Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH4469

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-03-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
Awb 09/69
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in het kader van strafontslag (overtreden visserijwet en herhaald normoverschrijdend gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 09/69

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen:

A. te B.,

wonende te (..) verzoeker,

gemachtigde mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij de Nederlandse Politiebond te Woerden,

en

de korpsbeheerder van de Regiopolitie Flevoland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2008 (uitgereikt aan verzoeker op 12 januari 2009) is verzoeker door verweerder primair de straf van onvoorwaardelijk ontslag, als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j van het Besluit algemene rechtspositie Politie (Barp) opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim, met onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit ontslag.

Subsidiair is verzoeker met toepassing van artikel 94, eerste lid onder g en artikel 94, tweede lid van het Barp, eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid en/of ongeschiktheid voor het door verzoeker te bekleden ambt, anders dan op grond van lichaams- of zielsgebreken.

Namens verzoeker is op 27 januari 2009 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Gelijktijdig is namens verzoeker aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht

het besluit van 17 december 2008 te schorsen tot zes weken na het besluit op bezwaar.

Op 6 februari 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 februari 2009.

Verzoeker is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd.

Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningen-rechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ter zitting heeft verzoeker meegedeeld dat hij op dit moment alleen op afroep enige

werkzaamheden verricht en niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Reeds in verband hiermee kan verzoeker een spoedeisend belang bij

de gevraagde voorziening niet worden ontzegd.

Dit in aanmerking genomen, dient te worden nagegaan of met betrekking tot het besluit van verweerder d.d. 17 december 2008, het belang van verzoeker bij een onverwijlde voorziening opweegt tegen het belang van onmiddellijke uitvoering van bedoeld besluit.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van

de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandig-heden.

Verzoeker was vanaf 1 oktober 1977 in dienst van de politie (..) en is op 1 februari 1983 in dienst getreden bij de gemeentepolitie Almere. Sinds 1 maart 2007 was verzoeker werkzaam als groepschef bij de districtsrecherche van het district Noord.

Gedurende zijn loopbaan bij de regiopolitie Flevoland is verzoeker drie maal onderwerp geweest van intern onderzoek. In 2001 heeft een intern onderzoek plaatsgevonden in verband met overtreding van de Visserijwet. Dit onderzoek heeft uiteindelijk niet geleid tot een strafoplegging.

In 2006 is verzoeker voor de tweede maal onderwerp geweest van intern onderzoek in verband met een overtreding van de Visserijwet. Op 17 juni 2006 heeft verzoeker een bekeuring ontvangen voor het vissen met meer hengels dan is toegestaan. In verband met dit onderzoek heeft verzoeker een schriftelijke waarschuwing ontvangen, waarbij te kennen is gegeven dat verzoeker zich in de toekomst dient te onthouden van overtreding van de Visserijwet, hoe gering dan ook. Verzoeker is verder te kennen gegeven dat bij een volgende overtreding zijn positie mogelijk ter discussie zal worden gesteld.

Op 16 april 2007 werd bij de afdeling Milieu, Verkeer en Bestuurlijke Zaken van het district Zuid van de politie Flevoland, de melding ontvangen dat verzoeker tijdens een Visserijwet-controle samen met een vriend was betrapt, terwijl deze vriend negen snoekbaarzen in zijn bezit had. Deze melding heeft geleid tot een intern onderzoek. Uit het onderzoek kwam naar voren dat verzoeker had toegestaan dat zijn vriend de Visserijwet had overtreden en dat verzoeker zich tijdens de staandehouding op 26 maart 2007 niet had gedragen zoals van een politieambtenaar verwacht mag worden. Dit vormde aanleiding verzoeker bij besluit van 16 februari 2008 de straf van een eenmalige inhouding van het salaris over een halve maand op te leggen, als bedoeld in artikel 77, eerste lid onder, van het Barp. Verzoeker is daarbij gewezen op het feit, dat, indien hij zich in de toekomst wederom schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, dan wel enig ander plichtsverzuim, verdergaande disciplinaire maatregelen getroffen zullen worden, ontslag daaronder begrepen. Het namens verzoeker tegen dit besluit ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. Tegen deze ongegrondverklaring heeft verzoeker geen beroep ingesteld.

In mei 2008 vernam de chef van de districtsrecherche van het district Noord van de regiopolitie Flevoland, dat verzoeker zich ten opzichte van een drietal collega’s mogelijk onheus zou hebben gedragen.

Door de districtsrecherche is daarop besloten een feitenonderzoek in te stellen tegen verzoeker. In het kader van dit onderzoek werd verzoeker op 5 juni 2008 buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging. Op 12 juni 2008 is verzoeker een disciplinair onderzoek aangezegd in verband met mogelijke ongewenste intimiteiten/ongewenst gedrag. Bij besluit van 20 juni 2008 is verzoeker buiten functie gesteld. Uit het disciplinair onderzoek is naar voren gekomen dat verzoeker zich, ten opzichte van een drietal collega’s, in 2008 heeft schuldig gemaakt aan ongewenste omgangsvormen. Meer concreet is gebleken dat verzoeker:

1) de vrouwelijke collega (..) in 2008, ongewenst en ongevraagd, een klap tegen haar billen heeft gegeven;

2) de vrouwelijke collega (..) in 2008, tot twee maal toe heeft vastgepakt, terwijl zij had aangegeven daarvan niet

gediend te zijn;

3) de mannelijke collega (..) in 2008, ongevraagd en ongewenst, twee maal in zijn tepel

had geknepen, dan wel deze had omgedraaid;

4) de vrouwelijke collega (..) in 1996, heeft aangeraakt op een wijze waarvan zij niet

gediend was waarop zij verzoeker had aangegeven dat hij dat niet meer moest doen;

5) zich, onder meer tegen de stiefzoon van de vrouwelijke collega (..), op onbehoorlijke wijze had uitgelaten over

collega (..).

In verband met de uitkomst van dit onderzoek is aan verzoeker op 14 oktober 2008 het voornemen kenbaar gemaakt hem primair de straf van ontslag op te leggen en subsidiair ongeschiktheidsontslag. Namens verzoeker is op 24 oktober 2008 een schriftelijke zienswijze ingediend tegen dit voornemen. Kort hierna werd het bevoegd gezag bekend met het feit dat verzoeker op 22 oktober 2008 wederom de Visserijwet had overtreden. Verzoeker bleek te veel snoekbaarzen aan land te hebben gebracht en bleek met meer hengels dan is toegestaan, te hebben gevist. In de boot van verzoeker bleek een compartiment aanwezig waarin de snoekbaarzen werden aangetroffen. Tegen verzoeker is proces-verbaal opgemaakt.

Op 12 november 2008 is verzoeker in kennis gesteld van de uitbreiding van de ontslaggronden en is hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze daarop te geven. Deze schriftelijke zienswijze werd ontvangen op 18 november 2008. Verzoeker erkende de Visserijwet te hebben overtreden. Vervolgens heeft besluitvorming, plaatsgevonden, zoals in de vorige rubriek is aangegeven.

Verzoeker heeft erkend dat hij zich in 2006 en 2008 wegens overtreding van de Visserijwet schuldig heeft gemaakt aan een aantal gedragingen die als plichtsverzuim moeten worden gekwalificeerd. Verder acht verzoeker het ongepast dat hij een collega een klap op de billen heeft gegeven en dat hij zich terdege realiseert dat hij zich met dit gedrag schuldig maakte aan plichtsverzuim. Verzoeker heeft daarvan geleerd. Bij het bepalen van de strafmaat dient echter ook te worden betrokken dat in het kader van de Visserijwet gaat om relatief geringe overtredingen. Van “gelegenheidsstroperij” (illegaal vissen met als doel de verkoop van de vis) laat staan van “grove stroperij” (illegaal vissen met netten of fuiken) was immers geen sprake. Verzoeker acht de in het besluit gegeven kwalificaties (veel) te zwaar en stelt dat hij nimmer in de gelegenheid is gesteld zijn gedrag - indien er al sprake zou zijn van herhaald normoverschrij-dend gedrag - op dit punt te verbeteren. Uitgaande van de waardering van het plichtsverzuim acht verzoeker de opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag disproportioneel en is hij van oordeel dat ook voor een ongeschiktheidsontslag onvoldoende grond aanwezig is. Verzoeker heeft bij het korps een zeer lange (meer dan 30 jaar) en goede staat van dienst. Tenslotte heeft de gemachtigde van verzoeker gesteld dat eenzijdig is gezocht naar vermeende tekortkomingen in het gedrag van verzoeker.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het indienen van bezwaar in het stelsel van de Awb in beginsel geen schorsende werking heeft en dat voor toewijzing van het gevraagde voorafgaande aan de beslissing op bezwaar slechts plaats kan zijn als in dit stadium van de procedure met grote mate van waarschijnlijkheid moet worden geoordeeld dat (primair) het strafontslag en het ongeschiktheidsontslag (subsidiair) niet in stand kunnen worden gelaten.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Artikel 76 van het Barp bepaalt dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten bevat van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Artikel 77, eerste lid aanhef en onder j van het Barp bepaalt dat ontslag als straf kan worden opgelegd.

Ter zitting is door en namens verzoeker nogmaals erkend dat hem het nodige te verwijten valt en waar het gaat om de overtreding van de Visserijwet verzoeker zich zeker schuldig heeft gemaakt aan strafwaardig plichtsverzuim, hetwelk verzoeker temeer aan te rekenen valt aangezien hij een gewaarschuwd man was. Dit neemt niet weg dat verzoeker een onvoorwaardelijk stafontslag een te zware straf acht omdat onvoldoende rekening is gehouden met belangen van verzoeker en diens overigens goede staat van dienst. Voorts is verzoeker van oordeel dat verweerder aan de gedragingen van verzoeker jegens collegae een veel zwaarder gewicht heeft toegekend dan door de feiten wordt gerechtvaardigd. Het ongepaste gedrag is onderling opgelost. De betrokken collegae hebben geen klacht tegen verzoeker ingediend.

Gelet op het voorgaande is niet in geschil dat sprake is geweest van toerekenbaar plichts-

verzuim.

De voorzieningenrechter is vervolgens tot het oordeel gekomen dat de aan verzoeker opgelegde maatregel van disciplinair ontslag niet onevenredig is te achten aan de aard en de ernst van de aan verzoeker verweten gedragingen.

Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep mag/dient bij de beantwoording van de vraag of tussen de opgelegde straf en de gepleegde overtreding(en) onevenredigheid bestaat ook onder meer het doorgaande gedrag van de betrokken ambtenaar in aanmerking (te) worden genomen. Vast staat dat verzoeker zich zowel op 17 juni 2006, 27 maart 2007 en op 22 oktober 2008 - dus zelfs nadat hem een week eerder het voornemen kenbaar was gemaakt hem primair de straf van ontslag op te leggen en subsidiair ongeschiktheidsontslag – schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Visserijwet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder dit doorgaande gedrag van verzoeker en met name de op 22 oktober 2008 gepleegde overtreding van de Visserijwet terecht zeer zwaar heeft aangerekend. De langdurige en goede staat van dienst van verzoeker doet niet af aan het feit dat verzoeker nu meerdere malen en in een tijds-bestek van slechts drie jaar heeft gehandeld in strijd met de voor een politiekorps geldende strenge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid. Daarnaast acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker als leidinggevende een voorbeeldfunctie binnen het korps diende te vervullen, en hij een meer dan eens gewaarschuwd man was. In dit verband laat het besluit van 16 februari 2008 niets aan duidelijkheid te wensen over. Verzoeker heeft zich meerdere malen niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt en heeft hiermee het ambt in ernstige mate geschaad.

Ter zitting heeft verzoeker aangevoerd dat hij onvoldoende heeft beseft dat hij ook in zijn vrije tijd als politieman bekeken werd en hij inmiddels beseft dat hij zich ook in zijn vrije tijd voor 200% aan de wet moet houden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit besef te laat komt, gelet op met name de inhoud van het laatste besluit van 17 februari 2008 en het ook bij verzoeker als leidinggevende en executief politieambtenaar zonder meer bekend moet zijn geweest dat hij zich ook buiten diensttijd als een goed en betrouwbaar politieambtenaar diende te gedragen. Verzoeker is politiefunctionaris en verweerder moet volledig en onvoorwaardelijk op zijn integriteit kunnen vertrouwen. Verzoeker heeft dit vertrouwen in ernstige mate beschaamd, waarbij de voorzieningenrechter ook wijst op de voor een politieambtenaar ongepaste wijze waarop verzoeker zich bij de diverse controles heeft gedragen.

Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeker zich na het sanctiebesluit van 18 februari 2008 in contacten met collega’s niet heeft weten te gedragen, zoals van een goed politieambtenaar en een leidinggevende in het bijzonder, verwacht mag worden. Na genoemd besluit moet het voor verzoeker zonder meer duidelijk zijn geweest dat bij “soortgelijk of enig ander plichtsverzuim” verdergaande maatregelen getroffen zouden worden. Het slaan van een collega op de billen, het vastpakken van een collega nadat deze heeft aangegeven daarvan niet gediend te zijn en het omdraaien van de tepel van een collega, zijn allen feiten waaraan verzoeker zich na genoemd besluit schuldig aan heeft gemaakt en door verzoeker ook niet worden bestreden. Het betreffen hier voor iedereen geldende ongewenste omgangsvormen waaraan ook verzoeker zich had dienen te onthouden. Dat er een bepaalde vrije cultuur op de afdeling bestond kan niet als verontschuldiginggrond gelden en zo dit het geval mocht zijn had juist van verzoeker als leidinggevende mogen worden verwacht de grenzen hiervan goed in het oog te houden.

Deze grenzen zijn met het voorgaande gedrag naar het oordeel van de voorzieningenrechter overschreden.

De voorzieningenrechter is alles overziende van oordeel dat op dit moment niet met grote mate van waarschijnlijkheid dient te worden aangenomen dat verweerder het gegeven strafontslag in bezwaar niet zal kunnen handhaven. De voorzieningenrechter acht onvoldoende aanknopings-punten aanwezig om tot een onevenredigheid van de onderhavige strafoplegging te concluderen. Op grond hiervan kan bespreking van het subsidiair gegeven ongeschiktheidsontslag buiten bespreking blijven.

Verzoeker heeft ter zitting een beroep gedaan op coulance. Dit verzoek gaat de rechtmatig-heidstoets van de voorzieningenrechter te buiten maar kan bij de volledige heroverweging ex artikel 7:11 van de Awb in bezwaar bij verweerder aan de orde worden gesteld.

Er bestaat dan ook geen reden het besluit van 17 december 2008 te schorsen, zodat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier, op

Afschrift verzonden op: