Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH9927

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-03-2009
Datum publicatie
03-04-2009
Zaaknummer
07/630127-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verkrachting/ontucht, bewijs, dwang, strafmaatmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE- LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.630127-07 (promis)

Uitspraak: 16 maart 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortejaar]

feitelijk verblijvende aan [adres]

HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken ter terechtzitting van 16 oktober 2008, 20 november 2008, 26 januari 2009 en 2 maart 2009. De verdachte is verschenen ter terechtzitting op 20 november 2008, 26 januari 2009 en 2 maart 2009, bijgestaan door mr. K. Kok, advocaat te Zwolle.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht

DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot

en met 26 april 2007 meermalen, in ieder geval éénmaal, in de gemeente Zwolle

(telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met

geweld of (een) andere feitelij[x]d[xxx] ([geboortejaar]) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die

bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lich[x]n[xxx], hebbende ve[x]e[xxx]

toen aldaar (telkens) gedwongen te dulden dat verdachte (telkens) zijn,

verdachtes, penis in de vagina en/of in de m[x]n[xxx]

duwde/bracht en/of hield en/of zijn, verdachtes, tong in de m[x]n[xxx] duwde/bracht en/of hield en/of zijn, verdachtes tong

duwde/bracht en/of hield in/tegen de vagina en/of de clitoris en/of de

schaamlip[x]n[xxx], en bestaande dat geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere

feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (telkens):

- de lamellen (welke voor de ramen hingen) heeft dicht gedaan en/of

- de (voor)deur van de woning ([adres]) op slot

heeft gedraaid en/of

[x]n[xxx] gezegd dat zij, die [xxx], naar hem,

verdachte, toe moest komen en/of dat zij, [xxx], op haar knieën voor

hem, verdachte, moest gaan zitten en/of

- het/de hoofd/[x]n[xxx] (onverhoeds) heeft vastgepakt

en/of (vervolgens) naar zijn, verdachtes, penis, heeft geduwd en/of

getrokken en/of gebracht en/of (vervolgens) (onverhoeds) zijn, verdachtes

penis geduwd/gebracht in de m[x]n[xxx] en/of

[x]n[xxx] heeft gezegd dat zij op de grond moest gaan

liggen en/of (vervolgens) de be[x]n[xxx] uit elkaar

heeft getrokken/geduwd en/of heeft laten doen en/of

- (vervolgens) (onverhoeds) zijn, verdachtes, penis heeft geduwd/gebracht in

de vag[x]n[xxx] en/of

- meermalen, in ieder geval éénmaal[x]n[xxx] heeft gezegd

dat zij, [xxx], er nooit met iemand over mocht spreken, en/of

- zich dwingend en/of dominant heeft opgesteld en/of

- misbruik en/of gebruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen

voortvloeiend overwicht en/of van zijn, verdachtes, fysieke en/of psychische

en/of emotionele overwicht en/of van het leeftijdsverschil tussen hem,

verdachte, en het slachtoffer en/of (aldus) een situatie heeft gecreëerd

wa[x]n[xxx] zich niet kon en/of durfde te verzetten

(mede gelet op het stille, beïnvloedbare en naïeve karakter van die [x]

[xxx] en/of de omstandigheid dat hij, verdachte, een (ex)vriend van de

[x]n[xxx] was)

en/of (aldu[x]r[xxx] een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan;

artikel 242 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juni 2006 tot

en met 26 april 2007 in de gemeente Zwolle, meermalen, in ieder geval [x]l[xxx] ([geboortejaar]), die de leeftijd van twaalf

jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, één of

meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [x]

[xxx], hebbende verdachte toen aldaar (telkens) zijn, verdachtes, penis

in de vagina en/of in de m[x]n[xxx] geduwd/gebracht en/of

gehouden en/of zijn, verdachtes, tong in de m[x]n[xxx]

geduwd/gebracht en/of gehouden en/of zijn verdachtes, tong geduwd/gebracht

en/of gehouden in/tegen de vagina en/of de clitoris en/of de schaamlip[x]n[xxx];

artikel 245 Wetboek van Strafrecht;

DE FORMELE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMIDDELEN EN BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het eerste (tevens primair) tenlastegelegde, te weten verkrachting, meermalen gepleegd, wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het aangeefster - met name met betrekking tot het eerste seksuele contact - een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd, welke op diverse punten wordt ondersteund door verklaringen van getuigen, door het onderzoek van en naar de telefoongegevens van de telefoon van aangeefster en door bevestigend onderzoek aan de hand van foto’s en tekeningen van de woningen waarvan aangeefster heeft gesteld dat de seksuele handelingen zouden hebben plaatsgevonden.

Voor het geval de rechtbank verkrachting niet wettig en overtuigend bewezen acht of

slechts tot een bewezenverklaring komt van een eenmalige verkrachting heeft de

officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het cumulatief (tevens

subsidiair) tenlastegelegde, te weten ontuchtige handelingen met een persoon tussen

de 12 en 16 jaar, bewezen verklaard kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat noch het eerste (tevens primair) tenlastegelegde feit,

noch het tweede cumulatief (tevens subsidiair) tenlastegelegde feit,

bewezenverklaard kan worden en dat derhalve vrijspraak dient te volgen. De

raadsman heeft daartoe gesteld dat er slechts sprake is van de verklaring van

aangeefster tegenover de verklaring van verdachte - hij ontkent ten stelligste dat hij

ooit alleen met verdachte zou zijn geweest, laat staan seks in enigerlei vorm met haar

heeft gehad- en dat de overige middelen die tot bewijs zouden kunnen dienen te

onbetrouwbaar zijn om ter ondersteuning van de verklaring van aangeefster

gebruikt te kunnen worden. Zo acht de raadsman het betwistbaar dat het

telefoonnummer, waarmee het slachtoffer is gebeld, het nummer van verdachte was,

zodat niet aangenomen kan worden dat verdachte de beller was. Daarnaast heeft de

raadsman gewezen op de aanwezigheid van cruciale verschillen tussen de door

aangeefster gegeven beschrijvingen van de betreffende woonruimtes en de overige

in het dossier aanwezige beschrijvingen en foto’s daarvan. Verder heeft de raadsman

gesteld dat getwijfeld dient te worden aan de betrouwbaarheid van de verklaringen

van het slachtoffer nu zij desgevraagd geen bijzonderheden wist te vermelden over

het geslachtsorgaan van verdachte, terwijl uit andere verklaringen blijkt dat er

gedurende de tenlastegelegde periode goed zichtbare en voelbare implantaten in de

penis van verdachte waren aangebracht.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot het bewijs het navolgende, op grond van

de hierna in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen.

De vaststaande feiten en omstandigheden

Verd[x]h[xxx] (verder te noemen aangeefster) leren kennen toen hij medio 2001/2002 een relatie [xxx]met [xxx] de oudere zus van aangeefster, die eerst nog thuis bij haar familie woonde en enige tijd later op zichzelf is gaan wonen. Verdachte heeft daarna veel bij [xxx] vertoefd, hoewel hij ook maanden gedetineerd is geweest en zij officieel niet hebben samengewoond. Verdachte zag aangeefster toen vaak omdat zij bij [xxx] thuis gebruik maakte van het internet. De relatie tussen verdachte en [xxx] heeft geduurd tot medio/eind 2006. Verdachte heeft vervolgens een relatie gekregen me[xxx], wonende [adres], een van de door aangeefster aangewezen plaatsen waar het tenlastegelegde zou hebben plaatsgevonden en tevens het adres dat verdachte heden (maart 2009) als zijn feitelijke verblijfplaats heeft opgegeven. Toen [xxx] begin mei 2007 haar ongerustheid uitte naar aanleiding van het feit dat aangeefster zichzelf meerdere malen bleek te hebben gesneden en een nacht niet thuis was gekomen, heeft aangeefster aan [xxx] en later aan de politie verteld dat zij meermalen seksueel contact met verdachte heeft gehad.

Beoordeling van de tenlastelegging

Aangeefster heeft verklaard dat zij met verdachte zestien maal gedwongen seks heeft gehad op verschillende plaatsen. De eerste keer was dat volgens aangeefster in juni/juli 2006 in het huis van [xxx] en de laatste keer in de nacht van 24 op 25 april (later door aangeefster gecorrigeerd naar 25 op 26 april) 2007.

De seks vond volgens aangeefster verder onder andere plaats onder de [adres] in een woning in de [adres] in en in de nabijheid van een woning aan de [adres] en vlakbij een school. Vast staat dat de woonruimtes aan de Assendorperstraat en de [adres] toebehoren aan (ex)vriendinnen van verdachte als ook dat verdachte in de tenlastegelegde periode daadwerkelijk en relatief eenvoudig toegang heeft gehad tot deze woonruimtes.

Volgens aangeefster heeft de seks de eerste keer al bestaan uit tongzoenen, pijpen, en het hebben van geslachtsgemeenschap. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar vervolgens steeds belde met nummer[xxx]] met de vraag om naar hem toe te komen en dat zij dat dan uit angst ook deed.

Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend. Hij heeft verklaard nooit met aangeefster alleen te zijn geweest en haar nooit te hebben gebeld. Verdachte heeft gesteld dat 06-[xxx] het telefoonnummer van zijn vriend [xxx] is en dat hij de telefoon met dit nummer slechts twee maanden (voorafgaande aan 4 mei 2007) in gebruik heeft gehad.

De rechtbank gaat uit van de geloofwaardigheid van de verklaring van aangeefster, omdat deze wordt ondersteund door (1) de vastgestelde telefooncontacten tussen verdachte en aangeefster, (2) de weergaven van (de inrichting van) de woningen door getuigen/bewoners [xxx] en [xxx] en de foto’s ervan, die in grote lijnen de beschrijving van aangeefster bevestigen en (3) het feit dat verdachte toegang had tot deze woningen in de tenlastegelegde periode.

De rechtbank heeft met betrekking tot de telefooncontacten nog het volgende overwogen. Naast de verklaring van aangeefster dat zij vrijwel altijd door verdachte werd gebeld vanuit 06-[xxx] is uit onderzoek naar de telefoongegevens komen vast te staan dat aangeefster in de eerste maanden van 2007, eenentwintig maal is gebeld vanaf het nummer 06-[xxx] op data en tijdstippen die aansluiten bij de verklaringen van aangeefster. Nu diverse getuigen verklaren dat dit het 06-nummer van verdachte is of in elk geval door hem in gebruik is of is geweest en verdachte bovendien heeft verklaard dit nummer in de tenlastegelegde periode twee maanden te hebben gebruikt, is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de betreffende beller geen ander is geweest dan verdachte. Ook buiten de periode van de door verdachte aangegeven twee maanden, werd - nadat met dit specifieke nummer gebeld was - opgenomen met [xxx] Een van deze telefoontjes is gepleegd door de politie toen zij op zoek was naar verdachte, en opvallend daarbij is dat verdachte zich vervolgens desgevraagd ook bij het politiebureau heeft gemeld. Dat aangeefster op 9 april 2007 door verdachte zegt te zijn gebeld en gebleken is dat er toen is gebeld vanuit een voor aangeefster onbekend 06-nummer, is goed verklaarbaar doordat dit nummer in die tijd blijkt te hebben toebehoord aan een bekende van verdachte, een vrouw genaamd [xxx], waardoor het relaas van aangeefster nog eens wordt bevestigd.

De rechtbank zal het standpunt van de raadsman, dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zouden zijn omdat zij heeft verklaard nooit de waarneembare implantaten onder de huid van het geslachtsdeel van verdachte te hebben opgemerkt, passeren. De rechtbank is van oordeel dat het heel goed mogelijk is dat aangeefster, zeker nu het gaat om haar eerste seksuele contacten, op dit punt niets speciaals heeft opgemerkt en dat derhalve ook met betrekking tot dit punt de betrouwbaarheid van haar verklaringen geenszins wordt aangetast.

Met betrekking tot het eerste (tevens primair) tenlastegelegde feit, te weten verkrachting, heeft de rechtbank te weinig aanknopingspunten aangetroffen om ten aanzien van de dwingende aspecten die daar onderdeel van uitmaken tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Het slachtoffer heeft weliswaar verklaard dat de seks tegen haar wil heeft plaatsgevonden, maar ook dat zij vrijwel steeds zelf - weliswaar na een telefoontje van verdachte - naar verdachte toe is gegaan, dat verdachte haar nooit heeft bedreigd en dat zij niet met nadruk heeft gezegd dat zij geen seks met verdachte wilde hebben. De vraag dringt zich daarbij op of het verdachte genoegzaam duidelijk is geweest dat de seksuele handelingen tegen de wil van het slachtoffer hebben plaatsgevonden. Het enkele feit dat er sprake is van een aanzienlijk leeftijdsverschil en een daaruit voortvloeiend overwicht, het gegeven dat door het slachtoffer meer dan een zekere mate van druk vanuit verdachte is ervaren, zeker de eerste keer, dat zij seksueel contact met verdachte had, als ook dat zij onzeker was over de consequenties als de seksuele contacten zouden uitkomen zijn niet voldoende om te kunnen spreken van ‘dwingen’ in de zin van artikel 242 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van verkrachting.

De rechtbank is echter van oordeel dat er voldoende bewijs aanwezig is om tot bewezenverklaring te kunnen komen van in elk geval het tweede (tevens subsidiair) tenlastegelegde feit, namelijk dat verdachte bij aangeefster, die nog geen 16 jaar oud was in de periode tussen 1 juni 2006 en 26 april 2007, meerdere keren ontuchtige handelingen heeft gepleegd, onder andere door middel van seksueel binnendringen.

Gezien het bovenstaande oordeelt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit.

BEWEZENVERKLARING

De verdachte dient van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte subsidiair ten laste is

gelegd met dien verstande dat

hij in de periode van 01 juni 2006 tot en met 26 april 2007 in de gemeente Zwolle, me[x]n[xxx] ([geboortejaar]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (telkens) mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lich[x]n[xxx], hebbende verdachte toen aldaar (telkens) zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of in de m[x]n[xxx] geduwd/gebracht en/of gehouden en/of zijn, verdachtes, tong in de m[x]n[xxx] geduwd/gebracht en /of gehouden en/of zijn, verdachtes, tong geduwd/gebracht en/of gehouden in/tegen de vagina en/of de clitoris en/of de schaamlip[x]n[xxx].

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezenverklaarde levert op:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht

STRAFBAARHEID

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Daarbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor zedendelicten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat mocht de rechtbank tot een veroordeling komen het tijdsverloop tussen de tenlastegelegde feiten en de datum waarop het Openbaar Ministerie de zaak heeft aangebracht noopt tot strafvermindering, verdachte niet eerder vanwege een soortgelijk delict is veroordeeld en dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook heeft de raadsman bepleit dat de rechtbank zich niet laat beïnvloeden door het gegeven dat het slachtoffer in een instelling opgenomen is (geweest) voor behandeling, nu niet vaststaat waarom zij deze behandeling zou hebben ondergaan.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan alsmede op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover tijdens het onderzoek gebleken. Verdachte heeft tot twee keer toe niet gereageerd op uitnodigingen voor een gesprek met de reclassering, waardoor er geen reclasseringsrapportage beschikbaar is.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d.6 november 2008.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van een minderjarige van 14/15 jaar. Het gaat om een ernstig feit dat zowel lichamelijk als geestelijk een grote impact heeft gehad op aangeefster. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is geweest van dwang in de zin van artikel 242 Sr, rekent zij verdachte aan, dat hij aangeefster onder grote emotionele druk heeft gezet om zich te onderwerpen aan zijn seksuele wensen, welke nooit zouden hebben plaatsgevonden als verdachte daar niet het initiatief toe zou hebben genomen. Verdachte heeft een meisje dat niet eerder seksuele contacten heeft gehad, aangezet tot vergaande seksuele handelingen zoals het hebben van geslachtsgemeenschap. Verdachte heeft zich daarbij op geen enkel moment rekenschap gegeven van de kwetsbare positie waarin aangeefster zich bevond; zij was het zusje van zijn toenmalige (ex)vriendin en in leeftijd en anderszins volstrekt niet opgewassen tegen het veelvuldig aandringen van verdachte om seks te hebben.

Aangeefster heeft onder andere aangegeven dat ze als gevolg van het gebeurde vaak somber is en dat ze het moeilijk vindt om aangeraakt te worden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal evenwel rekening houden met het feit dat verdachte niet eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld, met het relatief lange tijdsverloop tussen de gepleegde feiten, het eerste verhoor van verdachte en de behandeling ter zitting en met het feit dat verdachte geruime tijd na de pleegperiode van de onderhavige tenlastegelegde feiten nog is veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens andere feiten. Op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht houdt de rechtbank bij het opleggen van na te melden straf daarom rekening met de straf die de verdachte bij vonnis d.d. 27 februari 2008 van de meervoudige strafkamer te Zutphen terzake van wapenhandel en wapenbezit is opgelegd.

Het bovenstaande in aanmerking genomen zal de rechtbank volstaan met het opleggen van en een werkstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f en 63

van het Wetboek van Strafrecht.

BENADEELDE PARTIJ

De benadee[x]r[xxx], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.500, - gevoegd in het strafproces.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen en dat daarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft zich –gelet op zijn pleidooi tot vrijspraak- niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij en zich beperkt tot de conclusie dat deze niet-ontvankelijk verklaard zou behoren te worden

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benade[x]a[xxx] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die (immateriële) schade is, gelet op het ‘voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces’, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1000,-, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benade[x]a[xxx] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts ter zake van het bewezenverklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1000,- ten [x]e[xxx].

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is niet bewezen en verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het subsidiair tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen en levert het strafbare feit op zoals hiervoor vermeld.

Het subsidiair meer of anders tenlastegelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank wijst de vordering van de benadee[x]r[xxx], toe tot een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro).

De rechtbank veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van € 1.000,-- (zegge: duizend euro) en in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op om, ten [x]e[xxx] aan de Staat een bedrag te betalen van € 1.000,-- (zegge: duizend euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benade[x]a[xxx] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. G.M.W. Vijftigschild, voorzitter, mrs. E.W. Akkerman en E.M. de Veij Mestdagh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C. van Druten als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2009.