Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI2432

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
07/400206-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting, (voorwaardelijk) opzet, poging, ontoerekeningsvatbaarheid, opname psychiatrisch ziekenhuis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400206-08

Uitspraak: 21 april 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortejaar]

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2008 en 7 april 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Kok, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. D. van den Berg, heeft ter terechtzitting gevorderd dat:

- het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard;

- verdachte ter zake van deze feiten wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is;

- verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van één jaar zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis;

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

BEWIJS

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het stichten van brand in de woning en dat gelet op het ontbreken van technisch bewijs betreffende de inrichting van de keuken en/of de woning niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van gevaar voor het interieur van de keuken en/of woning, dan wel dat er levensgevaar voor personen of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is geweest. Subsidiair is de raadsman van oordeel dat vrijspraak moet volgen ter zake van de ten laste gelegde poging nu de zak met kleding al vlam had gevat zodat er geen sprake meer was van een poging tot brandstichting maar van een voltooid delict.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van de door de verdediging gevoerde verweren het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de verklaringen van verdachte en de aangifte van [xxx] worden afgeleid dat verdachte zich bewust is geweest van het feit dat op deze manier brand had kunnen ontstaan in de woning, derhalve kan het opzet op de brandstichting, in ieder geval in voorwaardelijke vorm, bewezen worden geacht.

In artikel 157 Sr is straf bedreigd tegen degene die opzettelijk brand sticht indien daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar, dan wel zwaar lichamelijk letsel, voor een ander te duchten is. Van een dergelijk gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake indien brand wordt gesticht in een open keuken van een woning, in het bijzijn van personen, zoals in het onderhavige geval aan de orde was. Naar het oordeel van de rechtbank is gevaar voor goederen die zich in de nabijheid van de brandhaard bevinden naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. Het levensgevaar voor anderen, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel leidt de rechtbank af uit het feit dat [xxx] en onder anderen een of meer kind(eren) van verdachte zich in de directe omgeving van verdachte, en dus in de directe omgeving van de brandhaard, bevonden.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de ten aanzien van verdachte bewezen verklaarde handelingen moeten worden aangemerkt als een poging tot brandstichting en niet als een voltooide brandstichting. Om brand te kunnen stichten moet eerst iets in brand worden gestoken dat daartoe niet bestemd is. De door verdachte verrichte uitvoeringshandelingen – het opendraaien van de gaskraan, het aansteken van het gas en het in aanraking brengen van een tas en kledingstukken met dat vuur – waren onmiskenbaar gericht op voltooiing van het delict maar zijn niet verder gekomen dan het in brand steken van voornoemde zaken

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

zij op 27 augustus 2008 in de gemeente Hardenberg, in een woning gelegen aan de [straat], ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in de keuken van voornoemde woning, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het interieur van voornoemde keuken en de woning, en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in voornoemde woning bevindende personen te duchten was, met dat opzet in de keuken van voornoemde woning de gaskraan heeft opengedraaid en het gas heeft aangestoken en vervolgens met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met meerdere kledingstukken en een tas, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

zij op 27 augustus 2008 in de gemeente Hardenberg [xxx] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een schroevendraaier, stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van die [xxx] en daarbij voornoemde [xxx] dreigend de woorden toegevoegd :"Als je niet weggaat dan maak ik je dood".

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZENVERKLAARDE

Het bewezene levert op:

1.

Brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, strafbaar gesteld bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht, en

2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij 285 van het Wetboek van Strafrecht.

STRAFBAARHEID VAN DE DADER

Omtrent de persoon van de verdachte zijn een tweetal rapportages uitgebracht, te weten:

- een psychiatrisch onderzoek d.d. 29 oktober 2008 uitgebracht door I. Hazemeijer, psychiater en K. Spaninks-Broek, psychiater i.o, en

- een psychologisch onderzoek d.d. 28 maart 2009 uitgebracht door dr. Th.A.M. Deenen, psycholoog.

De deskundige Hazemeijer voornoemd heeft geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis.

Gelet op de ontkenning van verdachte heeft de deskundige niet kunnen beantwoorden of het ten laste gelegde, mits bewezen aan haar kan worden toegerekend. In aanvulling op het onderzoek heeft de rechter-commissaris contact gehad met voornoemde deskundige Hazemeijer. Aanvullend heeft de deskundige aangegeven dat indien de lezing van de feiten zoals door de getuigen is beschreven wordt gevolgd, verdachtes handelingen het gevolg zijn van de gediagnosticeerde geestelijke aandoening en er sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

De deskundige Deenen voornoemd heeft eveneens geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een posttraumatisch stressstoornis, een depressieve stoornis en acculturatieproblematiek. Hij concludeert dat het ten laste gelegde, mits bewezen, niet aan verdachte kan worden toegerekend wegens de stoornis die bij haar aanwezig was en nog is.

De rechtbank neemt die conclusies op de in de rapporten genoemde gronden over en maakt dit oordeel van de deskundigen tot het hare.

Op grond van voormelde rapportages is de rechtbank van oordeel dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal verdachte derhalve ontslaan van alle rechtsvervolging.

OPLEGGING VAN EEN MAATREGEL

De deskundige Deenen heeft in zijn rapport overwogen de kans op recidivering groot te achten, met name omdat verdachte te weinig zelfcontrole heeft en nauwelijks inzicht in eigen functioneren.

De deskundige Hazemeijer heeft in zijn rapport overwogen dat hij niets kan opmerken over de recidivekans, omdat verdachte het tenlastegelegde onkent, maar dat er uit psychiatrisch oogpunt voldoende redenen zijn om te spreken van (ernstig dreigend) gevaar, misschien wel in de eerste plaats voor haar kinderen en hun ontwikkeling. Hazemeijer doelt daarbij op de ernst van de bij verdachte aanwezige posttraumatische stressstoornis en haar kennelijke uitlatingen over suïcide en brandstichting.

In beide rapportages wordt geadviseerd tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

De rechtbank neemt het advies van de deskundigen op de in het rapport genoemde gronden over en maakt dit oordeel van de deskundigen eveneens tot het hare. De rechtbank aldus tot het oordeel dat verdachte door de bij haar aanwezige ziekelijke stoornis een gevaar vormt voor zichzelf en voor anderen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 28 oktober 2008 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst.

De oplegging van de maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 37 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging nu de verdachte deswege niet strafbaar is.

De rechtbank gelast plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar.

Aldus gewezen door mr. L.J.C. Hangx, voorzitter, mrs. F. Koster en G.A. Versteeg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Sijnstra – Meijer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2009.