank behoefte heeft aan nadere voorlichting over de gang van zaken met betrekking tot de diverse bestellingen en de daarmee corresponderende leveranties en de gebruikelijke administratieve verwerking daarvan. Zo is de rol van Line Vier en Atradius niet in alle opzichten duidelijk, terwijl ten aanzien van de cruciale kwestie van de litigieuze retourzendingen, c.q. de betreffende al dan niet toegepaste crediteringen evenmin voldoende helderheid bestaat; niet uit te sluiten valt dat daaromtrent nadere bewijslevering (bijvoorbeeld door middel van faxberichten en vrachtbrieven) noodzakelijk is. Dit zo zijnde, acht de rechtbank de benoeming van een deskundige (accountant/boekhouder) - zoals ter comparitie na antwoord aan de orde is geweest - thans niet opportuun.

4.3. De rechtbank zal daarom (nogmaals) een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen. De rechtbank geeft partijen in overweging de aanwezigheid van een vertegenwoordiger van Line Vier en Atradius ter zitting te bevorderen.

4.4. Partijen kunnen zich op de zitting laten bijstaan door een eigen (boekhoudkundig) adviseur.

4.5. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.6. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen, in het bijzonder met betrekking tot te verstrekken bewijsopdrachten.

4.7. Ter zitting kan aan de orde komen of een deskundigenonderzoek wenselijk dan wel noodzakelijk is, welke vragen beantwoord moeten worden, wie het voorschot dient te voldoen en wie partijen als deskundige benoemd willen zien.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. T.R. Hidma in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.2. bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 februari 2009 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de maandagen, dinsdagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden maart tot en met mei 2009, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.4. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.5. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.6. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2009.