Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH6079

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-03-2009
Datum publicatie
16-03-2009
Zaaknummer
Awb 09/121
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Stichrting Oud Deventer vooralsnog als belanghebbende bij het bestreden besluit aangemerkt. Sloopvergunning voor sloop SMCD-complex en RISO van het Deventer ziekenhuis vooralsnog terecht verleend vanwege ontbreken weigeringsgronden;

toch schorsing bestreden besluit omdat gemeenteraad inmiddels uitdrukkelijk heeft laten doorklinken dat de gebouwen in kwestie zouden moeten worden behouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 09/121

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen:

Stichting Oud Deventer,

wonende te Deventer, verzoekster,

gemachtigde A.G. Renkema,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder,

alsmede

Synchroon BV, gevestigd te Gouda, derde partij,

gemachtigde mr. R.J.G. Bäcker.

1.Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2008, verzonden 22 december 2008, heeft verweerder aan de derde partij een vergunning verleend ten behoeve van de sloop van het SMCD-complex en RISO van het Deventer ziekenhuis op de percelen Van Calcarstraat 2-10 te Deventer.

Namens verzoekster is hiertegen op 21 januari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 30 januari 2009 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het verzoek is op 6 maart 2009 ter zitting behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Dekker en A.G. Renkema. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door F.W.H.M. Helmich. Voor de derde partij zijn verschenen M. Martens en C.J. Grondel, bijgestaan door mr. Bäcker voornoemd.

2.Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ter zitting is namens de derde partij verklaard dat men zo spoedig mogelijk met de sloop wil starten, zodat verzoekster een spoedeisend belang niet kan worden ontzegd.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van

de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.2. De voorzieningenrechter heeft zich allereerst uit te laten over de vraag of verzoekster als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Ter zitting is namens de derde partij gesteld dat zulks niet het geval is, nu de werkzaamheden van verzoekster beperkt zijn tot het voeren van juridische en bestuursrechtelijke procedures. In het licht van de meest recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit volgens de derde partij niet voldoende om als belanghebbende bij het bestreden besluit te kunnen worden aangemerkt.

Naar aanleiding van de stelling van de derde partij is namens verzoekster gesteld dat de werkzaamheden van de Stichting niet beperkt zijn tot het voeren van procedures. De Stichting is betrokken bij diverse projecten in de stad. Zij voert daartoe onder andere overleg met de gemeente en ontwikkelaars. Verder geeft de Stichting een nieuwsbrief uit en is momenteel druk bezig met een inventarisatie van monumenten van na de wederopbouw.

Gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting op dit punt beperkt tot de opmerking dat de Stichting tot nu toe steeds als belanghebbende bij dit soort besluiten is aangemerkt.

De voorzieningenrechter is, gelet op de toelichting van verzoekster, vooralsnog van oordeel dat verzoekster als belanghebbende bij het bestreden besluit dient te worden aangemerkt.

Van verweerder wordt in de nog te nemen beslissing op bezwaar op dit punt een gemotiveerd standpunt verwacht.

2.3. Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening, is het verboden bouwwerken

te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).

Artikel 8.1.6. bevat de weigeringsgronden. Zo moet een sloopvergunning onder andere worden geweigerd als een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Bij brief van 21 januari 2009 heeft verzoekster verweerder verzocht het deel van het voormalige St. Geertruiden gasthuis dat in 1940 werd opgeleverd alsmede het ketelhuis op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

Bij brief van 9 februari 2009 heeft verzoekster de Directeur van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschappen en Monumenten verzocht het gebouw van het voormalige

St. Geertruiden Gasthuis aan de Fesevuurstraat te erkennen als Rijksmonument. Een ontvangstbevestiging is terug ontvangen.

Zijdens verzoekster is aangevoerd dat de te slopen gebouwen monumentale waarde hebben, reden waarom zij tegen sloop moeten worden beschermd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de in de Monumentenwet 1988 opgenomen aanwijzingsprocedure nog niet zover is gevorderd dat voor de betrokken gebouwen reeds

de voorbescherming als bedoeld in artikel 5 van de Monumentenwet geldt.

Nu dit niet het geval is volgt hieruit dat zich geen van de in artikel 8.1.6. van de Bouwverordening opgenomen weigeringsgronden voor de afgifte van een sloopvergunning voordoet, zodat verweerder deze - vooralsnog - terecht heeft verleend.

Zijdens verweerder is gesteld dat de sloopvergunning – in verband met het ontbreken van weigeringsgronden – weliswaar is verleend, maar dat de gemeenteraad inmiddels uitdrukkelijk heeft laten doorklinken dat de gebouwen in kwestie zouden moeten worden behouden.

In het ontwerp-bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan “St. Geertruidenberg e.o”. is als algemeen uitgangspunt neergelegd het behoud van het hoofdgebouw en de zusterflat. Verder wordt gestreefd naar behoud van ten minste 75% van de beeldkenmerken van de bestaande bebouwing.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de derde partij de monumentwaardigheid niet heeft bestreden en ter zitting heeft uitgesproken dat de bereidheid om bepaalde bouwdelen in stand te laten er wel is.

Onder deze omstandigheden, waarbij de voorzieningenrechter mede in zijn overweging betrekt dat sloop van de gebouwen onomkeerbaar is en voor de derde partij uitsluitend een niet nader gespecificeerd financieel belang een rol speelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat schorsing van het bestreden besluit aangewezen is.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3.Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

-schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat verweerder een beslissing op bezwaar aan partijen heeft bekend gemaakt;

-gelast dat de gemeente Deventer het betaalde griffierecht van € 150,-- aan verzoekster vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier, op

Afschrift verzonden op: