Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI1392

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
Awb 08/2088
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering ontheffing inburgeringsplicht; niet gebleken dat inburgeringsexamen niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing kan worden behaald. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Encyclopedie Sociale Zekerheid 2009/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/2088

Uitspraak

in het geding tussen:

(eiser),

wonende te (woonplaats),

gemachtigde mr. K.N. Holtrop, advocaat te Emmeloord,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad, verweerder.

1.Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2007 heeft verweerder eisers aanvraag om ontheffing van de inburgeringsplicht afgewezen en aangegeven dat eiser op 26 juni 2012 het inburgeringsexamen moet hebben afgelegd.

Tegen dit besluit is op 9 oktober 2007 bezwaar gemaakt.

Het besluit op bezwaar van 20 december 2007 is vernietigd bij uitspraak van de rechtbank Zwolle van 30 september 2008 in het geding met nummer AWB 08/135.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit op bezwaar van 13 november 2008 het bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen is op 21 november 2008 beroep ingesteld.

Op 22 december 2008 is een aanvullend beroepschrift ingezonden.

Op 22 januari 2009 is een verweerschrift ingekomen.

Op 26 februari 2009 is een schrijven van de huisarts van eiser ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 maart 2009.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. K.A.M. Ramaekers.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door D.F. de Fretes.

Ter zitting heeft eiser, met instemming van de vertegenwoordiger van verweerder, stukken overgelegd betreffende zijn verblijfsstatus.

2.Overwegingen

Tussen partijen is in geschil of eiser had moeten worden ontheven van de inburgeringsplicht.

Namens eiser is hieromtrent in beroep het volgende aangevoerd.

Het eerste advies van Argonaut, dat ten grondslag ligt aan het primaire besluit van 12 september 2007, is niet conform de werkwijze van Argonaut tot stand gekomen. Verder is in bezwaar ten onrechte afgezien van een hoorzitting, waardoor het bestreden besluit van 13 november 2008 op onzorgvuldige wijze is genomen. Eiser kan zich voorts niet vinden in de adviezen van Argonaut. Eiser meent dat het op basis van zijn psychische belastbaarheid voor hem niet mogelijk is het inburgeringsexamen binnen vijf jaar te halen en legt ter onderbouwing van dit standpunt een aantal brieven over vanuit de behandelende sector.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vaststaat dat eiser niet is uitgenodigd voor een hoorzitting. In het onderhavige geval had verweerder alleen met toepassing van het restrictief uit te leggen artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van horen kunnen afzien. Naar het oordeel van de rechtbank is geen van de in artikel 7:3 van de Awb genoemde situaties aan de orde. Verweerder heeft derhalve niet kunnen afzien van het horen van eiser, reden waarom het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.

Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting voor een zaak van gemiddeld gewicht).

De rechtbank ziet vervolgens aanleiding om op grond van proceseconomische redenen over te gaan tot een beoordeling van het bestreden besluit ten gronde. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat alle voor zodanige beoordeling noodzakelijke gegevens voorhanden zijn en ook uit het namens eiser ingediende beroepschrift - impliciet - kan worden afgeleid dat eiser ter zake een oordeel van de rechtbank wenst. Eiser heeft voorts voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt uiteen te zetten en nadere stukken in te dienen

De van belang zijnde wet- en regelgeving luidt als volgt.

Artikel 3 van de Wet Inburgering (WI) bepaalt dat inburgeringsplichtig is de vreemdeling met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, die (a) anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft.

Ingevolge artikel 6 van de WI ontheft het college de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te halen.

Ingevolge artikel 2.8 van het Besluit van 5 december 2006 tot uitvoering en vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet inburgering (Besluit inburgering) legt de inburgeringsplichtige bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, een advies over van een door het college aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Ingevolge lid 4 van genoemd artikel 2.8. kan de ontheffing worden verleend indien redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn dat het inburgeringexamen niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing kan worden behaald.

In de toelichting bij voornoemd artikel (Staatsblad 2006, 645, pag. 102) wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“uit artikel 6, eerste lid, van de wet volgt dat, om in aanmerking te komen voor een ontheffing, de aard en de ernst van de belemmering zodanig moeten zijn, dat het afleggen van een inburgeringsexamen of een gedeelte daarvan, feitelijk en blijvend onmogelijk is. In dat kader wordt er van uitgegaan dat indien te verwachten is dat de inburgeringsplichtige wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap niet binnen vijf jaar het examen kan behalen, in ieder geval reden tot ontheffing bestaat

De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van belang als inburgeringsplichtige in de zin van artikel 3 van de WI is aan te merken.

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder eiser terecht niet heeft ontheven van de inburgeringsplicht omdat niet is niet gebleken dat ten aanzien van eiser redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap zodanig zijn, dat het inburgeringexamen niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing kan worden behaald. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op het volgende.

Na eisers verzoek van 28 juni 2007 tot ontheffing van de inburgeringsplicht is op 20 augustus 2007 rapport uitgebracht door C. Kuijpers, arts in dienst van Argonaut. In het rapport is aangegeven dat uit het medisch dossier en uit observatie geen aanwijzingen naar voren komen voor een cognitieve achteruitgang. De klachten kunnen worden gerelateerd aan stress door onzekerheid omtrent de verblijfsstatus. Hierdoor bestaat op medische gronden geen aanleiding om te veronderstellen dat cliënt niet in staat is om binnen vijf jaar na heden te slagen voor het inburgeringsexamen. Wel worden aanpassingen van de examenomstandigheden noodzakelijk geacht, te weten een onderbroken examenafname.

In bezwaar is op 7 mei 2008 advies uitgebracht door Go advies. Na huisbezoek en dossierstudie concludeert V.R. Steenmeijer, arts, dat betrokkene minder ernstige problemen kent dan hij tijdens het huisbezoek aangeeft óf de ingezette therapie als onvoldoende is te bestempelen. Het kan ook zo zijn dat bij opklaring van alle door betrokkene aangegeven stressfactoren, de door betrokkene ervaren klachten en beperkingen evenredig snel en volledig zullen verdwijnen. In alle gevallen is ontheffing van het inburgeringsexamen niet geïndiceerd.

Geconcludeerd wordt dat de heer (eiser) op medische gronden in staat wordt geacht binnen een termijn van 5 jaar het inburgeringsexamen te halen zonder aanpassing van de examenomstandigheden.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is geweest van een voldoende diepgaand onderzoek en is van oordeel dat de uit dat onderzoek getrokken conclusies op overtuigende wijze zijn onderbouwd. De in dit kader namens eiser naar voren gebrachte bezwaren tegen het eerste advies, dat niet conform de werkwijze van Argonaut tot stand zou zijn gekomen, treffen geen doel omdat de advisering, zoals die uiteindelijk ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit op bezwaar, naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

De van de zijde van eiser ingebrachte (medische) gegevens werpen naar het oordeel van de rechtbank voorts geen zodanig ander licht op de belastbaarheid van eiser, dat gesteld moet worden dat er sprake is van een psychische of lichamelijke belemmering waardoor eiser moet worden geacht blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te halen.

Daarbij tekent de rechtbank aan dat de mededelingen van de huisarts van 3 juli 2008 en 26 februari 2009 betrekking hebben op de medische situatie van eiser op dat moment. Verder leidt de rechtbank ook uit de brief d.d. 25 juli 2008, ondertekend door G. v.d. Brink en J.J.F. Verkade, psychiater, niet af dat redelijkerwijs verwacht mag worden dat het inburgeringexamen feitelijk en blijvend niet kan worden afgelegd c.q. niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing kan worden behaald door eiser.

De rechtbank ziet, mede gelet op bovenstaande, geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van een eventueel te laten plaatsvinden nieuw deskundigenonderzoek.

De rechtbank komt tot de conclusie dat redelijkerwijs uitgesloten is dat heroverweging van het bestreden besluit tot een andere uitkomst zal leiden zodat er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het besluit van 13 november 2008 in stand te laten onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

3.Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 13 november 2008;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 november 2008 in stand blijven;

-veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, begroot op € 644,-- , te betalen door de gemeente Lelystad aan eiser;

-gelast dat de gemeente Lelystad aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 39,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D. Hardonk als griffier, op

Afschrift verzonden op: