Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI1369

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
Awb 08/689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen stopzetting huur- en/of zorgtoeslag per 1 augustus 2006 vanwege einde rechtmatig verblijf van partner, ongegrond verklaard. Ten aanzien van de zorgtoeslag heeft de rechtbank overwogen dat ook deze indirect ten goede komt aan de niet legaal verblijvende partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/689

Uitspraak

in het geding tussen:

A te B,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua

en

Belastingdienst/Toeslagen,

gevestigd te Utrecht, verweerder.

1.Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2007 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de huur- en/of zorgtoeslag met ingang van 1 augustus 2006 wordt stopgezet. De toeslagen die eiseres vanaf die datum heeft ontvangen moeten worden terugbetaald.

Namens eiseres is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 maart 2008 (het bestreden besluit) is dit bezwaar ongegrond verklaard en heeft verweerder de huur- en/of zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2006 stopgezet.

Hiertegen is namens eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 13 januari 2009 ter zitting behandeld.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. Flantua voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F.L.M. Schütz, J. van Ravel en R.W. Kauw.

2. Overwegingen

2.1. Tussen partijen is in geding of verweerder terecht de huur- en/of zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2006 heeft stopgezet.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is gehuwd met (…). Zij hebben samen kinderen.

Eiseres en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Haar echtgenoot is sinds 2000 in Nederland. Hij heeft geen verblijfsvergunning omdat artikel 1F van het Vluchtelingen-verdrag op hem van toepassing is verklaard. Tot 1 augustus 2006 verbleef hij hierdoor rechtmatig in Nederland.

Op 24 oktober 2005 heeft eiseres huur- en/of zorgtoeslag aangevraagd voor het jaar 2006. Deze is toegekend.

Bij het primaire besluit van 14 juli 2007 heeft verweerder besloten de huur- en/of zorgtoeslag stop te zetten omdat de partner van eiseres geen verblijfstatus had die recht geeft op een toeslag. In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

2.2. Zijdens eiseres is aangevoerd dat het niet zo kan zijn dat zij haar echtgenoot op straat zet om huur- en zorgtoeslag te ontvangen. Daar komt bij dat haar echtgenoot een slechte gezondheidstoestand heeft, met hartklachten, hoge bloeddruk en prostaatkanker.

Er is sprake van strijd met het bepaalde in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu het ontnemen van een toeslag een normaal gezinsleven lastiger maakt en haar in haar rechten op dit punt beperkt.

Verder is sprake van strijd met de artikelen 3 en 27 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Een kind heeft recht op een toereikende levensstandaard en die komt nu in het geding. De verwijzing naar artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 is niet duidelijk, nu eiseres en haar kinderen Nederlander zijn en niets te maken hebben met deze wet.

Verder is volgens eiseres sprake van schending van het bepaalde in artikel 11 van het Internationale verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de VN van 19 december 1966 waarin is bepaald dat een gezin recht heeft op een adequate levensstandaard.

De opmerking van verweerder over de Vreemdelingenwet 2000 en ongewenstverklaring is niet begrijpelijk, nu van ongewenstverklaring geen sprake is. Tot slot doet eiseres een beroep op de artikelen 13 en 16 van het Europees Sociaal Handvest (ESH).

Door de stopzetting van de huur- en zorgtoeslag al op 1 januari 2006 te laten ingaan is sprake van reformatio in peius. Los daarvan bestrijdt eiseres dat code 98 al met ingang van 1 januari 2006 aan de orde is.

2.3. De rechtbank overweegt als volgt.

2.3.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het primaire besluit heeft besloten tot stopzetting van de huur- en zorgtoeslag per 1 augustus 2006, in het bestreden besluit heeft verweerder geoordeeld dat de stopzetting met terugwerkende kracht op 1 januari 2006 moet ingaan, en in het verweerschrift wordt melding gemaakt van 1 juli 2006.

Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder verklaard dat de in het bestreden besluit en verweerschrift opgenomen data niet juist zijn en dat is bedoeld de huur- en zorgtoeslag stop te zetten per 1 augustus 2006.

De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit voor zover daarbij de huur- en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2006 is stopgezet niet in stand kan blijven en in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

2.3.2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de echtgenoot van eiseres tot 1 augustus 2006 rechtmatig in Nederland verbleef.

Partijen verschillen wel van opvatting over de vraag welke consequenties deze vaststelling moet hebben in verband met de door eiseres geclaimde aanspraken op huur- en zorgtoeslag, gelet op de door haar aangehaalde internationale bepalingen.

In artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat een vreemdeling, die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland geen aanspraak kan maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. Deze bepaling is in deze wet opgenomen als gevolg van het in de zogenaamde Koppelingswet neergelegde beginsel dat beoogt te voorkomen dat illegale vreemdelingen door de ontvangst van uitkeringen en verstrekkingen in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf of het verwerven van een schijn van volkomen legaliteit.

Artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt in dat verband dat, ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, de belanghebbende geen aanspraak heeft op een tegemoetkoming.

In de Memorie van Toelichting bij de Awir is aangegeven dat een tegemoetkoming in de zin van deze wet moet worden aangemerkt als een uitkering in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. Met het bepaalde in artikel 9 is beoogd te voorkomen dat een vreemdeling die niet rechtmatig verblijf houdt indirect kan meeprofiteren van tegemoetkomingen aan de belanghebbende.

Ten aanzien van de tegemoetkoming in de vorm van huurtoeslag overweegt de rechtbank dat de sedert 1 augustus 2006 niet legaal in Nederland verblijvende partner van eiseres direct meeprofiteert van de huurtoeslag die aan haar is toegekend.

Ten aanzien van de zorgtoeslag overweegt de rechtbank – anders dan de rechtbank ’s-Hertogenbosch in haar uitspraak van 19 september 2008, zie LJN BF4168 – dat ook deze indirect ten goede komt aan de niet legaal verblijvende partner.

Ter zitting is van de zijde van verweerder onweersproken gesteld dat de zorgtoeslag hoger is wanneer de belanghebbende een partner heeft, dan wanneer dat niet het geval is. Zulks impliceert dat de zorgtoeslag leidt tot een vergroting van het gezinsinkomen, waar de niet legale partner ook van meeprofiteert.

Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank dat dit artikel ziet op het recht op eerbiediging van het privé-leven, het familie- en gezinsleven, de woning en correspondentie. Het niet toekennen van huur- en zorgtoeslag leidt er niet toe dat er op dit recht een inbreuk wordt gemaakt.

Met betrekking tot het beroep op de andere verdragsbepalingen stelt de rechtbank vast dat ingevolge vaste jurisprudentie van zowel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als de Centrale Raad van Beroep genoemde verdragen geen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn c.q. niet kunnen worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.

Uit genoemde bepalingen vloeit dan ook niet voort dat eiseres alsnog met succes aanspraak kan maken op huur- en zorgtoeslag.

Gezien voorgaande overwegingen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat zowel de huur- als de zorgtoeslag, zij het met ingang van 1 augustus 2006, op nihil moeten worden gesteld.

Verweerder heeft de onverschuldigd betaalde toeslagen van eiseres teruggevorderd. Eiseres heeft hangende bezwaar aangevoerd dat artikel 21 van de Awir verweerder niet verplicht om in alle gevallen terug te vorderen.

Ter zitting is van de zijde van verweerder verklaard dat men tot op heden nog nooit heeft afgezien van herziening en terugvordering. Deze handelswijze is neergelegd in een intern handboek. Verweerder is voornemens het gestelde in dit handboek bekend te maken en aldus vast te stellen als beleid.

Feiten en omstandigheden, die meebrengen dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot herziening en terugvordering, zijn de rechtbank niet gebleken.

2.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder het bezwaar terecht ongegrond verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Awir voor zover daarbij de huur- en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2006 is stopgezet. De rechtbank wijst erop dat, als gevolg van deze uitspraak verweerder niet opnieuw hoeft te voorzien in een beslissing op bezwaar.

2.5. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

3.Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de huur- en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2006 is stopgezet;

-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

-bepaalt dat de Staat der Nederlanden het betaalde griffierecht van € 145,-- aan eiseres vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-- ter zake van verleende rechtsbijstand, te voldoen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, voorzitter, mr. W.J.B. Cornelissen, en mr. A. Oosterveld, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier, op

Afschrift verzonden op: