Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH5605

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
11-03-2009
Zaaknummer
07. 607261-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07. 607261-08

Uitspraak: 12 februari 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum]

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2008 en op 29 januari 2009. De verdachte is niet in persoon verschenen en is ter terechtzitting verdedigd door mr. K. Hansen Löve, advocaat te Amsterdam, die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

De officier van justitie, mr. Jansen, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De raadsvrouw van verdachte heeft ter zitting primair betoogd dat verdachte van het aan hem ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan opzet op de in de tenlastelegging genoemde gedragingen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het in deze zaak ontbreekt aan samenwerking met geweld als doel. Verder heeft zij aangevoerd dat het feitencomplex niet gekwalificeerd kan worden als openlijk geweld.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit de stukken blijkt dat verdachte na een telefoontje van zi[mededader]endin [mededader] waarin zij hem in paniek vertelt dat ze is aangevallen naar de Albert Heijn aan de Watercipresstraat is gereden. Als verdachte uitstapt neemt hij een schop mee die hij in zijn kofferbak heeft liggen. Als verdachte bij de Albert Heijn aan komt is [slachtoffer], de persoon die zijn vriendin had aangevallen, nog niet ter plaatse. Als [slachtoffer] aan komt lopen gaat verdachte de confrontatie met hem aan. Verdachte raakt met [slachtoffer] in gevecht en komt daarbij in de onderliggende positie. [mededader] slaat met de schop die verdachte heeft meegenomen [slachtoffer] op zij[mededader]. Als [mededader] erbij komt met een mes in zijn handen probeert [slachtoffer] weg te komen. Verdachte weet hem samen met [mededader] in te halen en nadat [slachtoffer] is gestoken blijft verdachte hem slaan. .

De rechtbank concludeert uit het bovenstaande dat verdachte tezamen en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer]. Verdachte gaat, na een telefoontje van [mededader], bewust de confrontatie aan met [slachtoffer], waarna de situatie is geëscaleerd. Er bestond een onderlinge verstandhouding tussen verdachte en de overige geweldplegers, [mededader] en [mededader]. Verdachte behoorde tot de groep die het slachtoffer vijandig gezind was en de gemeenschappelijke wil om geweld tegen het slachtoffer te gebruiken blijkt in voldoende mate uit de handelingen van verdachte en zijn medeplegers. De rechtbank is derhalve van oordeel dat aan het voor overtreding van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht vereiste samenwerkingsverband is voldaan en zal het tenlastegelegde bewezen verklaren.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair is door de raadsvrouw van verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces gedaan.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zoals hierboven beschreven is het verdachte zelf die de confrontatie opzoekt. Ook is verdachte degene die, nog voordat er sprake is van een vechtpartij, de schop uit zijn auto meeneemt. Hoewel verdachte gedurende de vechtpartij in de onderliggende positie komt en in de houdgreep wordt genomen was dit, in het licht van de totale waardering van de feiten, geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht, zodat van een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces geen sprake kan zijn.

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De raadsvrouw van verdachte heeft betoogd dat verdachte detentieongeschikt is gezien zijn handicap op dit moment. De raadsvrouw heeft dit echter niet onderbouwd door middel van medische stukken, zodat de rechtbank dit onvoldoende aannemelijk acht.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. In het bijzonder rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij ook nadat het slachtoffer was gestoken hem nog heeft geslagen.

De rechtbank is van oordeel dat de schop dient te worden verbeurd verklaard. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de in beslag genomen en aan hem toebehorende voorwerpen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 6 januari 2009

een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 23 januari 2009 uitgebracht door Reclassering Nederland.

Benadeelde partij

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1900,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt dat bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1100

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal voor wat het eigen risico betreft niet ontvankelijk worden verklaard als zijnde niet voldoende onderbouwd. Van de immateriële schade zal een deel groot €650,-- niet ontvankelijk worden verklaard vanwege de rol die het slachtoffer zelf heeft gespeeld bij de aanleiding tot de confrontatie.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 1100,- ten behoeve [slachtoffer].

De oplegging van de straf of maatregel is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 2 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank verklaart verbeurd de schop.

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de overige onder hem in beslag genomen goederen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 1100,-- vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 1100,--, ten behoeve van [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader/ mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. H.M. Schaak, voorzitter, mrs. M.A. Pot en M.A.A. ter Meer-Siebers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2009.

Mrs. H.M. Schaak en M.A.A. ter Meer-Siebers voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.