Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI2914

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-05-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
07.607177-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging zware mishandeling, noodweerexces, subsidiariteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607177-08

Uitspraak: 1 mei 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2009 en 17 april 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.W. Flokstra, advocaat te Almere.

De officier van justitie, mr. S.J. Buis, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- dat de verdachte van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken

- de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 subsidiair ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder 1 subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank baseert de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair in belangrijke mate op de verklaring van verbalisant [X]. Hij verklaart op ambtsbelofte dat verdachte tot twee maal toe mevrouw [slachtoffer] met kracht in het gezicht heeft getrapt. Deze verklaring van [X] wordt ondersteund door de getuigenverklaring die [Y] bij de politie aflegt. Hoewel [Y] later verklaart dat zij niet zelf heeft waargenomen dat het verdachte was die [slachtoffer] trapte, is zij hier in haar verklaring bij de politie, welke zij kort na het gebeuren aflegt, erg duidelijk over. Zij verklaart evenals [X] dat zij ziet dat verdachte, wanneer hij wegrent, [slachtoffer] een trap tegen haar hoofd geeft. Ook verdachte zelf verklaart dat hij “door het lint ging” en dat hij [slachtoffer] misschien wel heeft geschopt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd te trappen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg hiervan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1 subsidiair: poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft primair het verweer gevoerd dat verdachte een geslaagd beroep kan doen op noodweer als bedoeld in het eerste lid van artikel 41 Sr.

De rechtbank is van oordeel dat weliswaar sprake is geweest van een noodweersituatie, zoals hierna wordt overwogen, doch acht de noodzaak tot het handelen van verdachte, dat wil zeggen het meermalen schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer], niet aanwezig zodat niet wordt voldaan aan het subsidiairiteisvereiste.

De raadsman heeft (subsidiair) betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweerexces toekomt.

De officier van justitie is van oordeel dat van noodweerexces geen sprake meer kon zijn, gelet op het feit dat verdachte al door [X] bij [slachtoffer] was weggehaald en daarna opnieuw tot de aanval is overgegaan

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] degene was die de confrontatie opzocht en de agressor is geweest. Als verdachte rustig met zijn vrienden op een terras zit valt zij hem zonder duidelijke reden aan. Ze gooit een fles naar hem en gooit hem vervolgens op de grond. Tussen verdachte en [slachtoffer] ontstaat een vechtpartij, waarbij verdachte behoorlijke verwondingen oploopt. [slachtoffer] heeft hierbij op een gegeven moment een fles in haar handen. Ze probeert verdachte hiermee te slaan, waarna de fles stuk valt. Met de kapotte fles maait [slachtoffer] in de richting van de vriend van verdachte[Z]. [Z] loopt hierbij een grote winkelhaak in zijn gezicht op.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van meerdere wederrechtelijke aanrandingen door [slachtoffer]. In eerste instantie jegens verdachte door een fles naar hem te gooien en hem aan te vallen terwijl hij op zijn stoel zit en later jegens [Z] als ze hem met een kapotte fles aanvalt. Tegen deze aanrandingen mocht verdachte zich verdedigen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat op het moment dat [slachtoffer] op de grond lag geen sprake meer was van een situatie waarin de noodzaak tot verdediging nog bestond.

Ondanks deze vaststelling is naar het oordeel van de rechtbank het schoppen door verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] echter wel het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door het daaraan voorafgaande gedrag van het slachtoffer, zodat sprake is van zogeheten tardief exces.

Zo heeft verdachte verklaard dat het zwart voor zijn ogen werd to[Z] met een bebloed gezicht zag, hetgeen de rechtbank een aannemelijke verklaring acht, mede gelet op de aard van de verwondingen van [Z], zoals blijkt uit de foto’s van het letsel. Voorts was sprake van een chaotische situatie waarbij meerdere personen betrokken waren en waarbij flink geweld werd gebruikt, hetgeen eveneens indruk zal hebben gemaakt op verdachte die zelf ook verwondingen heeft opgelopen.

De rechtbank honoreert het beroep op noodweerexces, verklaart de verdachte ten aanzien van hierboven onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit niet strafbaar en zal de verdachte ten aanzien van dat feit ontslaan van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het 1 subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld, doch verdachte is niet strafbaar.

De rechtbank ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door mr. H.M. Schaak, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en L.G. Wijma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 mei 2009.

Mr. L.G. Wijma voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.