Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI2297

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
Awb 08/611
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BM4169, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen met toepassing van artikel 19, lid 1 WRO verleende bouwvergunning voor het oprichten van 19 woningen op het perceel Mensinksdijkje te Schalkhaar ongegrond verklaard. Project voorzien van een toereikende ruimtelijke onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/611

Uitspraak

in het geding tussen:

(eisers),

allen wonende te Schalkhaar,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder,

alsmede

Woonstichting De Marken,

gevestigd te Schalkhaar, derde partij.

1.Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2007 heeft verweerder aan de derde partij met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en een bouwvergunning verleend ten behoeve van het oprichten van 19 woningen op het perceel Mensinksdijkje te Schalkhaar.

Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft de bezwaren om advies voorgelegd aan de Algemene bezwarencommissie (de Commissie).

Op 29 januari 2008 heeft de Commissie advies uitgebracht aan verweerder, strekkende tot ongegrondverklaring van de bezwaren.

Bij besluit van 28 februari 2008 (het bestreden besluit) heeft verweerder conform dit advies beslist.

Eisers hebben op 7 april 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 13 januari 2009 ter zitting behandeld.

Van eisers zijn verschenen (..). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. M.C. van Neck-Kliest en mr. J.H.W. Bogers.

De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door I.E.T. de Negro-Simons, M. Bartels en

J. Daggenvoorde.

2. Overwegingen

2.1. Bij de beoordeling van het voorgelegde geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 27 mei 2005 heeft de derde partij de bouwaanvraag voor het oprichten van 19 woningen aan het Mensinkdijkje te Schalkhaar bij verweerder ingediend. Het bouwplan voorziet in de bouw van 5 woningen en 14 appartementen.

Omdat het bouwplan niet past binnen het vigerende bestemmingsplan “Schalkhaar 1975” heeft verweerder op 7 maart 2006 besloten toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

In verband hiermee heeft verweerder het bouwplan van 23 maart 2006 tot en met 19 april 2006 ter inzage gelegd en een ieder in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijzen hieromtrent kenbaar te maken. Eisers hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

Naar aanleiding van het door verweerder vastgestelde ontwerpbestemmingsplan “Kom Schalkhaar” (een algehele herziening van het bestemmingsplan ten behoeve van het gehele dorp Schalkhaar, waarin het bouwplan is gelegen) heeft de derde partij het bouwplan aangepast voor wat betreft de parkeervoorzieningen.

Op 21 augustus 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Overijssel een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Op 14 juni 2006 heeft de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen voor het gebied Mensinksdijkje 5 tot en met 31. Dit voorbereidingsbesluit is op 1 juli 2006 voor een periode van twee jaar in werking getreden.

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen en dit bij het bestreden besluit in stand gelaten.

2.2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van 5 eengezinswoningen en 14 appartementen (een appartementengebouw in een L-vorm). Op de bouwlokatie stonden 14 eensgezins-woningen van twee verdiepingen.

Aan de achterzijde van het bouwplan is een parkeerterrein geprojecteerd. Hier kunnen 17 auto’s worden geparkeerd. Aan de voorzijde worden 12 parkeerplaatsen op de rijbaan gerealiseerd.

Het bouwplan ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Schalkhaar 1975”. De gronden hebben de bestemming “eengezinshuizen in gesloten bebouwing met bijbehorende erven (EG)”.

De voor- en achtergevels van de woningen en van een deel van het appartementengebouw overschrijden de op de plankaart aangegeven bouwgrens met in totaal 2 meter. Aan de zuidzijde van het appartementengebouw (de ‘voet’ van de L) wordt de bouwgrens met zo’n 12 meter overschreden. Dit laatste deel van het bouwplan is geprojecteerd op gronden met de bestemming “tuinen”. Het bouwen van woningen op gronden met deze bestemming is niet toegestaan.

Aldus past het bouwplan niet binnen de bepalingen van het bestemmingsplan.

Dit is tussen partijen niet in geding.

Verweerder kan voor het bouwplan derhalve alleen een bouwvergunning verlenen indien daarbij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

2.2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het eerste en tweede lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor

a.het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b.geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

In artikel 33, eerste lid, van de WRO is bepaald dat een bestemmingsplan tenminste eenmaal in de tien jaar wordt herzien.

2.2.3. Gesteld noch gebleken is dat niet aan de formele vereisten voor vrijstelling is voldaan. Opgemerkt wordt daarbij dat het geldende bestemmingsplan ouder is dan tien jaar, maar dat de gemeenteraad op 14 juni 2006 een voorbereidingsbesluit heeft genomen. De gemeenteraad heeft een delegatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, en gedeputeerde staten van Overijssel hebben bij brief van 21 augustus 2007 laten weten geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van vrijstelling.

Vervolgens moet beoordeeld worden of er sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Hieronder wordt volgens het bepaalde bij artikel 19, eerste lid, van de WRO bij voorkeur verstaan een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.2.4. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de aan het besluit ten grondslag liggende onderbouwing uiteengezet heeft dat het project past in het Streekplan, het convenant Diepenveen-Deventer en de Ruimtelijke visie Schalkhaar 2004 (hierna: Ruimtelijke visie).

Verder heeft verweerder gesteld dat het bouwplan past in het ontwerpbestemmingsplan “Kom Schalkhaar”.

Deze ruimtelijke onderbouwing vinden eisers niet deugdelijk. Zij vinden dat het appartementengebouw niet past in de Ruimtelijke visie; het gebouw is te groot en te massief en daardoor niet passend in het dorpse karakter van de wijk, dat volgens de Ruimtelijke visie nu juist moet worden behouden.

Anders dan eisers is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mag stellen dat het bouwplan past binnen de kaders zoals die zijn neergelegd in de Ruimtelijke visie. In de Ruimtelijke visie is het behoud van een dorps karakter het uitgangspunt, doch daarmee is niet gezegd dat ruimtelijke ontwikkelingen, zoals thans in het onderhavige bouwplan voorzien, niet meer mogelijk zijn.

In de Ruimtelijke visie is beschreven dat de zuidrand van Schalkhaar ten oosten van het Mensinkdijkje als hard wordt ervaren door de zijgevels van de rijen woningen die aan de zuidrand eindigen. Dit beeld wordt volgens de visie als niet positief ervaren.

Met het bouwplan is getracht de aanblik van de zuidrand ruimtelijk te verzachten door een gevel te realiseren met daarin ramen en deuren.

Voor zover eisers hebben gesteld dat de hoogte van het appartementengebouw (veel) hoger wordt dan verweerder stelt omdat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat het Mensinkdijkje schuin afloopt, overweegt de rechtbank dat verweerder heeft gesteld dat de hoogte van het bouwwerk is gemeten op de plek van de voordeur. Van daaraf gemeten wordt het gebouw ongeveer 10,50-11 meter hoog.

Aldus is het appartementengebouw niet in beduidende mate hoger dan de nabijgelegen woningen van eisers aan de Laarmanskamp en de Botterije (resp. 8 en 9 meter hoog).

De rechtbank is concluderend van oordeel dat het project is voorzien van een toereikende ruimtelijke onderbouwing, mede in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat het bestemmingsplan “Kom Schalkhaar” op 15 december 2008 is vastgesteld. Naar door verweerder onweersproken is gesteld past het bouwplan in dit nieuwe bestemmingsplan, waarmee het alsnog planologisch is verankerd.

Gezien het voorgaande was verweerder bevoegd de vrijstelling te verlenen.

2.2.5.Verder heeft de rechtbank te beoordelen of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van de genoemde vrijstelling heeft kunnen besluiten.

Eisers hebben in dat kader naar voren gebracht dat zij overlast verwachten van het appartementengebouw als gevolg van inkijk in hun tuinen en woningen, stank en geluid afkomstig van het geplande parkeerterrein, en extra schaduw in verband met de hoogte van het gebouw.

De huizen van de bewoners van de percelen Mensinkdijkje (..) en (..)lliggen – vanaf de plek van het bouwplan gezien - aan de overzijde van de weg, en vanuit het appartementengebouw is inkijk in de woningen en de achtertuinen (vrijwel) niet mogelijk. Ook zal het appartementengebouw geen dan wel nauwelijks gevolgen hebben voor de bezonning van deze woningen.

Dat is echter anders voor de bewoners van Laarmanskamp (..) en (..), en in mindere mate voor de bewoners van Laarmanskamp (..). Hoewel de afstand van het bouwplan tot de meest nabijgelegen woning aan de Laarmanskamp in de nieuwe situatie nog steeds circa 20 meter bedraagt, is het een feit dat door het bouwplan de bebouwing de woningen aan de Laarmanskamp dichter nadert dan voorheen het geval was.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat wel kan worden gezegd dat het bouwplan een negatief effect heeft op de woonsituatie van deze bewoners. De rechtbank is evenwel ook van oordeel dat dit effect niet zodanig is dat verweerder in verband daarmee niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De rechtbank overweegt daartoe dat alle ramen aan de ‘voet’ van de L worden voorzien van ondoorzichtig glas, waardoor inkijk in tuinen en slaapkamers van eisers onmogelijk is.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat zij last zullen hebben van inkijk vanaf de balkons en vanuit de aan de balkonzijde gelegen woonruimtes, alsmede van de permanente verlichting, overweegt de rechtbank dat deze gevel vergeleken met de voorheen bestaande woningen slechts twee meter meer naar achter komt. De afstand tussen de woningen van eisers en deze gevel bedraagt in de nieuwe situatie nog steeds ruim 30 meter. Daar komt bij dat aan deze zijde van het appartementengebouw de keukens en de slaapkamers zijn gepland.

Voor zover eisers stellen dat het parkeerterrein aan de achterzijde overlast zal geven in de vorm van stank en geluid overweegt de rechtbank dat verweerder gemotiveerd heeft gesteld dat hier slechts stapvoets kan worden gereden en dat een intensief gebruik niet is te verwachten, aangezien alleen de bewoners van de appartementen hier zullen komen. De door eisers verwachte langdurige manoeuvres zullen zich niet voordoen nu het plan voorziet in extra ruimte om te keren. De geparkeerde auto’s zijn vanuit de achtergelegen woningen niet zichtbaar vanwege de haag van 2 meter hoog. De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd dat zich als gevolg van het voorgaande geen onevenredige hinder als gevolg van geluid en stank zal voordoen.

De bewoners van Mensinkdijkje (..) en (..) zullen in het geheel niets merken van dit parkeerterrein.

Bewoners van de appartementen kunnen hun auto’s ook parkeren aan het Mensinkdijkje. Daar zijn 12 parkeerplaatsen (in de vorm van langsparkeren) geprojecteerd. Eisers verwachten grote verkeersproblemen rondom de uitrit van het parkeerterrein en aan de zijde van de weg waar geen voetpad is. De rechtbank overweegt dat het in de huidige situatie ook al mogelijk is om aan die zijde van de weg te parkeren. Verweerder heeft uiteengezet dat aan beide zijden van de uitrit over enige meters niet mag worden geparkeerd. Hierdoor verbetert het zicht. Daar komt bij dat op het Mensinkdijkje een maximumsnelheid geldt van 30 km per uur, zodat verweerder op goede gronden heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet zal leiden tot een onaanvaardbare verkeerssituatie ter plaatse.

De rechtbank stelt vast dat eisers de door verweerder gehanteerde parkeernorm niet hebben bestreden.

Het voorgaande betekent dat verweerder in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen op grond van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO, zodat het bouwplan niet meer in strijd is met het bestemmingsplan “Schalkhaar 1975”.

Tot slot hebben eisers aangevoerd dat het welstandsadvies niet op correcte wijze tot stand gekomen is en innerlijk tegenstrijdig is.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mogen burgemeester en wethouders een advies van de welstandscommissie zonder nadere toelichting overnemen, tenzij een der partijen een tegenadvies van een deskundige inbrengt. Dit is anders als aan de inhoud dan wel de wijze van tot stand komen dusdanige gebreken kleven dat burgemeester en wethouders dit advies niet of niet zonder meer aan hun besluit ten grondslag konden leggen.

Eisers hebben geen advies van een deskundige ingebracht ter onderbouwing van hun standpunt. Het door één der eisers uitgebrachte negatieve welstandsadvies kan niet als zodanig worden aangemerkt nu die eiser geen deskundige is op het gebied van welstand. De rechtbank is van oordeel dat het welstandsadvies voldoende is gemotiveerd. De welstandscommissie heeft getoetst aan de in de Welstandsnota gemeente Deventer van 2004 neergelegde normen en kaders. Gesteld noch gebleken is dat de welstandscommissie daarbij andere normen heeft gehanteerd dan in deze nota zijn opgenomen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het positieve welstandsadvies aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

2.3. De rechtbank is al met al van oordeel dat zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet voordoen. Verweerder heeft terecht bouw-vergunning verleend voor het bouwplan en die vergunning is bij het bestreden besluit terecht gehandhaafd.

Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzitter, mr. W.J.B. Cornelissen en mr. G.P. Loman, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier, op

Afschrift verzonden op: