Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI2470

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
07.994552-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

doorzoeking, ontbreken (spoed)machtiging, vormverzuim, bewijsuitsluiting, verboden vruchten, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.994552-05

Uitspraak: 21 april 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum]

wonende te [adres]

verblijvende in het Huis van Bewaring te Lelystad

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Lieftink, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. S. Buist, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- dat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 3 aan hem ten laste gelegde;

- de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

- dat de in beslag genomen goederen verbeurd zullen worden verklaard.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

Op woensdag 23 november 2005 omstreeks 14.40 uur werd er op basis van artikel 20 van de Wet economische delicten binnengetreden in de woning van verdachte aan de [adres]. Op dat moment was er niemand in de woning aanwezig.

Nu er geen toestemming was van de bewoner tot het binnentreden van de woning is daar op basis van artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden een schriftelijke machtiging voor nodig. Deze machtiging, welke voldoet aan de wettelijke vereisten, bevindt zich in het dossier. Het binnentreden in de woning om 14.40 uur heeft derhalve rechtmatig plaatsgevonden. In de woning werden in de hal en in de woonkamer een aantal dozen met illegaal zwaar vuurwerk aangetroffen. In verband met de gevaarzetting werd de woning verlaten en werd de omgeving afgezet. In verband met de gevaarzetting is door de brandweer een onderzoek in de woning verricht. De brandweer treft hierbij een weedplantage aan op de zolder van de woning. Ook wordt door de brandweer op de eerste etage meer zwaar vuurwerk aangetroffen. In de meterkast op de begane grond bleek elektra te zijn doorgebrand. De brandweer constateerde een zeer gevaarlijke situatie in de woning van verdachte. Het aangetroffen vuurwerk wordt op last van de politie Almere in beslag genomen en door de brandweer uit de woning afgevoerd.

Nadat de brandweer de woning als veilig heeft vrijgegeven vindt er in de woning een doorzoeking plaats. Gezocht zou worden naar allerlei voorwerpen die de aankoop en de verkoop van het in beslag genomen vuurwerk zouden kunnen ondersteunen. Tevens zou nog gezocht worden naar vuurwerk dat niet op zicht was aangetroffen in de woning.

Na de sluiting van de doorzoeking werd de aangetroffen weedplantage ontruimd.

In het proces-verbaal van doorzoeking in de woning aan de [adres] maakt verbalisant La Heij melding van een spoedmachtiging verleend op 23 november 2005 door rechter-commissaris mr. Cleerdin. De rechtbank constateert dat de in het proces-verbaal vermelde machtiging zich niet in het dossier bevindt en dat ook overigens niets bekend is geworden van deze machtiging.

De rechtbank overweegt dat een machtiging tot doorzoeking gezien de spoedeisendheid van de zaak door de rechter-commissaris weliswaar telefonisch kan worden gegeven, maar vereist is dat een dergelijke machtiging nadien op schrift gesteld wordt of dat hiervan door de rechter-commissaris proces-verbaal wordt opgemaakt. De rechtbank stelt vast dat een zodanig schriftelijk stuk ontbreekt in het dossier en dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waarvan zij dient te beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. De rechtbank overweegt voorts dat het de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift in zijn belangen is getroffen en dat het zijn belang is dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Hij was immers de bewoner van het perceel aan de [adres].

De rechtbank neemt in ogenschouw dat het vereiste van een machtiging van de rechter-commissaris tot doorzoeking van een woning van fundamentele betekenis is voor de bevoegdheid van de politie om een dergelijk dwangmiddel toe te passen. Nu van een dergelijke machtiging niets is gebleken zijn belangrijke (strafvorderlijke) voorschriften in aanzienlijke mate geschonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat al hetgeen bij de doorzoeking op 23 november 2005 in de woning aan de [adres] is gevonden van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu dit onrechtmatig is verkregen.

Het onder 3 aan verdachte ten laste gelegde feit ziet op handel van vuurwerk met de heer [X]. De politie is hier via het uitlezen van de tijdens de onrechtmatige doorzoeking onder verdachte in beslag genomen computers en telefoons achter gekomen. Deze informatie is de aanleiding geweest voor de doorzoeking bij de heer [X]. De rechtbank sluit zowel de computer en gsm-gegevens als de verklaringen van de heer [X], als verboden vruchten, uit van het bewijs.

De verdachte dient van het onder 3. ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat na hetgeen de rechtbank voor het bewijs heeft uitgesloten, dit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Zoals hiervoor is uiteengezet werden zowel het vuurwerk als de hennepplantage aangetroffen toen men op rechtmatige wijze de woning van verdachte was binnengetreden, nog voordat met de onrechtmatige doorzoeking werd begonnen. Uit het proces-verbaal van doorzoeking blijkt dat bij de doorzoeking geen vuurwerk meer in beslag is genomen, zodat kan worden vastgesteld dat al het vuurwerk reeds voor de onrechtmatige doorzoeking op rechtmatige wijze in beslag is genomen.

De hennepplantage is na sluiting van de doorzoeking ontmanteld en derhalve op rechtmatige wijze in beslag genomen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de processen verbaal opgemaakt over het aangetroffen vuurwerk en de hennepplantage, de (bekennende) verklaringen van verdachte en medeverdachte Sewradj niet als verboden vruchten van de onrechtmatige doorzoeking kunnen worden aangemerkt.

Ten aanzien van 5. geldt dat verdachte geen bezwaar had tegen de tijdens het voorarrest van hem plaatsgevonden (tweede) doorzoeking in zijn huis, waarbij de politie een gas/knalpistool, merk Umarex, type 9 mm Colt Double Eagle heeft aangetroffen met 2 bijbehorende patroonhouders, waarvan de ene patroonhouder was gevuld met 10 knalpatronen en de andere met 10 gaspatronen. Voorts heeft de politie onder een andere kast een doosje met 30 knalpatronen aangetroffen. Uit een proces- verbaal van de technische recherche volgt dat het hier gaat om wapens en munitie behorend tot categorie III.

Verdachte heeft een bekennende verklaring hierover afgelegd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 4 en 5 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder 1, 2, 4 en 5. meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.1 Wet milieubeheer, juncto artikel 2.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit, opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten.

Feit 2

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1. Wet milieubeheer, juncto artikel 1.2.2 aanhef en onder a en artikel 2.1.3 lid 1 van het Vuurwerkbesluit, opzettelijk begaan, strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten

Feit 4

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 2 van de Opiumwet.

Feit 5

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 eerste lid van de Wet wapens en munitie.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte een grote hoeveelheid illegaal en krachtig vuurwerk voorhanden heeft gehad, terwijl algemeen bekend is dat de opslag van vuurwerk aan zeer strikte regels is gebonden. Verdachte heeft door het opslaan van het vuurwerk in zijn woning de veiligheid van de omwonenden ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank wijst er in dat kader op dat in de meterkast de elektra was doorgebrand, zodat met het optreden van de politie wellicht een ramp is voorkomen. Verder is algemeen bekend dat het gebruik van zodanig vuurwerk zeer ernstige risico’s pleegt op te leveren. Die risico’s zijn er niet alleen voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor niets vermoedende omstanders.

Anders dan door de raadsman is betoogd is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Het feit dat verdachte, nadat de rechtbank op 4 januari 2007 de dagvaarding nietig heeft verklaard, nu pas opnieuw is gedagvaard vindt zijn verklaring in het feit dat verdachte in oktober 2007 is veroordeeld door het gerechtshof in Madrid en in Spanje gedetineerd heeft gezeten tot november 2008.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 6 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen vermelde voorwerp dient te worden verbeurdverklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de onder de nummers 2, 3 en 4 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 5 maart 2009;

De oplegging van de straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 3 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1, 2, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank verklaart verbeurd het onder nummer 6 vermelde voorwerp op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de onder de nummers 2, 3 en 4 vermelde voorwerpen op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. M.A.A. ter Meer-Siebers en W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2009.