Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BI0002

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
412502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Non-concurrentiebeding. Ex-werknemer wordt door handhaving niet onbillijk behandeld. Wel beperking in duur. Schending van beding. Ex-werknemer krijgt gelegenheid om zijn beroep op matiging van de boete op zo'n schending nader te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 412502 CV EXPL 08-4839

Datum : 31 maart 2009

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[EISENDE PARTIJ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

verder te noemen [eisende partij],

gemachtigde mr. H. Hampe te Amsterdam,

tegen

[GEDAAGDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

verder te noemen [gedaagde partij],

advocaat mr. H.C. Lenaerts te Breda.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte van eiseres

- de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie

- het tussenvonnis

- de brief van mr. Hampe van 16 januari 2009

- de brief van mr. Lenaerts van 19 januari 2009

- het proces-verbaal van de comparitie van 22 januari 2009 en de pleitnota van mr. Hampe

- de brief van mr. Hampe van 9 februari 2009

- de reactie van mr. Lenaerts op de pleitnota van mr. Hampe.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1

Het bedrijf van [eisende partij] legt zich toe op de handel in producten voor de plastische chirurgie (borstimplantaten, liposuctie, rimpelbehandeling en littekenbehandeling).

2.2

Op 15 oktober 2007 is tussen [eisende partij] en [gedaagde partij], geboren [datum] en dus meerderjarig, een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar voor de functie van ver-koopvertegenwoordiger overeengekomen.

2.3

In deze arbeidsovereenkomst zijn een non-concurrentiebeding en een geheimhoudingsbeding opgenomen met de volgende inhoud:

Een werknemer onderkent en erkent, dat werkgever in een lange reeks van jaren in Nederland door middel van zeer aanzienlijke investeringen een markt heeft opgebouwd van een zeer specialistische en dus beperkte omvang, te weten betreffende de handel in en verkoop aan instellingen van de gezond-heidszorg van bepaalde specialistische groepen van producten en dat zulks medebrengt, dat de werk-nemer toegang krijgt tot zeer vertrouwelijke bedrijfsgegevens, know-how en ervaring, die binnen het bedrijf van de werkgever dient te blijven, alsmede dat het overstappen van de werknemer naar een op de zeer beperkte markt concurrerende onderneming aan werkgever zeer grote schade zal kunnen toebrengen gezien de wetenschap en de samenstelling van de markt zoals die hiervoor zijn omschre-ven, weshalve de navolgende bepalingen betreffende nevenwerkzaamheden en non-concurrentie met volledige instemming van de werknemer zijn overeengekomen.

Het is werknemer verboden – behoudens uitdrukkelijke, schriftelijke en voorafgaande toestemming van werkgever – zowel tijdens het voortduren van het dienstverband met werkgever als binnen een tijdvak van 1 jaar na het eindigen van het dienstverband zelf binnen Nederland in enigerlei vorm een zaak of onderneming, of organisatie, gelijksoortig of aanverwant aan de huidige dan wel toekomstige zaak, onderneming of organisatie van werkgever of daarmee gelieerde of te liëren zaken, onderne-mingen, of organisaties te vestigen, te drijven, mede te drijven of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect alsook financieel in welke vorm dat (dan) ook bij een dergelijke zaak, onderneming of organi-satie belang te hebben, direct of indirect of daarin of daarvoor op enigerlei wijze (direct of indirect) werkzaam te zijn, hetzij als werknemer in de zin van de wet, hetzij op enigerlei andere basis, welke dan ook, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel te hebben van welke aard dan ook. (…)

Werknemer is verplicht geheimhouding te betrachten omtrent alle bedrijfsaangelegenheden in de ruimste zin des woord waarvan hij weet of redelijkerwijs moet kunnen vermoeden dat geheimhouding verplicht is, of waarvan hij het vertrouwelijke karakter moet kunnen begrijpen (…). De verplichting tot geheimhouding geldt zowel tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst als na het eindigen van de arbeidsovereenkomst.

In geval van overtreding van (…) het concurrentiebeding (…) de geheimhoudingsplicht (…) is werk-nemer aan werkgever verschuldigd een onmiddellijk en zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare en vervallen boete van € 25.000,- per overtreding en € 500,- voor elke dag dat de werknemer in overtre-ding is. Partijen komen uitdrukkelijk overeen, dat bovengenoemde bedragen de minimale schade vormen die werkgever lijdt door overtreding van werknemer van één of meer van de hierboven ge-noemde verbode. De boeteregeling geldt voor elke overtreding afzonderlijk omdat partijen vaststellen en overeenkomen dat bij overtreding van meerdere verboden tegelijkertijd daardoor de schade voor werkgever groter is. Het verschuldigd worden van deze boete laat onverlet het recht van de werkgever om daarnaast volledige schadevergoeding te eisen.

2.4

[gedaagde partij] is door [eisende partij] ingezet als verkoopvertegenwoordiger voor de ver-koop van de producten van [eisende partij] in de sector ‘rayon Noord Nederland’.

2.5

Op of omstreeks 12 maart 2008 heeft [gedaagde partij] aan de heer [W] (één van de directeu-ren van [eisende partij]) tijdens een gesprek laten weten dat hij per direct wilde stoppen met werken.

Bij brief van 12 maart 2008 schrijft [gedaagde partij] aan de directie van [eisende partij]:

Hierbij deel ik u mee dat ik per heden, met onmiddellijke ingang, op eigen verzoek, mijn ontslag in-dien.

De opzegtermijn van een (1) maand vervalt in wederzijds overleg.

De reden van dit ontslag is dat ik tot mijn spijt moet constateren dat de functie zoals ik die bij [eisen-de partij] B.V. heb vervuld, onderschat heb.

2.6

[gedaagde partij] is ingaande 1 mei 2008 een arbeidsovereenkomst met [naam bedrijf] (hier-na ook te noemen: [naam bedrijf]) aangegaan. [gedaagde partij] is in de functie van Product Specialist International in dienst getreden.

[naam bedrijf] begeeft zich op dezelfde markt als [eisende partij] en is een directe concur-rent.

2.7

Bij vonnis in kort geding van 7 juli 2008 is [gedaagde partij] veroordeeld, binnen 24 uren na de betekening van het vonnis, tot 12 september 2008 het non-concurrentiebeding na te leven. Aldus is de werking van het non-concurrentiebeding gerekend vanaf 12 maart 2008 beperkt tot een periode van zes maanden.

3. Het geschil

3.1

[eisende partij] vordert, uitvoerbaar bij voorraad:

1.

te verklaren voor recht dat het non-concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] rechtsgeldig is en mitsdien te bepalen dat het rechtsgel-dige non-concurrentiebeding overeenkomstig haar tekst geldt voor de periode van 12 maart 2008 tot 12 maart 2009 en tevens vast te stellen dat ingeval van overtreding van het non-concurrentiebeding door [gedaagde partij] een boete verschuldigd is van € 25.000 per over-treding en € 500 voor elke dag dat de werknemer in overtreding is nu partijen bij wege van vaststelling in het non-concurrentiebeding uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat bovenge-noemde bedragen de minimale schade vormen die werkgever lijdt door overtreding van werknemer van het non-concurrentiebeding;

2.

[gedaagde partij] te veroordelen om tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen de somma van € 25.000 alsmede € 500 per dag vanaf 1 mei 2008 tot en met 7 juli 2008 en vervolgens voor elke dag dat [gedaagde partij] met de nakoming van het non-concurrentiebeding in gebreke blijkt te blijven, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding respectievelijk vanaf de dag van het verschuldigd worden van enige dagboete tot aan die der algehele voldoening;

3.

[gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2

[gedaagde partij] voert verweer en heeft verzocht [eisende partij] niet-ontvankelijk te verkla-ren, althans haar vorderingen af te wijzen met veroordeling van [eisende partij] in de proces-kosten.

3.3

In reconventie vordert [gedaagde partij]:

1.

te verklaren voor recht dat [gedaagde partij] door zijn indiensttreding bij [naam bedrijf] niet het tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] rechtsgeldig gesloten non-concurrentiebeding overtreedt;

2.

indien en voor zover van een overtreding wel sprake is, het non-concurrentiebeding met in-gang van 1 mei 2008, althans een in goede justitie te bepalen datum, buiten werking te stel-len;

3.

te verklaren voor recht dat het in de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaag-de partij] opgenomen boetebeding nietig is, althans dit beding te matigen tot nihil, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag;

4.

[eisende partij] in de proceskosten te veroordelen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

De geschillen in conventie en in reconventie lenen zich goed voor een gezamenlijke bespreking.

[eisende partij] heeft zich per brief akkoord verklaard met de weergave van haar verklaring in het proces-verbaal van de comparitie. [gedaagde partij] heeft zich hierover niet uitgelaten, zodat hij overeenkomstig de tijdens de comparitie gemaakte afspraak geacht wordt met de weergave van zijn verklaring in te stemmen.

4.2

[gedaagde partij] vraagt zich af (antwoord sub 11) of het non-concurrentiebeding (hierna kortheidshalve ook te noemen: het beding) rechtsgeldig is overeengekomen, maar laat die vraag vervolgens onbeantwoord. Getoetst aan de formele eisen van artikel 7:653 BW (schriftelijk en met een meerderjarige werknemer overeengekomen) is het beding rechtsgeldig.

De vraag is vervolgens of [gedaagde partij] het beding heeft overtreden.

4.3

[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat hij als werknemer van [naam bedrijf] voor slechts 25% op de Nederlandse markt werkzaam is geweest. [eisende partij] heeft dit bestreden en ter adstructie van haar betwisting onweersproken gesteld, onderbouwd met twee schriftelijke verklaringen, dat [gedaagde partij] op 3 en 4 oktober 2008 op een hier te lande (te ’s-Hertogenbosch en niet Parijs, zoals [gedaagde partij] heeft gesteld) gehouden beurs voor plastisch chirurgen werkzaam is geweest. Desgevraagd heeft [gedaagde partij] ter gelegen-heid van de comparitie na antwoord erkend dat hij op grond van het beding niet in Nederland voor [naam bedrijf] actief mocht zijn.

Op grond van het non-concurrentiebeding was het [gedaagde partij] niet toegestaan, in ter-men van dat beding uitgedrukt: ‘binnen Nederland’, werkzaam te zijn, ook niet voor 25%. De gestelde, beperkte inzet voor de Nederlandse markt kan hooguit een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de overeengekomen boete gematigd dient te worden. Daar-over verderop in dit vonnis meer.

De overtreding van het beding staat hiermee vast.

4.4.

De volgende vraag die beantwoord dient te worden is de vraag of [gedaagde partij] door [eisende partij] onverkort aan het beding kan worden gehouden.

Artikel 7:653lid 2 BW bepaalt dat de rechter een beding als hier bedoeld geheel of gedeelte-lijk kan vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werk-gever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. De tegenvordering van [ge-daagde partij] gericht op het buiten werking stellen van het beding wordt opgevat als een vordering tot vernietiging van het beding.

4.5.

Door [eisende partij] is onweersproken aangevoerd dat zij [gedaagde partij] heeft ingewerkt en hem wegwijs heeft gemaakt in haar bedrijf en dat hij beschikte over alle bedrijfsgegevens, zoals contactpersonen, debiteuren, crediteuren, historische omzetgegevens, artikelgegevens, toekomstvisie, strategieën, marges en concurrentiepositie. Kortom, [gedaagde partij] was – plastisch uitgedrukt – van top tot teen op de hoogte.

4.6

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] die opgedane kennis voor [naam be-drijf] in elk geval heeft kunnen inzetten, wat de concurrentiepositie van [eisende partij] heeft kunnen verzwakken. [eisende partij] heeft daarom belang bij handhaving van het beding. Zoals blijkt uit het arbeidscontract heeft [gedaagde partij] onderkend en erkend dat het om gevoelige gegevens gaat en dat het overstappen naar een concurrent aan [eisende partij] ‘zeer grote schade zal kunnen toebrengen’.

4.7

Hierbij moet echter wel een kanttekening worden gemaakt. Onweersproken is dat de be-drijfsinformatie bij de aanvang van het dienstverband aan [gedaagde partij] is verstrekt en eveneens onweersproken is dat de gegevens op de aan [gedaagde partij] verstrekte laptop stonden. Daarvan uitgaande is het de vraag in hoeverre de bedrijfsgegevens wezenlijk door het non-concurrentiebeding worden beschermd. Het ook overeengekomen geheimhoudings-beding is naar zijn aard daarop meer toegesneden. De digitaal opgeslagen bedrijfsinformatie kan in theorie immers vrij eenvoudig aan derden, zoals [naam bedrijf], ter beschikking wor-den gesteld door een (digitale) kopie van de bestanden af te geven. Het non-concurrentiebeding is in dit geval meer geschikt om te voorkomen dat [gedaagde partij], eenmaal werkzaam voor de concurrent, de voorheen voor [eisende partij] bezochte en hem aldus bekende klanten ertoe beweegt naar de concurrent over te stappen, dan dat de bedrijfs-gegevens weglekken.

4.8

In verband hiermee is van belang dat [gedaagde partij] volgens het door [eisende partij] overgelegde overzicht ‘uitwerking opleiding [gedaagde partij]’ na zijn indiensttreding op 15 oktober 2007, vanaf begin november 2007 (er staat in het overzicht per abuis: 2008) klanten van [eisende partij] heeft bezocht, waaraan op 12 maart 2008 uiteraard een einde is geko-men. Een periode van slechts vier maanden. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] in een dergelijk korte periode een zodanige band met de klanten van [eisende partij] heeft weten op te bouwen dat hij bij machte was hen vanaf 1 mei 2008 met succes tot een overstap naar [naam bedrijf] te verleiden.

Blijkens zijn curriculum vitae had [gedaagde partij] ten tijde van zijn indiensttreding bij [ei-sende partij], gerekend vanaf 1992, meerdere, verschillende werkkringen achter de rug, en geen van die werkkringen houdt in de verste verte verband met de producten die [eisende partij] verhandelt. [gedaagde partij] was dus volkomen nieuw op bedoelde markt.

Met andere woorden: het belang dat [eisende partij] heeft bij de onverkorte toepassing van het non-concurrentiebeding is minder groot dan [eisende partij] aanvoert.

4.9

De door [eisende partij] gestelde investeringen in [gedaagde partij] in de vorm van opleiding en training zijn, anders dan [eisende partij] ingang wil doen vinden, niet indrukwekkend. Gedurende een aantal van volgens [eisende partij] 80 uren heeft [gedaagde partij] een pro-ducttraining gevolgd, aan zelfstudie gedaan en gepionierd. De kantonrechter neemt tenmin-ste aan dat met het woord pioneren in productie IX van [eisende partij] pionieren is bedoeld. Dat is aan kosten al met al ongeveer twee weken salaris. Het daarmee gemoeide bedrag is niet van een zodanige omvang dat [eisende partij] (mede) daarom recht heeft op onverkorte toepassing van het beding.

4.10

[gedaagde partij] heeft erop gewezen dat hij een positieverbetering heeft bewerkstelligd door bij [naam bedrijf] in dienst te treden. Volgens de vaststellingsovereenkomst tussen [gedaag-de partij] en [naam bedrijf], waarmee de arbeidsovereenkomst tussen hen ingaande 1 januari 2009 zou zijn geëindigd, bedroeg zijn maandsalaris € 3.100,00 bruto per maand. Ten opzich-te van het salaris dat [gedaagde partij] bij [eisende partij] verdiende is dat onmiskenbaar een verbetering, maar naast het basissalaris van € 2.350,00 bruto per maand had [gedaagde par-tij] blijkens het arbeidscontract met [eisende partij] recht op een provisie als hij zijn verkoop-target zou behalen, welk provisiebedrag door [eisende partij] op een bedrag van € 10.000 à € 15.000 per jaar is geschat. [gedaagde partij] heeft de juistheid van dit provisiebedrag er-kend. Met andere woorden: bij het bruto maandsalaris van € 2.350,00 dient een bedrag van minimaal € 833,00 te worden opgeteld, aangenomen dat [gedaagde partij] zijn verkooptarget zou hebben behaald.

[gedaagde partij] heeft gesteld dat voor hem geen verkooptarget was vastgesteld, maar aan-nemelijk is dat dat vooral met zijn voortijdige vertrek samenhing, gegeven het emailbericht aan [gedaagde partij] van 5 februari 2008 waaruit volgt dat deze target nog moest worden bepaald.

Bij dit alles blijft wel overeind dat het vaste basissalaris van [gedaagde partij] € 750 bruto per maand meer bedraagt dan bij [eisende partij] en dat geeft in elk geval meer financiële zekerheid dan een deels resultaatsafhankelijke beloning.

4.11

Niet goed valt in te zien welke relevante positieverbetering is gelegen in de omstandigheid dat [gedaagde partij] bij [naam bedrijf] meer internationaal werkzaam was, zoals hij heeft gesteld. [gedaagde partij] heeft deze stelling niet verder toegelicht zodat de kantonrechter deze stelling passeert.

4.12

Bij de belangenafweging is ook van belang dat [gedaagde partij] zelf ontslag heeft genomen. De verklaring van [gedaagde partij] ter gelegenheid van de comparitie dat hij door [eisende partij] niet werd vertrouwd omdat zijn bezoeken aan klanten werden gecontroleerd en dat hij daarom ontslag heeft genomen, is geen (objectieve) rechtvaardiging voor de ontslagname, omdat [eisende partij] recht en belang heeft de arbeidsprestaties van haar werknemers te controleren. Overigens heeft [gedaagde partij] zowel in zijn ontslagbrief als in zijn conclusie van antwoord een andere ontslaggrond aangevoerd, te weten dat hij de functie bij [eisende partij] had onderschat.

Tot slot: uit het hiervoor reeds genoemde arbeidsverleden van [gedaagde partij] volgt dat hij bepaald niet op de specifieke markt waarop [eisende partij] en [naam bedrijf] actief zijn is aangewezen waar het betreft het genereren van inkomen.

4.13

De kantonrechter is alles afwegend van oordeel dat [gedaagde partij] door de handhaving van het beding niet onbillijk wordt benadeeld. [eisende partij] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde partij] over gevoelige bedrijfsinformatie beschikt, ook als hij die informatie, tegelijk met de laptop, bij [eisende partij] heeft ingeleverd, en dat hij die informa-tie ten nadele van [eisende partij] zou kunnen aanwenden, met name door de hem bekende klanten van [eisende partij] te bewegen naar [naam bedrijf] over te stappen, waartegen het beding bescherming beoogt te bieden.

Er blijven voor [gedaagde partij], gelet op zijn brede werkervaring, ruim voldoende moge-lijkheden over elders aan de slag te gaan. Een wezenlijke positieverbetering is niet aanneme-lijk gemaakt en het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst is geheel van [ge-daagde partij] uitgegaan, terwijl [eisende partij] geen objectief geldige reden tot ontslag heeft gegeven.

4.14

Wel oordeelt de kantonrechter dat een periode van één jaar, in het licht van de korte duur van het dienstverband, waardoor [gedaagde partij] niet of nauwelijks in staat is geweest de klan-ten van [eisende partij] echt aan zich te binden, te lang is. Het belang van [eisende partij] wordt afdoende beschermd indien [gedaagde partij] gedurende een periode van vier maan-den, gerekend vanaf de einddatum van het dienstverband, niet (ook niet voor 25%), op de in dezen relevante Nederlandse markt actief is.

Vanwege het in de arbeidsovereenkomst vermelde, specialistische karakter van de verhan-delde producten heeft [eisende partij] voldoende belang bij een verbod voor het gehele Ne-derlandse grondgebied en niet alleen het voormalige rayon van [gedaagde partij].

Het non-concurrentiebeding zal gedeeltelijk worden vernietigd.

4.15

Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde partij] het beding heeft overtreden. Gedurende (in elk geval) de periode vanaf 1 mei 2008 tot en met 8 juli 2008 (zijnde de datum waarop het vonnis in kort geding is betekend én de dag waarop [gedaagde partij] stelt zijn werkzaamhe-den, althans voorlopig, te hebben gestaakt) heeft [gedaagde partij] immers werkzaamheden voor [naam bedrijf] verricht, in elk geval voor 25% op de Nederlandse markt, en dat was verboden. [eisende partij] heeft dan ook in beginsel recht op betaling van de overeengeko-men boete.

4.16

Desgevraagd heeft [eisende partij] verklaard dat met de bepaling in het arbeidscontract dat de hoogte van de geleden schade minimaal gelijk is aan de boetebedragen (€ 25.000 per overtreding en € 500 per dag) niet is beoogd de mogelijkheid tot matiging van de boete (en van de schade) weg te nemen. De boeteclausule is dan ook, anders dan [gedaagde partij] beweert, niet reeds nietig omdat een beroep op matiging is uitgesloten, nog afgezien van de vraag of die bewering op zichzelf juist is.

4.17

[gedaagde partij] heeft een beroep op matiging gedaan. Artikel 6:94 lid 1 BW bepaalt dat matiging van een overeengekomen boete op verlangen van de schuldenaar kan plaatsvinden, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Artikel 6:109 lid 1 BW bevat een vergelijkbare bepaling ten aanzien van de matiging van de schadevergoeding. De kantonrechter overweegt in dit verband het volgende.

[gedaagde partij] heeft gesteld dat hij met ingang van 1 januari 2009 niet langer in dienst van [naam bedrijf] is en heeft verwezen naar een (niet ondertekende) vaststellingsovereenkomst waarin staat dat de arbeidsovereenkomst op voornoemde datum is geëindigd. Volgens [ge-daagde partij] geniet hij vanaf 1 januari 2009 een WW-uitkering, woont hij in een huurwo-ning en heeft hij geen vermogen.

[eisende partij] heeft de beëindiging van bedoelde arbeidsovereenkomst betwist.

4.18

In dit verband is ook van belang dat [eisende partij] geen daadwerkelijk nadeel heeft onder-vonden ten gevolge van de indiensttreding van [gedaagde partij] bij [naam bedrijf]. [eisende partij] heeft niet bemerkt dat klanten van haar naar [naam bedrijf] zijn overgestapt, hoewel [eisende partij] (terecht) niet kan uitsluiten dat haar klanten thans ook bij [naam bedrijf] ko-pen. De omzet 2008 van [eisende partij] is wel iets gedaald, maar gesteld noch gebleken is dat dit met de indiensttreding van [gedaagde partij] bij [naam bedrijf] samenhangt.

4.19

[eisende partij] heeft gesteld dat moet worden aangenomen dat [gedaagde partij] de informa-tie betreffende haar onderneming aan [naam bedrijf] heeft verstrekt, maar [gedaagde partij] heeft dit bestreden en niet zonder goede grond. Volgens [gedaagde partij] heeft hij de laptop met daarop de bedrijfsinformatie bij het einde van het dienstverband aan [eisende partij] afgegeven en wist hij toen nog niet dat hij voor [naam bedrijf] zou gaan werken. Dat sluit aan op het bij [eisende partij] bestaande vermoeden dat [naam bedrijf] [gedaagde partij] niet heeft weggekocht of overgehaald om bij haar, [naam bedrijf], te komen werken. Tussen de uitdiensttreding bij [eisende partij] en de indiensttreding bij [naam bedrijf] zit een zekere periode en [eisende partij] heeft gesuggereerd dat [gedaagde partij] bij haar is weggegaan omdat [gedaagde partij] ondanks meerdere verzoeken daartoe het diploma NIMA marketing-C niet heeft overlegd. Later is gebleken dat hij dit diploma, anders dan hij in zijn curriculum vitae had vermeld, nimmer heeft behaald, aldus [eisende partij]. Weliswaar heeft [gedaagde partij] dit bij antwoord ontkend, maar die ontkenning is niet met een kopie van het diploma onderbouwd, zodat de kantonrechter aan die ontkenning niet zoveel geloof hecht.

Hieruit volgt dat niet aannemelijk is dat [gedaagde partij] ontslag heeft genomen om vervol-gens [naam bedrijf] onrechtmatig te (kunnen) bevoordelen en dat hij [naam bedrijf] de aan hem verstrekte bedrijfsinformatie heeft doorgespeeld.

[gedaagde partij] was zich volgens zijn verklaring overigens bewust van het feit dat hij het beding overtrad door bij [naam bedrijf] in dienst te treden. [gedaagde partij] dacht dat het wel zou loslopen.

4.20

De kantonrechter zal de zaak naar de hierna genoemde rolzitting verwijzen ten einde [ge-daagde partij] in de gelegenheid te stellen zijn beroep op matiging beter te onderbouwen. Het gaat dan (ook) om zijn inkomens- en vermogenspositie. Van [gedaagde partij] mag worden verlangd dat hij aantoont dat hij vanaf 1 januari 2009 een WW-uitkering geniet. Ook kan [gedaagde partij] een of meer recente aangiften inkomstenbelasting in het geding brengen ten einde te onderbouwen dat hij volgens zijn verklaring niet vermogend is. In het licht van de artikelen 6:94 lid 1 BW en 6:109 lid 1 BW (klaarblijkelijk respectievelijk kennelijk onaan-vaardbare gevolgen) mag [gedaagde partij] van zijn stelplicht op dit punt wel wat meer werk maken.

Verder zal niet worden beslist.

De beslissing

De kantonrechter:

1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 28 april 2009 te 09.30 uur voor uitlating aan de kant van [gedaagde partij] waarop [eisende partij] later mag reageren;

2.

houdt verder elke beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier het openbaar uitgesproken op 31 maart 2009.?