Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI2474

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
Awb 07/2053 en 08/215
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank van oordeel dat hoofd financiële administratie bij een openbare scholengemeenschap zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Beroep tegen opgelegde strafontslag ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/2053 en 08/215

Uitspraak

in de gedingen tussen:

(eiser),

wonende te (woonplaats) ,

gemachtigde mr. E.M. Rengelink, advocaat te Amsterdam,

en

de Almeerse Scholen Groep (rechtsopvolger van de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Almere),

verweerder,

gemachtigde: mw.mr. B. Zippelius, werkzaam bij CAPRA te ’s-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij brief van 15 december 2006 heeft verweerder aan eiser het voornemen meegedeeld hem vanwege ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op te leggen met ingang van de eerst mogelijke datum en met bevel tot onmiddellijke tenuitvoerlegging hiervan. Voorts heeft verweerder het voornemen uitgesproken om de geleende en ontvreem-de bedragen van eiser terug te vorderen.

Op 12 januari 2007 heeft eiser tijdens een die dag gehouden hoorzitting hierop zijn ziens-wijze gegeven.

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft verweerder aan eiser met ingang van 23 februari 2007 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd en tevens besloten de geleende en ontvreemde bedragen van eiser terug te vorderen. Bij besluit van 10 april 2007 heeft ver-weerder het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 116.444,24.

Op 29 maart 2007 en 22 mei 2007 zijn namens eiser tegen deze besluiten bezwaarschriften ingediend.

Op 20 juni 2007 heeft de externe bezwarencommissie (verder: de commissie) een hoorzitting gehouden.

Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft verweerder deels in afwijking van de door de com-

missie gegeven motivering van het advies, de bezwaren tegen het disciplinaire ontslag onge-grond verklaard. Namens eiser is tegen dit besluit op 23 november 2007 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer Awb 07/2053. Op 28 januari 2008 heeft de gemachtigde van eiser dit beroep van aanvullende gronden voorzien.

Op 16 mei 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 17 december 2007 heeft verweerder met gedeeltelijke overname van het door de commissie gegeven advies, de bezwaren tegen het besluit van 10 april 2007, gedeeltelijk gegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag gesteld op € 16.795,-.

Namens eiser is tegen dit besluit op 25 januari 2008 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer Awb 08/215.

Op 16 oktober 2008 heeft verweerder in deze procedure een verweerschrift ingediend.

De beroepen zijn op 12 maart 2009 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden mw.mr. B.J. Zippelius,voornoemd. (...), rector, en (...), hoofd Personeel en Financiën.

2. Overwegingen

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Eiser is sedert 1992 werkzaam bij verweerder in de functie van Hoofd Financiële Administratie bij de Openbare Scholengemeenschap “ De Meergronden” (verder: de Meergronden). In deze functie was eiser de eindverantwoordelijk leidinggevende voor de financiële administratie van de Meergronden. Eiser was in zijn functie belast met de totstandkoming van de financiële tussen- en eindrapportages waaronder de jaarstukken. Eiser gaf voorts leiding aan een aantal medewerkers die op de financiële administratie werkten. Laatstgenoemden waren belast met eenvoudige werkzaamheden zoals de administratieve verwerking van financiële gegevens. Van 2005 tot halverwege 2006 heeft eiser als senior administrateur gewerkt. Met ingang van 29 augustus 2006 is via het externe bureau Deloitte een administrateur a.i. op de Meergronden begonnen. Deze administrateur constateerde dat er (nog steeds) ongeregistreerde geldstromen op de Meergronden aanwezig waren. In verband daarmee heeft verweerder Hofmann Bedrijfsrecherche ingeschakeld om een onderzoek te verrichten naar een zwartgeldcircuit op De Meergronden in de periode 1999 tot en met oktober 2006. Bij besluit van 10 oktober 2006 is eiser in kennis gesteld van het besluit hem te schorsen en de toegang tot alle gebouwen van de Meergronden te ontzeggen.

2.2. Op basis van de onderzoeksresultaten is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan diverse vormen van ernstig plichtsverzuim, te weten (samengevat):

-het onderhouden van een zwartgeldcircuit onder meer door middel van het handhaven en gebruiken van tenminste twee bankrekeningen die hij buiten de officiële administratie van de school heeft gehouden, een en ander buiten medeweten van zijn superieuren;

-het op onvoldoende wijze registreren en bijhouden van de administratie die betrekking heeft gehad op de verhuur van de zalen in de periode 1999-2006 en het vernietigen van delen van deze administratie;

-het aanwenden van financiële middelen van De Meergronden ten behoeve van het tijdelijk aanvullen van de rekeningen van de Stichting Tanzania TPC, zonder dat eiser daarover terugkoppeling heeft gepleegd met de schoolleiding c.q. de rector;

-het gebruiken van een pinpas van een van de rekeningen van de school, met daaraan verbonden het gebruik van de naam van de school, in de seksclub (…) te (…);

-het aanwenden van genoemde pinpas tijdens de bezoeken aan deze club ten behoeve van het witwassen van zwart geld dan wel mogelijkerwijs van gelden uit criminele activiteiten ver-kregen, althans het aanvaarden van de kwade kans dat op deze wijze de naam van de school wordt verbonden aan zwartgeld- dan wel criminele praktijken;

-het verstrekken van renteloze leningen aan medewerkers van de school, zonder terugkoppe-ling met de schoolleiding en zonder deugdelijke vastlegging van de lening of de voorwaar-den waaronder de lening is verstrekt;

-het aanzetten van bouwbedrijf (..), c.q. een medewerker van deze firma, tot het sturen van een valse factuur ten bedrage van € 11.905,74 aan De Meergronden voor werkzaamheden die niet zijn verricht, met het oogmerk daarmee een door het bouwbedrijf (…) aan de woning van eiser verrichte verbouwing gedeeltelijk te betalen;

-het misbruiken van de genoemde factuur voor de betaling door De Meergronden van een gedeelte van een aan deze woning verrichte verbouwing;

-het bij meerdere gelegenheden tussen 10 oktober en 8 november 2006 zich toegang ver-schaffen tot de werkruimten, waarin eiser voorheen werkzaam is geweest op De Meergron-den en bij die gelegenheden het openmaken c.q. openbreken van bureauladen en het zich toe-eigenen van gelden uit de administratie die hem niet toebehoren en waarvoor hij geen toe-stemming had.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals in de vorige rubriek beschreven.

2.3. De commissie heeft verweerder geadviseerd om de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag te handhaven en het ingediende bezwaar ongegrond te verklaren met dien verstande dat twee onderdelen van het bestreden besluit, namelijk dat betreffende het in stand houden van het zwartgeldcircuit door middel van het onder meer handhaven en gebruiken van ten minste twee bankrekeningen die buiten de officiële administratie van de school zijn gehouden en dat betreffende het handelen dat door het gebruik van de verborgen camera is vastgelegd, uit de grondslag van het besluit worden verwijderd.

2.4. Bij besluit van 15 oktober 2007 heeft verweerder gesteld dat de veronderstelling dat het strafontslag uitsluitend gegrond zou zijn op de camerabeelden, niet juist is. Omdat het feitencomplex niet betwist wordt, speelt het beeldmateriaal bij de vaststelling van de relevante feiten geen rol. Subsidiair is verweerder van mening dat camerabeelden wel degelijk toelaatbaar zijn bij de besluitvorming. Verweerder heeft daarbij overwogen dat voldaan is aan het kenbaarheidsvereiste nu in casu de voorzitter van het College van bestuur aan de voorzitter van de MR op 1 november 2006 heeft meegedeeld dat er een verborgen camera was geplaatst. Voorts betwist verweerder dat eiser toestemming had om op 23 ok-tober 2006 op de De Meergronden aanwezig te zijn. Dat het geldbedrag zou zijn aangewend om een openstaande vordering van een conciërge te voldoen, bestrijdt verweerder ook.

Op geen enkele manier is verweerder gebleken dat er sprake was van een openstaande vor-dering vanwege werkzaamheden van deze conciërge ten behoeve van de Volksuniversiteit. Bovendien blijkt uit de verdachte feiten en omstandigheden op 23 oktober 2006 dat er nim-mer sprake was van oprechte bedoelingen bij eiser en de conciërge. Dit blijkt reeds hieruit dat de gedragingen van eiser plaatsvonden na schooltijd en dat eiser een gesloten bureaula met een truc opende, waarbij eiser tegen deze conciërge heeft gezegd “ dat hij van niets wist”. Daarnaast is verweerder van oordeel dat eiser niet staande kan houden dan hij na ommekomst van een periode van vijf jaar nog steeds in de veronderstelling was dat hij doende was om het zwartgeldcircuit af te bouwen. Tenslotte is verweerder het niet eens met de overweging van de commissie dat het feit dat eiser de twee bankrekeningen in 2006 (nog) niet had opgeheven en deze nog lange tijd heeft gebruikt niet als plichtsverzuim is aan te merken, omdat het eiser in 2001 niet voldoende duidelijke zou zijn gemaakt binnen welke termijn dit diende te gebeuren.

2.5. Namens eiser is – samengevat – aangevoerd dat de camera is geplaatst in strijd met artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht nu er niet is voldaan aan het kenbaarheids-vereiste.Verder is er in 2001 een bijeenkomst geweest over afbouw van het zwartgeldcircuit. Er is echter geen expliciete tijdslimiet afgesproken en eiser heeft alleen opdrachten van de school uitgevoerd terzake de uitbetalingen van zwart geld. Alle handelingen van eiser moeten gezien worden in het licht van de op school bestaande cultuur. Ten aanzien van de terugvordering acht eiser de feiten en omstandigheden die hieraan ten grondslag zijn gelegd niet in overeenstemming met de waarheid.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Op grond van de gedingstukken staat vast dat halverwege de jaren negentig er twee rekeningen zijn geopend ten behoeve van inkomsten die werden verkregen uit het verhuren van schoolruimtes. De rekening met het nummer (…) met de tenaamstelling “Meergronden Zaalverhuur”was ondergebracht bij de Postbank. De tweede rekening met nummer (…) is omstreeks 1997 door eiser geopend bij de Rabobank onder de naam “Meergronden activiteitenrekening”. Vast staat dat eiser de schoolleiding niet op de hoogte heeft gebracht van het openen van deze rekening (Rapport Hoffmann bladzijde 69).

Vervolgens blijkt uit de gedingstukken dat er eind 2001 een overleg heeft plaatsgevonden tussen het bestuur, de controller en de rectoren van de openbare VO-scholen in Almere. Bij dit overleg is er gesproken over de wijze waarop de diverse geldstromen geregeld konden en moesten worden. Tijdens dit overleg is besloten alle Stichtingen – inclusief de bijbehorende rekeningen – op te heffen. Voorts zijn tijdens dit overleg de zwarte betalingen voor neven-activiteiten van schoolmedewerkers aan de orde geweest. Alle deelnemers aan dit overleg – waartoe ook eiser behoorde hebben besloten om dit zogenaamde zwartgeldcircuit af te bouwen. Dit betekent dat er werd besloten om vanaf dat moment de fiscus te betrekken bij betalingen die werden gedaan voor nevenactiviteiten en allerhande klussen.

2.7. Per 1 september 2006 is eiser overgeplaatst. Eerst toen is gebleken dat er twee bankafre-keningen werden aangehouden die geheel buiten de boekhouding waren gehouden, terwijl dagafschriften van deze rekeningen, op enkele afschriften na, ontbraken. Uit achterhaalde gegevens is vervolgens gebleken dat er vanaf 1999 tot medio 2006 een totaal bedrag van omstreeks één ton (in euro’s) was ontvangen op deze rekeningen en dat in genoemde periode in totaal omstreeks één ton (in euro’s) was opgenomen van deze rekeningen. Voorts is uit het onderzoek van de totale administratie gebleken dat eiser grote bedragen heeft opgenomen van drie bankrekeningen. In totaal heeft eiser in de periode van 1999 tot en met 2006 in totaal € 480.000,-- aan contant geld opgenomen (Rapport Hoffmann bladzijde 31) en dit betreffen geldopnamen van zowel “zwarte” als “witte” rekeningen. Van de “zwarte” bankaf-rekeningen heeft eiser in totaal een bedrag van € 99.000,-- opgenomen, doch onbekend is met welk doel deze bedragen zijn opgenomen.

2.8. De verklaring van eiser dat genoemde bedragen alle zijn besteed ten behoeve van De Meergronden acht de rechtbank weinig geloofwaardig. De rechtbank is op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie gekomen dat eiser nimmer een serieuze poging heeft ondernomen om conform de in 2001 gemaakte afspraken het

zwartgeldcircuit af te bouwen en orde op zaken te stellen. Integendeel, hij heeft volstrekt in strijd met deze afspraken gehandeld en het “witte” geldcircuit vermengd met “zwarte” inkomsten zonder dat het mogelijk is gebleken om de precieze gang van zaken achter af te reconstrueren. Dat het eiser in 2001 onvoldoende duidelijk zou zijn gemaakt binnen welke termijn het afbouwen afgerond diende te zijn acht de rechtbank evenmin geloofwaardig nu eiser de expliciete opdracht had gekregen om het zwartgeldcircuit af te bouwen. Daarbij past het niet dat eiser in 2006 de twee bankrekeningen nog niet had opgeheven. Eiser had hierin een eigen verantwoordelijkheid en eiser had bij twijfel ook zelf kunnen informeren binnen welke termijn een en ander afgehandeld had moeten zijn.

Ook is ter zitting door en namens eiser aangevoerd dat er geen sprake was van plichtsver-

zuim omdat de gedragingen zouden zijn ingegeven door de bestaande schoolcultuur en hij slechts opdrachten van de leiding zou hebben uitgevoerd.

De rechtbank heeft inderdaad geconstateerd dat de rector in voorgaande jaren toestemming heeft gegeven voor het doen van betalingen aan een voormalige conrector zonder hiervan mededeling aan de fiscus te doen. Nergens valt evenwel uit af te leiden dat de rector aan eiser opdracht zou hebben gegeven voor alle zwarte betalingen binnen de school.

Eiser heeft zijn stelling dat dit is gebeurd niet onderbouwd en de rechtbank heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de door de rector ter zitting afgelegde verklaring op dit punt. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat eiser de leiding van De Meergronden op enig moment heeft ingelicht over zijn werkwijze met betrekking tot de twee bankrekeningen en acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de schoolleiding zelfs niet bekend was met het bestaan van deze rekeningen.

2.9. Voorts heeft eiser toegegeven dat hij vanaf rekeningen van de Meergronden diverse malen geld heeft overgeboekt naar een rekening van de Stichting Tanzania en heeft eiser erkend dat hij pinbetalingen heeft verricht aan sexclub (restaurant) (..) met een bankpas die behoorde bij een rekening van de Meergronden. Voorts heeft eiser toegegeven dat hij een valse factuur heeft laten opmaken door bouwbedrijf (..) welke factuur deels betrekking had op werkzaamheden die waren verricht aan zijn eigen woning. De rechtbank acht het doen van pinbetalingen in een sexclub met een pas van de school ongepast en ook het opmaken van een valse factuur levert zonder meer ernstig plichtsverzuim op.

2.10. Ook is komen vast te staan dat eiser leningen heeft verstrekt aan diverse medewerkers van de school zonder dat deze medewerkers een kwitantie hebben getekend of op een andere manier werd vastgelegd dat zij een schuld hadden. De rechtbank is van oordeel dat ook deze werkwijze niet past bij eisers functie van hoofd financiën.

2.11.Eiser heeft verder erkend dat hij in de periode van 10 oktober 2006 tot en met 8 novem-ber 2006 diverse malen in de avonduren op de Meergronden is geweest en dat hij op 23 ok-tober 2006 een bedrag van € 800,-- heeft weggenomen welk bedrag zich bevond in een gesloten bureaulade. De rechtbank deelt het oordeel van verweerder dat de stelling van eiser dat hij dit heeft gedaan om een conciërge te helpen een tegoed voldaan te krijgen, ongeloofwaardig is. Ook is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat de betreffende conciërge nog een vordering had op de Meergronden. Eiser heeft voor zijn stelling op dit punt zelfs geen begin van (schriftelijk) bewijs aangeleverd.

2.12.In bezwaar en beroep is aangevoerd dat de beelden die zijn verkregen door de inzet van verborgen camera’s niet als bewijs kunnen dienen omdat deze onrechtmatig zouden zijn verkregen. De rechtbank volgt eiser hier niet in. Volgens artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht is er slechts sprake van onrechtmatigheid indien beeldmateriaal wederrechtelijk is verkregen. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen beelden indien voldaan is aan het kenbaarheidsvereiste. Volgens de wetgever is in geval van de inzet van een verborgen camera door een werkgever voldaan aan het kenbaarheidsvereiste indien de (voorzitter) van de Ondernemingsraad heeft ingestemd met de plaatsing daarvan. In casu heeft de voorzitter van de Medenzeggenschaps-raad ingestemd met de plaatsing van twee camera’s. Hiermee is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste en het gegeven dat de voorzitter van de MR pas na de plaatsing van de camera’s zijn instemming kenbaar heeft gemaakt doet daar niet aan af. De instemming zou immers ook zijn verkregen indien daarom voorafgaand aan de plaatsing zou zijn verzocht,

Voorts heeft de Centrale Raad van Beroep in een op 10 juli 2008 gedane uitspraak (LJN: BD8026) geoordeeld dat dat er geen sprake is van strafbaar cameratoezicht indien de camera’s zijn ingezet binnen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens. Indien wordt voldaan aan het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit is de inzet van camera’s niet wederrechtelijk en strafbaar. In casu is naar het oordeel van de rechtbank aan beide voorwaarden voldaan nu de camera’s alleen na schooltijd zijn ingezet en uitsluitend waren gericht op de bureaula waarin de kas was opgeborgen. Ook heeft de inzet van verborgen camera’s slechts gedurende een korte periode plaatsgevonden en waren deze ook niet gericht op de werkplek van eiser.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat eiser op grond van alle beschreven feiten en omstandigheden zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

Gezien de aard en de ernst van de verwijtbaarheid van de gedragingen van eiser is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde sanctie van disciplinair strafontslag niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. Eiser was Hoofd Financiën en in deze hoedanigheid heeft verweerder volledig en onvoorwaardelijk op zijn integriteit moeten kunnen vertrouwen. Eiser heeft dit vertrouwen echter in zeer ernstige mate beschaamd. Het namens eiser ingediende beroep tegen het opgelegde strafontslag dient derhalve ongegrond te worden verklaard

2.13 Met betrekking tot het terugvorderingsbesluit stelt de rechtbank vast dat namens eiser in beroep slechts is aangevoerd dat de feiten en omstandigheden die aan dit besluit ten grondslag zijn gelegd niet in overeenstemming zouden zijn met de waarheid en dat er onjuiste toepassing zou zijn gegeven aan relevante wet- en regelgeving. Door of namens eiser is niet gespecificeerd op welke punten genoemd besluit een onjuiste feitelijke grondslag zou ontberen en waarom het onrechtmatig genomen zou zijn. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat onduidelijk blijft of hij verantwoordelijk wordt geacht voor het kasverschil van € 10.795,- of dat hem wordt verweten dat hij dit bedrag in eigen zak heeft gestoken.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij eiser verantwoordelijk acht voor het vastgestelde kasverschil en dat eiser dit verschil om deze reden moet aanzuiveren. De rechtbank kan zich hierin vinden.

Verder heeft eiser gesteld dat nu het hiervoor genoemde kasverschil van hem wordt teruggevorderd niet ook nog eens € 500,- terzake van de gekapte boom van hem kan worden teruggevorderd, omdat dit laatste bedrag geacht moet worden te zijn begrepen in dat kasverschil. Ook heeft hij nog aangevoerd de € 5.500 betreffende de seksclub in Laren te hebben teruggestort, hetgeen zou blijken uit de rubriek kruisposten in het transactieoverzicht van de bankrekening van de kantine van het jaar 2005/2006 (gedingstuk 28).

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de enkele vermelding van de verschillende bedragen in laatstbedoelde rubriek niet kan strekken als bewijs dat eiser deze bedragen ook daadwerkelijk heeft teruggestort. Daarvoor zijn stortingsbewijzen nodig en de rechtbank heeft deze niet aangetroffen. Dat eiser op zijn computer op school een schaduwbestand bijhield waarop hij deze terugstortingen bijhield en dat hij dit schaduwbestand heeft laten zien aan een van de medewerkers van bureau Hoffman maakt dit niet anders. Dit bureau heeft hiervan in het rapport weliswaar melding gemaakt, maar het heeft er geen consequenties aan verbonden.

Ten aanzien van de dubbele aansprakelijkstelling voor het bedrag van € 500 is de rechtbank van oordeel dat eiser dit argument dermate laat in de procedure heeft aangevoerd dat daarnaar geen nader onderzoek mogelijk is, reden waarom de rechtbank dit buiten beschouwing laat.

De conclusie moet dan ook luiden dat het beroep ingesteld tegen het besluit van 17 december 2007 eveneens ongegrond is.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Szauer-Bos, voorzitter, mr. A. Oosterveld en mr. E. Steendijk, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier, op

Afschrift verzonden op: