Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH5803

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
437489 ja 09-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Ontbinding wegens verstoorde arbeidsrelatie. Vergoeding omdat werkgever - notariskantoor - zich onvoldoende heeft ingespannen voor een re-integratie 2e spoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr. : 437489 HA VERZ 09-16

datum : 10 maart 2009

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

de besloten vennootschap [VERZOEKSTER],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekende partij, verder te noemen [verzoekster],

gemachtigde mr. B.A. Siesling, advocaat te Deventer,

tegen

[VERWEERSTER],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij, verder te noemen verweerster,

gemachtigde mr. Y. van der Linden, advocaat te Tilburg.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift.

De mondelinge behandeling is gehouden op 3 maart 2009.

Verschenen zijn:

- [verzoekster], bij monde van de heren mrs. [B] en [P], notarissen, en bijgestaan door mr. Siesling voornoemd;

- verweerster, bijgestaan door mr. Van der Linden voornoemd.

Het geschil

[verzoekster] (hierna ook: [verzoekster]) heeft verzocht om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met verweerster (hierna ook: [verweerster]) wegens gewijzigde omstandigheden. [verweerster] heeft zich tegen toewijzing van het verzoek verzet, subsidiair verzocht om toekenning van een billijke vergoeding. Tegen toekenning van een vergoeding heeft [verzoekster] zich op haar beurt verzet.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [verweerster], thans [X] jaar oud, is op [datum] bij [verzoekster] in dienst getreden in de functie van juridisch secretaresse op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

b. Op 11 of op 30 juli 2007 (partijen zijn het over die datum niet eens) is [verweerster] wegens ziekte uitgevallen.

c. Met ingang van 1 oktober 2008 is [verweerster] voor 95% arbeidsgeschikt verklaard.

d. Blijkens een “Deskundigen oordeel” van 3 februari 2009 is de arbeidsdeskundige van het UWV na onderzoek tot de conclusie gekomen dat het resultaat van de reïntegratie tot 12 januari 2009 "als voldoende (is) te beschouwen", maar dat dat niet geldt voor de periode na die datum omdat [verzoekster] vanaf die datum de reïntegratie heeft verstoord.

2.

[verzoekster] heeft haar verzoek als volgt, kort samengevat, toegelicht.

[verweerster] is op 30 juli 2007 uitgevallen wegens overspannenheidsklachten die niet werkgerelateerd waren. Weliswaar was er in die periode sprake van een verhoogde werkdruk, maar zij heeft er telkens bij [verweerster] op aangedrongen haar werk “niet mee naar huis te nemen”, daarmee doelend op het psychisch kunnen loslaten van het werk buiten werktijd. Er waren ook privé omstandigheden die belastend waren voor [verweerster]. In het kader van de reïntegratie heeft [verzoekster] naar eigen inzicht zich tot het uiterste ingespannen om de terugkeer van [verweerster] in haar eigen functie mogelijk te maken. Zij heeft de reïntegratie laten begeleiden door een extern bureau, zij heeft ingestemd met mediation, die helaas niet succesvol is afgerond, en zij heeft begin 2009 aan [verweerster] een passend beëindigingsvoorstel gedaan waarin ook was opgenomen een vergoeding voor outplacementbegeleiding. De reïntegratie van [verweerster] is geen succes geworden vanwege de tegenstrevende en soms achterdochtige opstelling van [verweerster]. Om die reden, en gezien de grote inspanningen die zij zich heeft getroost om de reïntegratie tot een succes te maken, bestaat volgens [verzoekster] billijkheidshalve geen aanleiding voor toekenning van enige vergoeding.

3.

[verweerster] heeft haar verweer als volgt, ook kort samengevat, toegelicht.

Zij is uitgevallen door ziekte als rechtstreeks gevolg van langdurige overbelasting. Zij heeft daarover meermalen bij [verzoekster] geklaagd, doch zonder resultaat. De reïntegratie is geen succes geworden omdat, ondanks grote inspanningen van haar kant, geen positieve reactie van de zijde van [verzoekster] was waar te nemen. Door tal van incidenten bleek haar dat [verzoekster] van haar af wilde. Haar direct leidinggevende begon het persoonlijke contact te mijden door bijvoorbeeld alleen tijdens haar afwezigheid van haar werkplek nieuwe dossiers op haar bureau te leggen. De door het externe begeleidingsbureau geadviseerde gesprekken eens per twee weken vonden niet plaats. [verweerster] voelt zich slecht behandeld. In het subsidiaire geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst maakt zij aanspraak op een vergoeding volgens de uitkomst van de kantonrechtersformule bij toepassing van correctiefactor C = 3.

4.

Na een schorsing van de zitting heeft [verweerster] kenbaar gemaakt dat zij haar primaire verweer laat vallen omdat zij inziet dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet zinvol is. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal dan ook worden toegewezen, en wel zoals hierna in de beslissing aan te geven.

5.

Ten aanzien van de vraag of een billijke vergoeding moet worden toegekend en, zo ja, tot welk bedrag, geldt het volgende.

[verweerster] heeft haar klacht, dat zij door oorzaken rechtstreeks verband houdende met het verrichten van de arbeid volgens haar arbeidsovereenkomst met [verzoekster] in juli 2007 door ziekte is uitgevallen onvoldoende aannemelijk weten te maken. Voor zover dat standpunt terugkomt in diverse rapportages van door [verweerster] geraadpleegde hulpverleners is blijkens die rapportages steeds sprake van het optekenen van het eigen standpunt van [verweerster].

Op grond van het UWV- deskundigenoordeel van 3 februari 2009 gaat de kantonrechter ervan uit dat de reïntegratie inspanningen van [verzoekster] tot 12 januari 2009 toereikend zijn geweest, zodat de klachten van [verweerster] dienaangaande geen gewicht in de schaal leggen. Op grond van datzelfde deskundigenoordeel is de kantonrechter echter ook van oordeel dat de reïntegratie-inspanningen van [verzoekster] na 12 januari 2009 onvoldoende zijn geweest. Immers, toen [verzoekster], inderdaad na geruime tijd en na inspanningen over en weer, eind 2008/begin 2009 concludeerde dat reïntegratie in de eigen functie of bij de eigen werkgever geen optie meer was, had zij zich concreet moeten inspannen voor reïntegratie volgens het zogenaamde 2e spoor (reïntegratie bij een andere werkgever). Dat heeft [verzoekster] niet gedaan. Zij heeft verwezen naar haar voorstel aan [verweerster], onder meer inhoudende vergoeding van kosten van outplacement tot een bedrag gelijk aan een maandsalaris, maar toegegeven dat dat voorstel onderdeel uitmaakte van een pakket voorstellen, met als voorwaarde instemming met de beëindiging van het dienstverband. Dat is geen vorm van reïntegratie-inspanning “2e spoor” omdat daarvoor vereist is dat het dienstverband voortduurt gedurende de periode dat naar werk bij een andere werkgever wordt gezocht. Door zich die inspanning niet te getroosten treft [verzoekster] een verwijt.

6.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van het salaris van [verweerster] met ingang van 1 januari 2009. Volgens [verzoekster] is dat salaris € 2.263,50 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag, maar volgens [verweerster] is dat € 2.334,21 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag. Het verschil is gelegen in een salarisverhoging per 1 januari 2008, die volgens [verweerster] ten onrechte niet is doorgevoerd, maar waaraan [verzoekster] zich niet gebonden acht. De kantonrechter acht het kader van deze beschikking niet geëigend voor het beslechten van dit geschil, tenzij evident is aan wiens zijde het gelijk ligt. [verweerster] heeft verwezen naar artikel 4 van haar arbeidsovereenkomst, waarin onder meer is bepaald: "De werkgever is verplicht de tussen de Koninklijke Notariële Broederschap en de Bond van Medewerkers in het Notariaat overeengekomen prijscompensaties als zodanig aan de werknemer uit te betalen.”

[verweerster] heeft tevens overgelegd een brief van de Bond van Medewerkers in het Notariaat aan al haar leden van december 2007 waarin gerept wordt over een advies aan haar en aan haar werkgever betreffende een salarisverhoging.

Aldus is onvoldoende gebleken van overeenstemming tussen de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in het notariaat, waaraan artikel 4 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen refereert. Voor de berekening van de na te melden billijke vergoeding wordt dan ook uitgegaan van een salaris van € 2.263,50 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

7.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 5 en 6 werd overwogen acht de kantonrechter een vergoeding ten bedrage van € 20.000,00 bruto billijk.

8.

Nu geen vergoeding werd aangeboden zal aan [verzoekster], overeenkomstig de wet, de gelegenheid worden geboden haar verzoek desgewenst in te trekken.

9.

In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt, behoudens in het geval [verzoekster] haar verzoek alsnog intrekt, omdat zij dan met die kosten wordt belast.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 31 maart 2009 onder toekenning aan [verweerster] ten laste van [verzoekster] van een vergoeding van € 20.000,00 bruto;

- stelt [verzoekster] in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 25 maart 2009 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval [verzoekster] het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 31 maart 2009 onder toekenning aan [verweerster] ten laste van [verzoekster] van een vergoeding van € 20.000,00 bruto en veroordeelt [verzoekster] tot betaling van dat bedrag aan [verweerster] tegen bewijs van kwijting;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval [verzoekster] het verzoek intrekt:

- veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerster] vastgesteld op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 10 maart 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.