Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI2472

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
07.607044-09, 07/602715-07 (vtvv) en 13/412284-07 (vtvv)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ne bis in idem, ontvankelijkheid openbaar ministerie, bewijs, schuldheling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607044-09, 07/602715-07 (vtvv) en 13/412284-07 (vtvv)

Uitspraak: 21 april 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]

wonende te Almere,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Lelystad.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.A.M. Rademaker-Ramaekers, advocaat te Emmeloord.

De officier van justitie, mr. Van der Borg heeft ter terechtzitting gevorderd:

- het openbaar ministerie in de vervolging van feit 5 niet ontvankelijk te verklaren;

- de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact ook als dat inhoudt het volgen van een training cognitieve vaardigheden en wonen binnen Exodus;

- de vordering van de benadeelde partij [X] niet-ontvankelijk te verklaren;

- de tenuitvoerlegging van 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd door de politierechter te Zwolle-Lelystad d.d.26 september 2007;

- de tenuitvoerlegging van 1 week gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd door de politierechter te Amsterdam d.d. 2 november 2007;

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij in Zweden al is veroordeeld voor de diefstal van de auto en de zich in die auto bevindende goederen zoals onder 5 ten laste gelegd. Uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie blijkt dat hij inderdaad op 20 mei 2008 in Zweden is veroordeeld wegens diefstal van een vervoermiddel. Nu verdachte slechts eenmaal voor hetzelfde feit kan worden vervolgd is de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van feit 5 niet ontvankelijk zal moeten worden verklaard in haar vervolging.

Onder 4 is aan verdachte ten laste gelegde de diefstal van de bij de auto behorende papieren, sleutels en kentekenbewijs. Gelet op de nauwe samenhang die deze goederen met de auto vertonen houdt de rechtbank het (bij gebreke van bewijs van het tegendeel daarvan) ervoor dat verdachte ook reeds voor de diefstal van deze goederen is vervolgd en veroordeeld in Zweden. De rechtbank zal de officier van justitie derhalve ook ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit niet ontvankelijk verklaren in haar vervolging.

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Mevrouw [X] doet aangifte van diefstal van onder andere haar Nokia-telefoon en haar mp3 speler. Deze goederen worden bij verdachte aangetroffen. Verdachte verklaart dat hij deze goederen voor 75 euro heeft gekocht van een voor hem onbekende man in (of in de nabijheid van) een coffeeshop. De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op deze omstandigheden redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de telefoon van diefstal afkomstig was. Verdachte had daarom de nodige voorzichtigheid moeten betrachten. Verdachte heeft dit nagelaten en zelfs niet naar de herkomst van de telefoon gevraagd. De rechtbank acht schuldheling van de telefoon en de mp3-speler bewezen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1. meer subsidiair

Schuldheling, strafbaar gesteld bij artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

3.

Diefstal, door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht brengt de rechtbank bij het opleggen van na te melden straf in rekening de straf die de verdachte bij vonnis van de politierechter te Den Haag d.d. 5 februari 2008 is opgelegd.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijke onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Mede gelet op de rapportage van de Reclassering ziet de rechtbank reden een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, opdat verdachte wordt gestimuleerd zich in te spannen om zijn leven, met hulp van de reclassering, weer op de rails te krijgen en zijn opleiding tot stukadoor met succes af te ronden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 maart 2009;

een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 26 maart 2009 uitgebracht door Reclassering Nederland;

Benadeelde partij

De benadeelde partij [X] te Lelystad is in haar vordering naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk nu niet kan worden vastgesteld dat zij rechtstreekse schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde feit, te weten schuldheling.

Vorderingen tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig alsnog de tenuitvoerlegging te gelasten van

- de door de politierechter te Zwolle-Lelystad bij vonnis d.d. 26 september 2007 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand;

- de door de politierechter te Amsterdam bij vonnis d.d. 2 november 2007 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week.

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vervolging van de feiten onder 4 en 5 ten laste gelegd.

Het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 4 maanden, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt het volgen van een training cognitieve vaardigheden of ambulante behandeling bij een door de reclassering aan te wijzen instelling, zulks zolang deze de Reclassering Nederland of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [X] in haar vordering niet ontvankelijk is.

Ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst de vorderingen toe.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13/412284-07 bij vonnis d.d. 2 november 2007 van de politierechter te Amsterdam voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten één week gevangenisstraf.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 07.602715-07 bij vonnis d.d. 26 september 2007 van de politierechter te Zwolle- Lelystad voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten één maand gevangenisstraf.

Aldus gewezen door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2009.