Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI1316

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
Awb 07/1975
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit op bezwaar opgelegde bijkomende disciplinaire straf gaat omvang van het geding in bezwaar te buiten, bij bezwaar tegen ordemaatregel. Bijkomende disciplinaire straf wordt aangemerkt als een van het besluit op bezwaar te onderscheiden besluit in eerste aanleg, waartegen op grond van het bepaalde in artikel 7:1 van de Awb bezwaar kan worden gemaakt. Rechtbank onbevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/1975

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser] te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. W.J. Dammingh, juridisch adviseur te Woerden,

en

de korpsbeheerder van de Politieregio (..),

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2006, aan eiser uitgereikt op 16 november 2006, heeft verweerder aan eiser, bij wijze van disciplinaire straf, voorwaardelijk ontslag verleend, met een proeftijd van drie jaren na bekendmaking van dit besluit. Bij brief van 22 december 2006 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 augustus 2007, aan eiser uitgereikt op 8 oktober 2007, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 12 november 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft op 12 december 2007 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 21 februari 2008 behandeld ter zitting. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. Maas.

De rechtbank heeft het onderzoek op 11 maart 2008 heropend, teneinde de uitkomst van het door eiser ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, van 28 september 2006, af te wachten. Bij brieven van 28 augustus 2008 en van 29 augustus 2008 hebben eiser, respectievelijk verweerder, een kopie van het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 28 juli 2008 (parketnummer 24-[....]-06) doen toekomen aan de rechtbank. Partijen hebben vervolgens schriftelijk op elkaars standpunten gereageerd.

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 9 februari 2009 toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Eiser heeft de rechtbank bij brief van 18 februari 2009 toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

2. Overwegingen

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

Eiser is met ingang van 1 juni 1996 werkzaam bij de politieregio (..), te (...). Eiser, die in eerste instantie was aangesteld als medewerker basiseenheid, met de rang van agent, is met ingang van 1 november 1998 bevorderd naar de rang van hoofdagent.

In de nacht van 9 op 10 december 2005 heeft eiser, samen met een collega, twee verdachten, die op heterdaad waren betrapt bij het plegen van een inbraak, aangehouden en overgebracht naar het politiebureau te Almere, waar eiser enige tijd alleen in een verhoorruimte was met arrestant [arrestant]. De arrestant [arrestant] was toen geboeid. Begin 2006 heeft deze arrestant een klacht ingediend over mishandeling door eiser, toen deze alleen met hem in de verhoorruimte was.

Aan eiser is voorwaardelijk ontslag, met een proeftijd van drie jaren na de bekendmaking van het besluit van 30 oktober 2006 verleend, aangezien verweerder aannemelijk acht dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan ongeoorloofde aanwending van geweld. Tevens wordt eiser verweten dat hij het gebruik van geweld niet heeft gemeld.

Eiser ontkent dat hij ongeoorloofd geweld heeft aangewend. Er was slechts sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Toen eiser de arrestant op een stoel zette is de stoel ongelukkigerwijs enigszins gekanteld en is de arrestant met zijn kin op de tafel terechtgekomen, waarbij reeds bestaande wonden in het gezicht van de arrestant zijn opengegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) bepaalt dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Als disciplinaire straf kunnen de straffen als genoemd in artikel 77, eerste lid, van het Barp worden opgelegd. Uit het bepaalde in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp volgt dat als disciplinaire straf ontslag kan worden opgelegd.

Ingevolge het bepaalde in artikel 78, eerste lid, van het Barp kan bij het opleggen van (disciplinaire) straf worden bepaald dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.

De Ambstsinstructie Geweld van de Politieregio (..) (hierna: Ambtsinstructie Geweld), die op eiser van toepassing is, verstaat onder geweld: elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis.

De rechtbank stelt vast dat het gerechtshof te Arnhem, in zijn arrest van 28 juli 2008, bewezen heeft geacht dat eiser op 10 december 2005 opzettelijk de arrestant [arrestant] heeft mishandeld, terwijl deze was geboeid, dat hij de schouders van de arrestant heeft gepakt en hem op een stoel heeft gedrukt waarbij deze met zijn gezicht op tafel terecht kwam, waardoor deze letsel heeft opgelopen en pijn heeft ondervonden. Het gerechtshof heeft geoordeeld dat het toegepaste geweld niet gerechtvaardigd was, aangezien niet gebleken is dat de arrestant zich heeft verzet of anderszins lichamelijk agressief was. Eiser is bij dit arrest veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van honderd uren, te vervangen door vijftig dagen hechtenis, wegens mishandeling, gepleegd door een ambtenaar die bij het begaan van het feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken. De rechtbank ziet geen aanleiding om het oordeel van het gerechtshof, voor wat betreft de bewezen geachte feiten, niet te volgen, zodat hiervan ook in het kader van deze procedure zal worden uitgegaan.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat eiser zich op 10 december 2005 schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van een arrestant. Verweerder heeft deze gedraging terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Tevens heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, door het voorval dat op 10 december 2005 heeft plaatsgevonden niet te melden.

De rechtbank is van oordeel dat het plichtsverzuim waaraan eiser zich schuldig heeft gemaakt dermate ernstig is, dat het opleggen van de straf van voorwaardelijk disciplinair ontslag niet onevenredig moet worden geacht. Hiertoe overweegt de rechtbank dat juist van ambtenaren van politie, en zeker van een ambtenaar in de rang van hoofdagent, mag worden verwacht dat alleen geweld wordt toegepast in situaties waarin dit op grond van de Politiewet 1993 en de Ambtsinstructie Geweld gelegitimeerd is. Dat de arrestant [arrestant] verbaal lastig was, zoals inderdaad blijkt uit het dossier, doet er niet aan af dat eiser, als een professioneel ambtenaar van politie, zijn zelfbeheersing had behoren te bewaren, ook toen hij deze arrestant op een stoel zette. De omstandigheid dat niet in rechte is vastgesteld dat eiser de arrestant meerdere malen met kracht en hardhandig met zijn hoofd tegen de tafel heeft geduwd, doet er niet aan af dat de opgelegde disciplinaire straf, uitgaande van hetgeen wel vaststaat, niet onevenredig is. Tot de feiten waarop het bestreden besluit gebaseerd is, behoort niet het onderdeel waarvan eiser is vrijgesproken. De rechtbank acht voorwaardelijk disciplinair ontslag evenredig met de feiten waarvan verweerder is uitgegaan en, gelet op de strafrechtelijke veroordeling, ook mocht uitgaan.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk, voorzitter, mr. E.W. Akkerman en mr. J.J. Szauer-Bos, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr.A. van der Weij als griffier, op 9 april 2009.

Afschrift verzonden op: