Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI3403

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
25-05-2009
Zaaknummer
137391 / HA ZA 07-1275
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Juridische kwalificatie van diverse stappen in onderhandelingsprocedure rond horecagelegenheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 137391 / HA ZA 07-1275

Vonnis van 18 februari 2009

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres],

gevestigd te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [plaats]

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LERILA DE VROLIJKHEID BV,

gevestigd te Zwolle,

gedaagden,

advocaat mr. M.G.I.W. Teunis.

Partijen zullen hierna worden genoemd eiseres en gedaagden, dan wel afzonderlijk [gedaagde] c.q. De Vrolijkheid.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 augustus 2008;

- het proces-verbaal van comparitie van 6 november 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank verwijst naar voormeld tussenvonnis en hetgeen ter comparitie is verhandeld. Nu partijen volharden in hun respectievelijke standpunten zal bewijslevering hier duidelijkheid moeten brengen. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

2.1.1. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft eiseres een aantal producties in het geding gebracht, in het bijzonder twee door [gedaagde] voor accoord getekende brieven d.d. 22 december 2006, waarbij in de ene brief is vermeld een koopsom ad EUR 1.625.000,00 en leveringsdatum uiterlijk 1 februari 2007 en in de tweede brief dat eiseres het horecacomplex aan De Vrolijkheid verhuurt tot uiterlijk 31 december 2008 (behoudens verlenging tot 31 december 2009), onder toekenning van een eenmalige ontruimingsvergoeding aan De Vrolijkheid ad EUR 875.000,00 (productie A). Als bijlage 2 bij het beslagrekest (productie H) is overgelegd de betreffende brief van Van Vilsteren d.d. 23 december 2006 waarin onder meer staat vermeld:

“Ik bevestig de goede ontvangst van uw voorstel d.d. 22 december j.l. De inhoud van uw schrijven heb ik met mijn cliënte besproken en is door haar akkoord bevonden. Volledigheidshalve zend ik u ingesloten een voor akkoord getekend afschrift. Conform afspraak zal ik in de loop van volgende week contact leggen met notaris mr. H.J. Doorn (Nysingh advocaten en notarissen) en verzoeken voorbereidingen te treffen voor het opmaken van de concept-overeenkomsten. In overleg met de notaris en [gedaagde], zal ik u benaderen voor het vaststellen van een datum en tijdstip.”

2.1.2. Volgens gedaagden is evenwel nimmer een perfecte koop-huur(beëindigings)-overeenkomst tot stand gekomen: bedoelde voor accoord getekende brieven van 22 december 2006 kunnen slechts worden gezien als intentieovereenkomsten. Gedaagden stellen zich daarbij op het standpunt dat vanaf het begin van de onderhandelingen met eiseres het kooprecht van de erven Eibrink, althans een niet bij name genoemde derde, aan de orde is geweest; eiseres is vervolgens meegedeeld dat dit kooprecht - geheel onverwacht - op 28 december 2006 is ingeroepen. Nadien is door partijen nader met elkaar dooronderhandeld. De door eiseres op eigen initiatief ter ondertekening toegezonden stukken (producties C, D en E) bevatten voorwaarden die niet zijn opgenomen in de brieven van 22 december 2006. Het zou hier gaan om een nieuw aanbod dat niet door gedaagden is geaccepteerd.

2.2. Naar het oordeel van de rechtbank hebben gedaagden zich - behoudens het hierna in rechtsoverweging 2.3. te bespreken eventuele voorbehoud - met het voor accoord tekenen van meergemelde brieven van 22 december 2006 ondubbelzinnig verbonden, zodat in zoverre in beginsel sprake is van een (afdwingbare) overeenkomst ten aanzien van hetgeen in die brieven is vermeld, voor de inhoud waarvan wordt verwezen naar de copieën van deze brieven die aan dit vonnis zijn gehecht. Het standpunt van gedaagden dat het slechts zou gaan om, klaarblijkelijk in haar visie niet rechtens bindende, “intentieovereenkomsten” (wat daarvan verder ook zij) dient bij gevolg te worden verworpen. Het enkele feit dat daarna verdere besprekingen tussen partijen zijn gevoerd, kan hieraan niet afdoen, waarbij wordt opgemerkt dat de essentialia van de beoogde transacties enerzijds voldoende bepaalbaar zijn doch anderzijds nadere uitwerking behoeven, zoals ook uit de onderhavige brieven blijkt. Hetgeen dienaangaande door partijen over en weer ter comparitie is aangevoerd, leidt in ieder geval niet de conclusie dat gedaagden er gerechtvaardigd op hebben mogen vertrouwen dat nadien de onderhandelingen, gelijk zij betogen, “weer geheel open waren”, ook niet in die zin dat de litigieuze toegezonden stukken als in het geding gebracht als producties C, D en E - tenminste niet voor zover daarin de kern van de brieven van 22 december 2006 is verwerkt - zijn aan te merken als een “nieuw aanbod” van eiseres in de zin van artikel 6:225 BW (dat vervolgens niet is geaccepteerd). Gedaagden kunnen in die zienswijze derhalve niet worden gevolgd.

2.3. Wat betreft gedaagdes standpunt dat vanaf het begin van de onderhandelingen met eiseres het kooprecht van de erven Eibrink, althans van een niet bij name genoemde derde, aan de orde is geweest, begrijpt de rechtbank aldus dat zij daarmee de stelling betrekken dat de hiervoor aangenomen overeenkomst geacht moet worden te zijn aangegaan onder de ontbindende voorwaarde van het inroepen van een kooprecht van een derde. Anders dan eiseres verdedigt staat het gegeven dat gedaagden dit kooprecht tot in hoogste instantie aan de erven Eibrink betwisten hieraan niet in de weg, waar het immers zeer wel denkbaar is dat zij van een en ander - ondanks die betwisting - melding hebben gemaakt en daar omtrent een voorbehoud hebben gemaakt. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust terzake op gedaagden de bewijslast, in voege als in het dictum vermeld.

2.4. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De rechtban

3.1. draagt gedaagden op te bewijzen dat de in de brieven van 22 december 2006 vervatte overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde van het inroepen van een kooprecht van een derde,

3.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 maart 2009 voor uitlating door gedaagden of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

3.3. bepaalt dat gedaagden, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

3.4. bepaalt dat gedaagden, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen, dinsdagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden april tot en met juni 2009 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. T.R. Hidma in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5,

3.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

3.7. houdt iedere verdere beslissing aan.k

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.