Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI2007

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
23-04-2009
Zaaknummer
443360 VV 09-44
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Kort Geding. Uitleg van een tussen partijen ingevolge hun beëindigingsovereenkomst geldend relatiebeding. Aanknoping bij de inhoud van het relatiebeding zoals eerder opgenomen in de arbeidsovereenkomst. Handhaving op straffe van dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2009, 86
AR-Updates.nl 2009-0351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Lelystad

zaaknr.: 443360 VV 09-44

datum : 15 april 2009

Vonnis in het kort geding van:

de besloten vennootschap

[EISENDE PARTIJ],

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

eiseres, hierna [eisende partij] te noemen,

gemachtigde mr. P. Boezeman, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Arnhem,

tegen

[GEDAAGDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

gedaagde, hierna [gedaagde partij] te noemen,

procederend in persoon.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 23 maart 2009 houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 april 2009.

Verschenen zijn:

-[eisende partij], vertegenwoordigd door [G] en [V], bijgestaan door mr. Boezeman;

-[gedaagde partij] en haar echtgenoot.

Het geschil

[eisende partij] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde partij] te veroordelen tot nakoming van het tussen haar en [eisende partij] overeengekomen relatiebeding, inhoudende dat het haar wordt verboden gedurende de resterende looptijd van het relatiebeding werkzaamheden te verrichten voor de Gemeente Kampen, onder verbeurte van een in goede justitie te bepalen dwangsom in geval van (verdere) overtreding;

II. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling –bij wijze van voorschot- van een bedrag van € 11.000,00, althans een in goede justitie te bepalen ander bedrag, wegens overtreding van het vigerende relatiebeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

III. [gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van dit geding;

[gedaagde partij] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eisende partij].

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist –mede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de overgelegde producties- het volgende vast:

1.1

[gedaagde partij] is per 1 augustus 2006 voor onbepaalde tijd bij [eisende partij] in dienst getreden als Senior Financieel Consulent. In artikel 2.5 van het betreffende contract staat onder meer:

“Bij beëindiging van het contract is een concurrentiebeding van toepassing, zoals genoemd in de bij dit contract behorende Algemene Arbeidsvoorwaarden [eisende partij].. Bij overtreding van dit beding geldt een boete zoals genoemd in de bij deze overeenkomst behorende Arbeidsvoorwaarden…….” In artikel 7 is bepaald dat de Algemene Arbeidsvoorwaarden Medewerkers [eisende partij] (hierna verder te noemen: de algemene voorwaarden) van toepassing zijn.

1.2

In artikel 23 van voormelde algemene voorwaarden staat, voor zover van belang, het volgende:

“Concurrentiebeding en nevenactiviteiten

23.1

Het is de medewerker niet toegestaan, zonder schriftelijke toestemming van [eisende partij], gedurende de arbeidsovereenkomst en na het einde hiervan, gedurend een tijdvak van 12 maanden, in enigerlei vorm een zaak gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van de werkgever te vestigen, drijven mede drijven of doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect, als ook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak enig belang te hebben, noch daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn,al dan niet in een dienstbetrekking, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, noch daarin aandeel te hebben.

23.2

Het is de medewerker niet toegestaan na afloop van de arbeidsovereenkomst gedurende een tijdvak van 12 maanden, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eisende partij], werkzaamheden te verrichten voor klanten van [eisende partij], waar hij/zij in deze periode voor [eisende partij] gedetacheerd is geweest of in het kader van de functie van betrokken medewerker zaken mee heeft gedaan.

……”

1.3

Per 1 januari 2007 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. [gedaagde partij] is daarbij aangesteld in de functie van Business Unit Manager Middelen.

Daarvan is een (door partijen overigens niet ondertekend) contract opgemaakt. In dat contract staat in artikel 2.5 onder meer:

“Bij beëindiging van het contract is een concurrentiebeding van toepassing, zoals genoemd in de bij dit contract behorende Algemene Arbeidsvoorwaarden [eisende partij]. Dit houdt in dat gedurende één jaar na beëindiging van het contract geen werkzaamheden voor klanten respectievelijk concurrenten mogen worden verricht, zonder schriftelijke toestemming van [eisende partij]. …”. In artikel 8 is bepaald dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn.

1.4

Partijen zijn op enig moment gebrouilleerd. Zij hebben de tussen hen bestaande geschillen vervolgens beslecht middels een op 29 april 2008 gesloten vaststellingsovereenkomst. Ingevolge die overeenkomst is per 1 juli 2008 de arbeidsovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden beëindigd. In die overeenkomst staat voorts onder meer het volgende:

“Overeengekomen voorwaarden [eisende partij] en mevrouw [gedaagde partij]

(……)

. Concurrentiebeding is niet van toepassing.

.Relatiebeding is wel van toepassing, voor de duur van 1 jaar, voor de navolgende klanten:

- Gemeente Kampen

- Gemeente Heerhugowaard

- Gemeente Dronten

- Gemeente Raalte

……”

1.5

Bij schrijven van 26 november 2008 heeft [gedaagde partij] onder meer het volgende aan [eisende partij] bericht:

“……

Vorige week ben ik door de heer [D] van de gemeente Kampen benaderd voor een eventuele tijdelijke opdracht ..

Ik heb de heer [D] gewezen op mijn relatiebeding met [eisende partij] voor onder meer de gemeente Kampen voor de duur van 1 jaar (tot 1 juli 2009).

……

Hierbij verzoek ik u dan ook om mij schriftelijk toestemming te verlenen om voor de gemeente Kampen ……tijdelijk werkzaamheden te verrichten.

Wilt u mij zo spoedig mogelijk, liefst per omgaande, informeren of u bereid bent om mij deze schriftelijke toestemming te verlenen ?

……”

Partijen hebben daarna met elkaar onderhandeld. De verzochte schriftelijke toestemming is uiteindelijk niet verleend door [eisende partij].

1.6

Begin 2009 is [gedaagde partij] aangevangen met het verrichten van werkzaamheden voor de gemeente Kampen. Zij werkt nog steeds voor de gemeente Kampen.

De beoordeling

2.1

Aan haar vordering is door [eisende partij] ten grondslag gelegd dat [gedaagde partij] het in artikel 23.2 van de algemene voorwaarden neergelegde relatiebeding schendt door te werken voor de gemeente Kampen, zijnde een klant van [eisende partij]. Aan dit beding is [gedaagde partij] volgens [eisende partij] gehouden ingevolge de tussen partijen tot stand gekomen arbeidsovereenkomst, waarin verwezen wordt naar de algemene voorwaarden en het daarin (in artikel 23.2) opgenomen relatiebeding. Ook is [gedaagde partij] daaraan gebonden op grond van de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst. Daarin is [gedaagde partij] weliswaar ontheven van het concurrentiebeding, maar is het relatiebeding juist en met name voor de gemeente Kampen bevestigd. Door te werken voor die gemeente heeft [gedaagde partij], naar [eisende partij] heeft betoogd, de overeengekomen boetes verbeurd en verbeurt zij die nog steeds. [eisende partij] heeft er een spoedeisend belang bij dat [gedaagde partij] haar werkzaamheden voor de gemeente Kampen staakt. [eisende partij] detacheert onder meer daar personeel en wenst dan ook haar bedrijfsdebiet te beschermen, aldus [eisende partij].

2.2

[gedaagde partij] heeft als verweer aangevoerd, kort samengevat, dat de algemene voorwaarden geen relatiebeding bevatten; in het bijzonder niet artikel 23.2. Dat betreft volgens haar een concurrentiebeding en niet een relatiebeding. Van dat concurrentiebeding is [gedaagde partij] bovendien juist ontheven bij de vaststellingsovereenkomst.

Voorts is het volgens [gedaagde partij] ingevolge dat concurrentiebeding voor een medewerker van [eisende partij] na afloop van de betreffende arbeidsovereenkomst verboden om werkzaamheden te verrichten voor klanten van [eisende partij] waar die medewerker gedurende de arbeidsovereenkomst gedetacheerd is geweest of zaken mee heeft gedaan. Nu partijen per 1 januari 2007 een nieuwe arbeidsovereenkomst zijn aangegaan en [gedaagde partij] in haar nieuwe functie van Business Unit Manager Middelen na 1 januari 2007 geen werkzaamheden meer voor klanten van [eisende partij] heeft verricht, kan [eisende partij] zich volgens [gedaagde partij] ook daarom niet beroepen op artikel 23.2 van de algemene voorwaarden.

Volgens [gedaagde partij] is er pas bij de vaststellingsovereenkomst een relatiebeding tussen partijen overeengekomen. Nu dit beding echter nergens nader omschreven wordt in die overeenkomst en een relatiebeding in het algemeen een medewerker slechts verbiedt om na afloop van het arbeidscontract gedurende een bepaalde tijd klanten van de ex-werkgever te benaderen c.q. daarmee contact te zoeken, heeft [gedaagde partij], naar zij heeft betoogd, dit beding slechts opgevat als een verbod om klanten van [eisende partij] te benaderen c.q. met die klanten in contact te treden, en niet als een verbod om werkzaamheden voor klanten van [eisende partij] te verrichten. [gedaagde partij] is dan ook van mening dat zij het relatiebeding niet heeft geschonden. Het is volgens haar namelijk de gemeente Kampen zelf geweest die [gedaagde partij] heeft benaderd en niet andersom.

Volgens [gedaagde partij] is de gemeente Kampen voorts geen actieve relatie van [eisende partij]. De gemeente Kampen heeft er ook bewust voor gekozen om geen gebruik te maken van de diensten van [eisende partij] of enig ander detacheringsbureau. [eisende partij] lijdt volgens [gedaagde partij] dan ook op geen enkel wijze schade. Evenmin heeft [eisende partij] volgens [gedaagde partij] een spoedeisend belang bij haar vorderingen.

2.3

Dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij haar vordering sub I als vermeld in het petitum van de dagvaarding is naar het oordeel van de kantonrechter evident. Tussen partijen is immers in confesso dat de gemeente Kampen een klant van [eisende partij] is en dat [eisende partij] tracht bij onder meer die gemeente personeel te detacheren. Zij heeft er ter bescherming van haar bedrijfsdebiet dan ook een spoedeisend financieel belang bij dat het relatiebeding, zoals dat volgens haar moet worden opgevat, wordt nageleefd. Dat [eisende partij], naar [gedaagde partij] heeft betoogd, sinds mei 2007 geen personeel meer heeft gedetacheerd bij de gemeente Kampen en dat deze gemeente volgens [gedaagde partij] er bewust voor gekozen heeft geen personeel van [eisende partij] of van andere detacheringsbureaus in te schakelen voor de werkzaamheden, die [gedaagde partij] thans voor de gemeente Kampen verricht, doet hier niets aan af.

Feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [eisende partij] ook een spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de volgens [eisende partij] verbeurde boete zijn naar het oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende gebleken. Die vordering komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

2.4

Een van de voornaamste geschilpunten tussen partijen betreft de vraag wat de strekking is van het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen relatiebeding. Volgens [eisende partij] behelst dit beding een verbod voor [gedaagde partij] om werkzaamheden te verrichten voor relaties oftewel klanten van [eisende partij], terwijl [gedaagde partij] dit beding opvat als enkel een verbod om op eigen initiatief klanten van [eisende partij] te benaderen c.q. met die klanten contact te zoeken.

Volgens vaste jurisprudentie kan de beantwoording van de vraag wat is overeengekomen niet worden beantwoord enkel op grond van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Steeds komt het aan op de zin die partijen aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Vaststaat dat in de vaststellingsovereenkomst niet is omschreven wat het relatiebeding inhoudt, behoudens dan dat het ziet op de vier daarbij genoemde klanten en dat het geldt gedurende één jaar. Vaststaat voorts evenwel dat de vaststellingsovereenkomst de voorwaarden regelt waaronder partijen de beëindiging van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst hebben willen doen plaatsvinden. Die vaststellingsovereenkomst kan dan ook niet los worden gezien van de tussen partijen per 1 januari 2007 tot stand gekomen arbeidsovereenkomst. Op die arbeidsovereenkomst zijn van toepassing -daarover zijn partijen, naar zij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling expliciet hebben bevestigd, het eens- de algemene voorwaarden, in het bijzonder is van toepassing het bepaalde in artikel 23. In dat artikel wordt een onderscheid gemaakt tussen een in artikel 23.1 opgenomen, algemeen verbod tot het verrichten van met de onderneming van [eisende partij] concurrerende werkzaamheden en een in artikel 23.2, neergelegd specifiek verbod tot het verrichten van werkzaamheden voor klanten van [eisende partij]. Tegen deze achtergrond bezien, en nu de vaststellingsovereenkomst expliciet bepaalt “Concurrentiebeding is niet van toepassing” en “Relatiebeding is wel van toepassing…”, en onder relaties klanten worden verstaan, acht de kantonrechter het door [eisende partij] ingenomen standpunt dat partijen met het opnemen van het relatiebeding in de vaststellingsovereenkomst de bedoeling hebben gehad te voorkomen dat [gedaagde partij] gedurende één jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2008 werkzaamheden zou verrichten voor de vier daarbij genoemde klanten, voorshands alleszins aannemelijk. Dit geldt voorshands te meer nu [gedaagde partij] ter adstructie van haar interpretatie van het relatiebeding dan wel stelt dat een relatiebeding in het algemeen een werknemer vrijlaat in het verrichten van werkzaamheden voor klanten van de ex-werkgever, zolang het initiatief daartoe maar niet uitgaat van de betreffende werknemer zelf, maar die stelling wordt voorshands niet gevolgd. Naar de kantonrechter ambtshalve bekend is, komt het regelmatig voor dat onder de noemer “relatiebeding” in de arbeidsovereenkomst werknemers na afloop van de arbeidsovereenkomst wordt verboden werkzaam te zijn voor klanten van de ex-werkgever.

Een bijkomend argument waarom naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen relatiebeding geïnterpreteerd dient te worden als een verbod voor [gedaagde partij] om gedurende één jaar na 1 juli 2008 voor onder meer de gemeente Kampen werkzaam te zijn, vormt de omstandigheid dat óók [gedaagde partij] zelf daar vóór de mondelinge behandeling steeds vanuit is gegaan. Dit blijkt voorshands genoegzaam uit de door [eisende partij] als productie 4 overgelegde, tussen partijen gevoerde correspondentie, waaruit naar voren komt dat [gedaagde partij] toen nog in de veronderstelling verkeerde dat zij, om werkzaam te kunnen zijn voor de gemeente Kampen, vanwege het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen relatiebeding de schriftelijke toestemming van [eisende partij] nodig had.

Kortom, voorshands gaat de kantonrechter ervan uit dat partijen met de bepaling in de vaststellingsovereenkomst “.Relatiebeding is wel van toepassing, voor de duur van 1 jaar, voor de navolgende klanten…” de bedoeling hebben gehad dat [gedaagde partij], behoudens toestemming van [eisende partij], gedurende één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2008 geen werkzaamheden zou mogen verrichten voor de gemeente Kampen.

2.5

Gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 2.3 en 2.4 is overwogen, en nu voorshands vaststaat dat [gedaagde partij] werkzaam is voor de gemeente Kampen en zij daarmee dus het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen relatiebeding schendt, zal de vordering sub I in het petitum van de dagvaarding in voege als na te melden worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt bepaald op een bedrag van € 450,00 per dag of een gedeelte van een dag dat zij niet aan de veroordeling voldoet tot een maximum van € 30.000,00.

2.6

[gedaagde partij] wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- verbiedt [gedaagde partij] om direct na betekening van dit vonnis gedurende de resterende looptijd van het relatiebeding, te weten tot 1 juli 2009, werkzaamheden te verrichten voor de Gemeente Kampen, op straffe van een te verbeuren dwangsom van € 450,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij zich hier niet aan houdt, zulks tot een maximum van € 30.000,00;

- veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisende partij] vastgesteld op:

• € 400,00 voor salaris gemachtigde

• € 72,25 voor explootkosten

• € 208,00 voor griffierecht,

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 15 april 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.