Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI0035

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-03-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
07/400249-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzet (voorwaardelijk), zwaar lichamelijk letsel, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400249-08

Uitspraak: 19 maart 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[adres]

[geboorteplaats]

[adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.G.M. Hovius, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. R. van Vuure, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte terzake het onder primair ten laste gelegde tot een werkstraf van 240 uren met aftrek van het voorarrest;

- zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en

- de vordering van [benadeelde partij], in zijn geheel toe te wijzen alsmede de schadevergoedingsmaatregel overeenkomstig artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen.

.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd aan dat de verdachte heeft gehandeld in een reflex en geen opzet had het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, noch opzet had op mishandeling. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de verdachte om die reden van het primair en het subsidiair tenlastegelegde vrij te spreken.

Met betrekking tot de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft een woordenwisseling met het slachtoffer gehad. Tijdens die woordenwisseling zou – blijkens de lezing van verdachte - het slachtoffer verdachte hebben geduwd en/of geslagen. Het dossier bevat zowel ondersteunende als ontkrachtende verklaringen van getuigen voor deze stelling van verdachte. Verdachte geeft aan de klap/duw te hebben willen afweren, waarbij mogelijk het glas in zijn hand kapot is gegaan en de scherven bij het slachtoffer in het gezicht terecht zijn gekomen.

De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk. Gelet op het feit dat verdachte alcohol had genuttigd alsook op de diverse verklaringen van getuigen in het dossier, alsmede de verklaring van verdachte dat hij snijwonden van glasscherven in zijn eigen hand had, acht de rechtbank het veel waarschijnlijker dat verdachte, met het glas in de hand, heeft teruggeslagen. Ervaringsregels leren dat het slaan met een glas ernstige verwondingen kan veroorzaken. Verdachtes reactie op de duw/klap was impulsief en ongerechtvaardigd. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Uit de stukken van de GGD blijkt dat er sprake is van blijvend littekenweefsel, hetgeen zwaar lichamelijk letsel oplevert.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

Hij op of omstreeks 12 oktober 2008 in de gemeente Zwolle aan een persoon genaamd, [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (snijverwondingen in het gelaat), heeft toegebracht, door deze opzettelijk krachtig (met) een bierglas in/tegen het gezicht te slaan/gooien.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft een ruzie in een café beslecht met het slaan met een bierglas in het gezicht van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat deze reactie van verdachte impulsief en ongerechtvaardigd was. Verdachte heeft nodeloos gebruik gemaakt van een soort geweld dat in het algemeen zijn sporen definitief nalaat bij de slachtoffers. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zwaar aan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 februari 2009 waaruit kan worden geconcludeerd dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 22c, 22d, 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de [benadeelde partij], wonende te Zwolle, rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder primair bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingformulier met bijlagen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 300,--, vermeerderd met de kosten die - tot op heden - worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts terzake de vordering van [benadeelde partij], wonende te Deventer, aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 300,-- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te Zwolle.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor

de duur van 180 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de [benadeelde partij], wonende te Zwolle, van een bedrag van € 300,-- (zegge: driehonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder het primair bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 12 oktober 2008, tot die van de algehele voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 300,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2008, tot aan de dag der algehele voldoening, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te Zwolle, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. A.J. Louter en A.P. de Jong - de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2009.