Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI3471

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-03-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
153193 - KG ZA 09-7
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Deelnemersovereenkomst niet op goede gronden beeindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 153193 / KG ZA 09-7

Vonnis in kort geding van 2 maart 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TWICO TWEEWIELER INKOOP- EN MARKETING COMBINATIE,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FIETSPLUS B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. R.M. van Rompaey,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[A],

gevestigd te [woonplaats],

2. de vennootschap onder firma

[B],

gevestigd te [woonplaats],

3. [C],

wonende te [woonplaats],

4. [D],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J. van Rhijn.

Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als Twico c.s. en afzonderlijk als Twico en Fietsplus B.V. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als [A] en afzonderlijk als [A], [B], [C] en [D].

1. De procedure

1.1. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding van 9 januari 2009

- het herstelexploot van 12 januari 2009

- de 13 producties van Twico c.s.

- de 13 producties van [A]

- de faxbrief van mr. Van Rijn van 16 januari 2009

1.2. De zaak is behandeld ter zitting van 19 januari 2009, waarbij partijen hun standpunten mondeling hebben toegelicht mede aan de hand van pleitnotities.

[A] hebben ter zitting, naar zij hadden aangekondigd bij de voornoemde brief van 16 januari 2009, een eis in reconventie ingesteld.

De zaak is vervolgens ter zitting in overleg met partijen aangehouden ten behoeve van het beproeven van een beschikking. Tenslotte is op verzoek van Twico c.s. vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Twico (voorheen Twico Retail Support B.V.) houdt zich blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Limburg-Noord bezig met de groothandel in tweewielers en de daarbij behorende accessoires en onderdelen, de bemiddeling bij de totstandkoming van transacties in genoemde producten, de productontwikkeling ten behoeve van de tweewielerbranche en de ontwikkeling van marktconcepten.

2.2 Enig aandeelhouder was destijds de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid “Belangenvereniging voor Tweewieler-Handelaren Twico” (hierna: de vereniging).

Alleen leden van de vereniging konden met Twico een deelnemersovereenkomst sluiten.

2.3 [B] heeft bij overeenkomst van 7 september 2001 met Twico een deelnemersovereenkomst gesloten. Hierdoor werd [B], destijds lid van de vereniging, deelnemer van de door Twico in 1997 ontwikkelde “FIETSPLUS” formule.

Deze formule wordt per juni 2007 mede door Fietsplus B.V. (eiseres sub 2), waarvan Twico enig aandeelhouder is, geëxploiteerd.

De formule beoogt ondernemers in de fietsbranche, die aangesloten zijn bij Twico en de genoemde formule, inkoopvoordelen, een centraal betalingssysteem en ondersteuning op het gebied van onder andere automatisering, marketing, communicatie, inkoop en financiën te bieden. Er nemen thans ongeveer 42 ondernemers deel aan de Fietsplus formule.

Zij hebben op grond van een afspraak met Twico de naam FIETSPLUS in hun handelsnaam opgenomen en maken (veelal) gebruik van de logo’s/beeldmerken van Twico.

2.4 De artikelen 10 en 11 van de deelnemersovereenkomst luiden als volgt:

10. “Deze overeenkomst eindigt automatisch wanneer het lidmaatschap van de onder artikel 1 genoemde vereniging wordt beëindigd”.

11. “ TWICO B.V. kan deze overeenkomst om zwaarwegende redenen opzeggen, indien het TWICO- LID/ONDERNEMER:

- Wanbetaling pleegt.

- In staat van faillissement wordt gesteld.

- Surséance wordt verleend

- Inbeslagname ter executie wordt uitgevoerd.

- En voorts in al die gevallen waarin het TWICO-LID/ONDERNEMER blijkt niet langer kredietwaardig te zijn doordat de bank c.q. kredietinstelling die automatische betaalopdrachten niet langer uitvoert”.

2.5 Bij tussen [A] en Twico gewezen kortgeding vonnis van 21 juni 2006 van de rechtbank Roermond, gebood de voorzieningenrechter Twico op straffe van verbeurte van een dwangsom de met ieder van [A] gesloten deelnemersovereenkomst na te komen, meer specifiek om aan ieder van [A] de in de deelnemersovereenkomst bedoelde diensten en goederen te blijven aanbieden tegen de overeengekomen condities, zoals deze ook voor andere FIETSPLUS verkopers gelden (zaaknummer 73901 / KG ZA 06-91).

2.6 Bij tussen [A] en Intres B.V. gewezen kortgeding vonnis van 28 maart 2007 van de rechtbank Arnhem, oordeelde de voorzieningenrechter onder meer dat Intres B.V. toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [A] voortvloeiend uit de aansluitovereenkomst (zaaknummer 152509 / KG ZA 07-122).

2.7 Bij brief d.d. 23 juli 2007 heeft [B] aan Twico als volgt bericht:

“(…)Het is ondergetekende gebleken dat de door Twico aanbevolen financieringsmaatschappij (Intres) ernstig in gebreke is gebleven en zelfs actief onrechtmatig heeft behandeld door bijvoorbeeld naar fietsfabrikanten toe mijn naam in diskrediet te brengen.

Ik sta hierin niet alleen maar in een tweetal vonnissen is dit door de rechtbank bevestigd. Door deze handelswijze is het vertrouwen tussen mij en Intres B.V. onherstelbaar beschadigd. Voortzetting van de relatie heeft dus geen zin. Intres B.V. heeft dan ook afscheid moeten nemen onder compensatie van de door Intres B.V. veroorzaakte schade die in de vele tienduizenden euro’s beloopt. Ook overigens na tussenkomst van de rechter.

Ik ben mij ervan bewust dat in de overeenkomst is voorzien dat de relatie met Intres B.V. als voorwaarde gesteld wordt voor het TWICO/FIETSPLUS lidmaatschap. Intres B.V. is door Twico uitgezocht. Het kan daarom niet zo zijn dat nu Intres B.V. er een zootje van heeft gemaakt dit consequenties heeft voor mijn lidmaatschap. Dat zou namelijk niet aanvaardbaar zijn. Graag wisselde ik daarom van gedachten hoe een en ander kan worden opgelost. Overigens behoeft het vervallen van Intres geen probleem te zijn. Mijn bedrijf staat er goed voor en de vooruitzichten voor de markt zijn gunstig. In dit verband mag ook opgemerkt worden dat het CBS een groei in de fietsen markt zag van 20 procent voor het eerste kwartaal. Bij die oplossingen dient ook bedacht te worden dat mijn bedrijf in 2006 ernstig schade heeft geleden doordat Twico onterecht – midden in het seizoen – haar bemiddeling staakte. Die schade drukt rechtstreeks op het resultaat van mijn bedrijf.

Graag hoor ik spoedig.

Met vriendelijke groet,

[C]”

2.8 Bij brief van 23 augustus 2007 heeft Twico de deelnemersovereenkomst met [B] met onmiddellijke ingang opgezegd.

2.9 Een bestuursbesluit van de vereniging van 28 november 2007 strekt tot opzegging van het lidmaatschap van [C] van de vereniging tegen 1 januari 2008.

2.10 De rechtbank Roermond verklaarde bij vonnis van 23 juli 2008 voor recht dat Twico toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met Overdevest gesloten deelnemingsovereenkomst d.d. 19 april 2001.

3. Het geschil in conventie

3.1. Twico c.s. vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

1. [A] op straffe van een dwangsom zal gebieden om met onmiddellijk ingang na betekening van het vonnis iedere inbreuk op de aan Twico toekomende auteursrechten, waaronder begrepen het gebruik van het logo, zoals afgebeeld in het lichaam van de dagvaarding onder punt 9, te staken en gestaakt te houden;

2. [A] op straffe van een dwangsom zal gebieden om met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis ieder gebruik van de merken van Twico, ingeschreven in het Benelux merkenregister onder de nummers 688195, 819218, 777340 en 843521, of van een daarmee overeenstemmend teken, waaronder begrepen FIETSPLUS, te staken en gestaakt te houden;

3. [A] op straffe van een dwangsom zal gebieden om met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis ieder gebruik van de handelsnaam FIETSPLUS, alsook van een daarmee overeenstemmende handelsnaam, te staken en gestaakt te houden;

4. [A] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de werkelijk gemaakte advocaatkosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente over de (na)kosten;

5. de termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv zal bepalen op 6 maanden;

Subsidiair

6. [A] op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom zal gebieden om met onmiddellijk ingang na betekening van het vonnis ieder onrechtmatig handelen jegens Twico c.s., bestaande uit het gebruik in het economisch verkeer van een naam identiek of soortgelijk aan de door Twico c.s. gebezigde handels- en merknaam FIETSPLUS, te staken en gestaakt te houden;

7. [A] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente over de (na)kosten.

3.2. Twico c.s. leggen aan de vorderingen ten grondslag - samengevat - :

Bij gemelde brief van 23 augustus 2007 heeft Twico de deelnemersovereenkomst met [B] met onmiddellijke ingang opgezegd omdat [C] naliet zijn kredietwaardigheid te onderbouwen met financiële stukken en omdat hij onverwacht op eigen initiatief, zonder Twico daarin te kennen, zijn relatie met Intres B.V. - een centrale kredietinstelling van de Twico organisatie - had beëindigd. Hij plaatste Twico daarmee niet alleen voor een voldongen feit, maar bovendien handelde hij daarmee strijdig met artikel 11 van de deelnemersovereenkomst.

Twico heeft voorts betoogd dat [C] tegen de opzegging bezwaar heeft gemaakt onder verwijzing naar een eerder vonnis van de rechtbank Roermond van 23 juli 2008, dat dit vonnis geheel los staat van deze opzegging, dat haar advocaat dat bij brief van 20 oktober 2007 gemotiveerd uiteengezet heeft gezet aan [C] en dat daarna geen bezwaar is vernomen van [C] tegen de opzegging.

De deelnemersovereenkomst moet volgens Twico in ieder geval als beëindigd worden beschouwd per 1 januari 2008 omdat de enig aandeelhouder van Twico, de vereniging, het lidmaatschap van [C] bij eerder vermelde brief van 28 november 2007 heeft opgezegd tegen 1 januari 2008. Nu [C] geen lid meer is van de vereniging, is zijn deelnemingsovereenkomst op grond van artikel 10 van die overeenkomst per 1 januari 2008 automatisch geëindigd. Hij mag dan ook geen gebruik meer maken van de handelsnaam FIETSPLUS en van het logo FIETSPLUS.

[C] zet het gebruik van de handelsnaam en het woordmerk FIETSPLUS ten onrechte (offline en online) voort. Hij maakt voorts nog steeds gebruik van het auteursrechtelijke en merkenrechtelijke beschermde FIETSPLUS logo van Twico. Hij handelt gelet op een en ander in strijd met artikel 5 en 5 b van de Handelsnaamwet, artikel 1 van de Auteurswet, artikel 2.20 lid 1 sub a, sub b en sub c BVIE en artikel 6:162 BW.

3.3 [A] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [A] vorderen veroordeling van Twico c.s. tot betaling van EUR 4.956,05, vermeerderd met rente en proceskosten.

Zij leggen daaraan ten grondslag dat zij advocaatkosten hebben gemaakt met betrekking tot het aanvechten van het door Twico te kwade trouw geregistreerde merkdepot TELFORD.

4.2 Twico c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1. De vorderingen van Twico c.s. zijn gebaseerd op handelen van [A] in strijd met artikel 5 en 5 b van de Handelsnaamwet, artikel 1 van de Auteurswet, artikel 2.20 lid 1 sub a, sub b en sub c BVIE en artikel 6:162 BW.

Vooropgesteld dient te worden dat indien de deelnemingsovereenkomst van 7 september 2001 tussen Twico en [B] niet rechtsgeldig is beëindigd, zoals [A] als meest verstrekkende verweer aanvoeren, van strijdigheid met (een van) de voornoemde bepalingen (in ieder geval) geen sprake is. In dit kort geding zal dan ook allereerst moeten worden beoordeeld of voldoende aannemelijk is dat in een bodemgeschil geoordeeld zal worden dat de deelnemersovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.

5.2 Twico c.s. hebben in dat verband een beroep gedaan op de brief van 23 augustus 2007. Die brief hebben zij echter niet in het geding gebracht. [A] hebben ter zitting inhoudelijk onweersproken gesteld dat de deelnemersovereenkomst bij die brief niet rechtsgeldig is opgezegd, nu daarin geen sprake was een opzeggingsgrond als bedoeld in artikel 11 van de overeenkomst. Zij hebben, naar tussen partijen niet ter discussie staat, tegen de voornoemde opzeggingsbrief bezwaar gemaakt. Zij voeren dienaangaande, onder verwijzing naar onder meer het kort geding vonnis van 28 maart 2007 van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Arnhem, aan dat de aan Twico gelieerde onderneming Intres B.V. ten onrechte was overgegaan tot opschorting van haar verplichtingen voortvloeiend uit de aansluitovereenkomst en dat [B] om dié reden de aansluitovereenkomst met Intres B.V. terecht had beëindigd. [B] heeft Twico daarmee weliswaar voor een voldongen feit geplaatst, aldus [A], maar de opzegging van de aansluitovereenkomst kwam voor Twico niet onverwachts en was niet in strijd met de deelnemersovereenkomst. De ondernemingen van [A] stonden er goed voor en [C] had bij brief van 20 juli 2007 aan Intres B.V. aangegeven dat hij naar aanleiding van de kortgeding vonnissen van 21 juni 2006 en 28 maart 2007 graag van gedachten wilde wisselen. Daar is door Intres B.V. geen behoorlijk antwoord op gegeven en evenmin is zij met alternatieven gekomen. Opzegging door Twico per brief van 23 augustus 2007 van de deelnemersovereenkomst was dan ook niet aan de orde, aldus [A]

5.3 Gezien deze onweersproken gebleven toelichting van [A], is voorshands niet voldoende aannemelijk dat in een bodemgeschil geoordeeld zal worden dat de deelnemersovereenkomst door de brief van 23 augustus 2007 rechtsgeldig is beëindigd.

Dat geldt te meer nu niet gesteld of gebleken is dat een aansluitovereenkomst met Intres B.V. een noodzakelijke voorwaarde is voor deelname aan de FIETSPLUS formule en evenmin gesteld of gebleken is dat [B] door de opzegging van die aansluitovereenkomst niet langer kredietwaardig was en/of een betalingsachterstand opliep bij Twico.

5.4 Twico c.s. hebben voorts betoogd dat de enige aandeelhouder van Twico het lidmaatschap van [B] van de vereniging bij brief van 28 november 2007 met ingang van 1 januari 2008 heeft opgezegd en dat de deelnemersovereenkomst tussen Twico en [B] om die reden in ieder geval per 1 januari 2008 ten einde zou zijn gekomen. Zij verwijzen in dat verband naar productie 12 bij dagvaarding en naar artikel 10 van de deelnemersovereenkomst.

[A] bestrijden dat de deelnemersovereenkomst door die brief ten einde is gekomen. Zij stellen die brief niet tijdig te hebben ontvangen en zij voeren voorts aan dat de brief geen steekhoudende argumenten bevat die opzegging van het lidmaatschap van [B] van de vereniging rechtvaardigde. Zij wijzen er voorts op, onder verwijzing naar een ter zitting in het geding gebracht persbericht, dat de vereniging inmiddels is opgeheven.

5.5 De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de door Twico c.s. ter beschikking gestelde informatie niet in voldoende mate vast staat dat in een bodemgeschil geoordeeld zal worden dat het lidmaatschap van [B] van de vereniging en daarmee de deelnemersovereenkomst tussen Twico en [B] door de brief van 28 november 2007 rechtsgeldig ten einde is gekomen. De brief betreft een besluit “na ampel beraad” van de voorzitter en de secretaris/penningmeester van de vereniging tot beëindiging van het lidmaatschap van de vereniging van [C], waarmee kennelijk werd beoogd het lidmaatschap van de vennootschap onder firma [B] te beëindigen. In een bodemprocedure zal onder meer nader onderzocht moeten worden of het bestuur van de vereniging conform artikel 6 lid 3 van de statuten van de vereniging bevoegd was om namens de vereniging het voornoemde besluit te nemen (de statuten van de vereniging zijn door Twico c.s. niet in het geding gebracht) en of dat besluit is genomen met genoegzame inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor en of het gezien alle feiten en omstandigheden van het geval juist kan worden geacht om aan dat besluit de consequentie van beëindiging van de deelnemersovereenkomst te verbinden.

5.6 Het voert gezien deze onduidelijkheden te ver om thans bij wijze van voorlopige voorziening de door Twico c.s. gewenste verregaande consequenties te verbinden aan de brief van 28 november 2007. Dat geldt te meer nu voorshands niet zonder meer aannemelijk is dat een bodemrechter tot de slotsom zal komen dat het woord “FIETSPLUS” als woordmerk auteursrechtelijke bescherming geniet en dat de vennoten van [B] dat woord - ook uitgaande van de stelling van Twico c.s. dat het hanteren door Twico van de domeinnaam www.fietsplus.nl heeft te gelden als handelsnaamgebruik -, niet meer als onderdeel van hun eigen handelsnaam “[B]” mogen gebruiken.

Het woord “FIETSPLUS” tenslotte, dat [C] destijds krachtens voormelde afspraak met Twico aan zijn eigen handelsnaam “Peter [C]” heeft toegevoegd, heeft in combinatie met de woorden Peter [C] voldoende onderscheidend vermogen van de ondernemers die eveneens het woord FIETSPLUS in hun handelsnaam hebben opgenomen en die gezamenlijk onder het virtuele uithangbord www.fietsplus.nl opereren. Voor het op normale wijze oplettend en onderscheidend publiek valt daardoor onvoldoende verwarringgevaar te duchten.

5.7 De vorderingen van Twico c.s. zullen, gelet op het vorenstaande, worden afgewezen.

6. De beoordeling in reconventie

6.1. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

6.2 [A] hebben aan de bedoelde vordering in reconventie ten grondslag gelegd dat zij kosten hebben gemaakt met betrekking tot het aanvechten van het door Twico te kwade trouw geregistreerde merkdepot TELFORD. Pas na het schijven van een brief en na het opstellen van de concept dagvaarding heeft Twico bakzeil gehaald, aldus [A] De in het urenoverzicht genoemde kosten zijn in hun visie daarom volledig voor rekening van Twico. Zij verwijzen in dat verband onder meer naar de op de website www.rechtspraak.nl gepubliceerde Richtlijnen Proceskostenveroordelingen in IE-zaken.

6.3 Twico c.s. hebben daar inhoudelijk onweersproken tegenover gesteld dat de als productie 10 door [A] overgelegde conceptdagvaarding niet is uitgebracht en dat het opstellen van deze dagvaarding bovendien overbodig was aangezien Twico reeds na ontvangst van de allereerste brief daaromtrent van [C] direct in een oplossing van het geschil had voorzien, bestaande uit doorhaling van het door hen geregistreerde merkdepot TELFORD. In het licht van deze inhoudelijk niet bestreden stellingen is het bestaan en de omvang van deze vordering niet in hoge mate aannemelijk. Nu bovendien niet is gebleken van een voldoende spoedeisend belang bij toewijzing van (een deel van) deze geldvordering, dient de vordering in reconventie eveneens te worden afgewezen.

7. De proceskosten

Nu Twico c.s. in conventie in het ongelijk zijn gesteld en [A] in reconventie in het ongelijk zijn gesteld, bestaat aanleiding om de proceskosten te compenseren, in dier voege dat partijen ieder belast blijven met de aan hun zijde gevallen proceskosten.

8. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

- wijst de vorderingen van Twico c.s. af;

in reconventie

- wijst de vordering van [A] af;

in conventie en in reconventie

- compenseert de proceskosten, in dier voege dat iedere partij belast blijft met de aan haar zijde gevallen proceskosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2009.