Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH6271

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
Awb 08/1181
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid met toepassing van artikel 19, lid 2 WRO vrijstelling kunnen verlenen in kader bouwplan voor oprichting van een woongebouw met 21 appartementen in Zwolle (Wipstrikpark).

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/1181

Uitspraak

in het geding tussen:

A te B,

eiser,

gemachtigde: mr. F.J.J. van West de Veer, juridisch adviseur te Zoetermeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,

verweerder,

en

Almelose Kanaal B.V.,

gevestigd te Zwolle, belanghebbende.

1.Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2007 heeft verweerder, onder verlening van vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan Almelose Kanaal B.V. een reguliere bouwvergunning, eerste fase, verleend voor de oprichting van een woongebouw met eenentwintig appartementen en stallingsruimte in het Wipstrikpark te Zwolle, kadastraal bekend gemeente Zwolle, sectie B, nummer 5889. Bij brief van 20 september 2007 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 november 2007 heeft verweerder aan Almelose Kanaal B.V. een reguliere bouwvergunning, tweede fase, verleend voor voornoemd bouwplan. Bij brief van 10 december 2007 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 juni 2008 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Bij brief van 21 juli 2008 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld.

Bij brief van 2 oktober 2008 heeft Almelose Kanaal B.V., hierna te noemen belanghebbende, de rechtbank desgevraagd laten weten dat zij als belanghebbende partij wenst deel te nemen aan dit geding.

Het beroep is op 4 februari 2008 behandeld ter zitting. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van West de Veer. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.C. Alblas. Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen.

2.Overwegingen

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en met ingang van die datum is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Volgens het overgangsrecht – in het bijzonder de artikelen 9.1.11, tweede lid, en 9.5.1 van de Invoeringswet Wro – blijven de bepalingen uit de WRO respectievelijk de Woningwet van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 juli 2008.

Het bouwplan voorziet in de oprichting van een woongebouw met 21 appartementen, inclusief stallingsruimte, in het Wipstrikpark te Zwolle.

Aangezien verweerder, bij het bestreden besluit, zowel op het bezwaar tegen de verlening van de bouwvergunning, eerste fase, als op het bezwaar tegen de verlening van de bouwvergunning, tweede fase, heeft beslist, ligt thans de handhaving van het gehele bouwplan voor.

Ingevolge het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet zij worden geweigerd, indien het bouwen niet in overeenstemming is met een van de in dit artikel genoemde gronden.

Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bepaalt dat de bouwvergunning moet worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Op de gronden waarop het bouwplan is gesitueerd is het bestemmingsplan “Buitengebied Zwolle” van toepassing. Blijkens de plankaart, behorend bij dit bestemmingsplan, is aan de gronden waarop het bouwplan is gesitueerd de bestemming “bedrijven” toegekend. Ingevolge het bepaalde in artikel 20, lid A, van de voorschriften behorend bij dit bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) zijn gronden waaraan deze bestemming is toegekend bestemd voor zand-, grind-, klei en houtverwerkende bedrijven met daarbij behorende opslag-, los- en laadplaatsen en parkeervoorzieningen uitgezonderd detailhandelsvestigingen. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, lid A, van de planvoorschriften is het verboden gronden en/of opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Verweerder heeft besloten om, met toepassing van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO, vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen ten behoeve van het bouwplan.

Artikel 19, tweede lid, van de WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met door de inspecteur van de ruimtelijke ordening aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is daarbij van overeenkomstige toepassing.

Gedeputeerde staten van Overijssel hebben, blijkens de “Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen”, een aantal categorieën van gevallen aangewezen waarin verweerder zelfstandig vrijstelling kan verlenen. Blijkens categorie A, onderdeel 1 van deze ‘provinciale vrijstellingenlijst’ kan de bevoegdheid op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO door verweerder, bij projecten binnen de bebouwde kom, ondermeer worden aangewend voor woning(bouw)projecten (waaronder wijziging van gebruik) met bijbehorende voorzieningen als wegen en groen, dit met uitzondering van projecten op een bedrijfsterrein en mits in overeenstemming met tussen gemeente en provincie gemaakte prestatieafspraken over de woningbouw.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de in categorie A, onderdeel 1, van de provinciale vrijstellingenlijst gemaakte uitzondering voor projecten op een bedrijfsterrein, waarvoor deze vrijstellingscategorie niet gebruikt kan worden, terecht in feitelijke zin heeft opgevat. Deze uitzondering heeft niet zo zeer betrekking op gronden waaraan in het van toepassing zijnde bestemmingsplan de bestemming “bedrijfsterrein”, “bedrijven”, “bedrijfsdoeleinden”, of een andere vergelijkbare bestemming is toegekend, maar op terreinen die feitelijk in gebruik zijn als bedrijfsterrein. De ratio hiervan is dat het samengaan van wonen enerzijds en van vestiging van bedrijven op hetzelfde terrein anderzijds tot problemen kan leiden, bijvoorbeeld voor wat betreft milieu- en veiligheidsnormen. Tevens kan een woningbouwproject op een terrein dat feitelijk nog in gebruik is als bedrijfsterrein onder omstandigheden tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van reeds op dit bedrijfsterrein gevestigde bedrijven leiden. Indien op een voormalig bedrijfsterrein nog wel de bestemming “bedrijven” van toepassing is, maar dit terrein feitelijk niet meer in gebruik is als bedrijfsterrein, doen deze problemen zich niet voor.

De rechtbank stelt vast dat het Wipstrikpark in het verleden weliswaar in gebruik is geweest als bedrijfsterrein, maar dat alle bedrijven hier inmiddels zijn verdwenen. Het terrein ligt feitelijk braak. Verweerder heeft dan ook met juistheid aangenomen dat categorie A, onderdeel 1, van de provinciale vrijstellingenlijst in dit geval kon worden toegepast.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, jo. artikel 19, eerste lid, van de WRO is een voorwaarde voor de verlening van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, dat een project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Verweerder heeft, voor wat betreft de ruimtelijke onderbouwing van het project, verwezen naar het ontwerp-bestemmingsplan “Wipstrikpark”. Eiser heeft weliswaar gesteld dat het bouwplan op onderdelen in strijd is met dit bestemmingsplan, maar eiser heeft deze stelling niet onderbouwd. Ook de rechtbank is niet gebleken dat het bouwplan met dit ontwerp-bestemmingsplan in strijd is.

Nu tevens is voldaan aan de overige formele vereisten voor de toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO, dient vervolgens beoordeeld te worden of verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. De vraag of verweerder van de bevoegdheid om met toepassing van deze bepaling vrijstelling te verlenen gebruik heeft kunnen maken kan door de rechtbank slechts terughoudend worden getoetst.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling te verlenen, omdat ten gevolge van het bouwplan zijn privacy vermindert. Eiser wijst er op dat hij voorheen vanuit zijn woning vrij uitzicht had over het Almelose Kanaal. Eiser vreest voorts voor inkijk in zijn woning en tuin vanuit het woongebouw. Indien het bouwplan al wordt toegestaan, dan had dit gerealiseerd moeten worden op een locatie dichter bij het Almelose Kanaal en verder verwijderd van eisers woning.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of vrijstelling dient te worden verleend ten behoeve van een bouwplan, het bouwplan zoals dit is ingediend het uitgangspunt vormt. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan het bestaan van een alternatieve locatie voor een bouwplan slechts dan tot het onthouden van medewerking aan het verlenen van vrijstelling nopen, indien met dat alternatief hetzelfde resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. In dit geval is niet gebleken dat hiervan sprake is.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de privacy van omwonenden, onder wie eiser, door dit project niet onevenredig wordt aangetast. Het project leidt er weliswaar toe dat de privacy van eiser zal verminderen, maar vast staat dat het bepaalde in artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek in acht zal worden genomen. De afstand tussen het bouwplan en het perceel van eiser bedraagt zeven meter en de afstand van het bouwplan tot aan de achtergevel van eisers woning bedraagt 66 meter, wat in een stedelijke situatie als waarvan hier sprake is zeker aanvaardbaar moet worden geacht.

Andere omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, zoals de kap van een aantal bomen langs het Almelose Kanaal en de vraag of hij middels verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van een nabij het bouwplan gelegen stuk grond staan los van de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling te verlenen ten behoeve van dit bouwplan. Deze door eiser opgeworpen vragen kunnen in deze procedure dan ook niet aan de orde komen.

Verweerder heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in redelijkheid kunnen besluiten om vrijstelling te verlenen ten behoeve van dit bouwplan.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat de waarde van zijn woning ten gevolge van de vrijstelling vermindert, staat het eiser vrij om een verzoek om planschadevergoeding in te dienen bij verweerder.

Nu de vrijstelling van het bestemmingsplan in rechte stand houdt en zich ook verder geen gronden voor weigering van de bouwvergunning voordoen, heeft verweerder die vergunning terecht verleend en bij het bestreden besluit gehandhaafd.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets doorstaat.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier, op

Afschrift verzonden op: