Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH4463

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
Awb 07/1853
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond voor zover eiser heeft verzocht terug te komen op besluit van 1 februari 2008 waarbij hem geen WW uitkering is toegekend i.v.m. verwijtbaar werkloosheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/1853

Uitspraak

in het geding tussen:

A te B,

wonende te (..) eiser,

gemachtigde mr.drs. G.J.J.M. Pubben

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gevestigd te Amsterdam, kantoor Groningen, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat eiser voor zijn ontslag per 1 februari 2008 geen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) kan worden toegekend omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden.

Hiertegen is bij brief van 17 april 2008, ingekomen op 18 april 2008, bezwaar gemaakt.

De voormalige werkgever van eiser, gemeente Amsterdam, Stadsdeel Centrum heeft als belanghebbende deel genomen aan de bezwaarprocedure.

Op 15 augustus 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 5 september 2008 heeft verweerder het bezwaar formeel gegrond en materieel

ongegrond verklaard. Voor de aanvraag vanaf 1 februari 2008 wordt geen WW-uitkering verstrekt omdat eiser in 36 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid niet in tenminste 26 weken heeft gewerkt. Verder is het verzoek om herziening van de beslissing betreffende de aanvraag voor een werkloosheidsuitkering vanaf 1 februari 2005 afgewezen.

Bij brief van 10 oktober 2008, ingekomen op 14 oktober 2008, is beroep ingesteld.

Op 7 november 2008 is een verweerschrift d.d. 6 november 2008 ontvangen.

Op 12 december 2008 is voornoemde voormalige werkgever van eiser in de gelegenheid gesteld als belanghebbende deel te nemen aan het geding. Daarop is positief gereageerd bij brief van 19 december 2008.

Bij brief van 24 december 2008 heeft de gemachtigde van eiser gemeld dat hij als getuigen heeft opgeroepen (..) en (..). (..).

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 januari 2008.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd.

Eiser heeft als getuige alleen meegebracht (..).

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W. Prins.

Van de zijde van de voormalige werkgever van eiser is niemand verschenen.

2. Overwegingen

Tussen partijen is thans nog in geschil of verweerder heeft kunnen weigeren terug te komen op het besluit van 23 augustus 2005 waarbij eiser ingaande 1 februari 2005 WW-uitkering is geweigerd op de grond dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser was vanaf 1 september 1986 werkzaam bij de gemeente Amsterdam, Stadsdeel Amsterdam Centrum, laatstelijk bij de afdeling financiële administratie van de afdeling Beheer Onroerend Goed (BOG). Deze afdeling is onder meer belast met de inning en administratie van marktgelden. Bij besluit van 17 november 2004 is eiser met ingang van 8 november 2004 geschorst op verdenking van verduistering van een bedrag van € 778,34, betaald door een marktkoopman. Deze schorsing is bij besluit van 28 januari 2005 gevolgd door een onvoorwaardelijk strafontslag met ingang van 1 februari 2005.

Eiser heeft zich op 6 juli 2005 bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) gemeld teneinde een WW-uitkering aan te vragen. Bij besluit van 23 augustus 2005 heeft verweerder eiser blijvend en geheel WW-uitkering geweigerd op de grond dat eiser verwijtbaar werkloos is geacht. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit, zodat het in beginsel onherroepelijk is geworden.

Eiser heeft wél zijn ontslag aangevochten. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2006 is het ontslagbesluit geschorst in die zin dat er voldoende grondslag aanwezig werd geacht om de salarisbetalingen aan eiser te doen hervatten vanaf 8 december 2005, de datum waarop het verzoek om een voorlopige voorziening werd ingediend, tot 6 weken na de uitspraak in de beroepsprocedure. Bij uitspraak van 14 december 2006 heeft de rechtbank van Amsterdam eisers beroep tegen het besluit op bezwaar inzake zijn strafontslag gegrond verklaard op de grond dat het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en een voldoende motivering ontbeerde. De rechtbank bepaalde dat het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam Centrum van de gemeente Amsterdam een nieuw besluit op het bezwaar tegen het strafontslag diende te nemen. Deze uitspraak van de rechtbank is vervolgens vernietigd bij uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 januari 2008. De CRvB heeft tevens eisers beroep tegen het strafontslag ongegrond verklaard. De CRvB heeft daarbij aangegeven dat voldoende aannemelijk is dat er sprake is geweest van plichtsverzuim.

Op 30 januari 2008 heeft eisers voormalige werkgever eiser schriftelijk gemeld dat het over de afgelopen periode ontvangen salaris niet van eiser zal worden teruggevorderd.

Vervolgens heeft eiser zich op 4 februari 2008 opnieuw bij de CWI gemeld om een WW-uitkering aan te vragen. De betreffende aanvraag is op 7 februari 2008 ingediend.

Dit heeft geleid tot de onder rubriek 1 weergegeven besluitvorming.

Namens eiser is tegen het besluit op bezwaar van 5 september 2008 in beroep -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

Eiser is van mening dat hij niet verwijtbaar werkloos is. Hij ontkent en heeft altijd ontkend dat hij het plichtsverzuim dat hem door zijn ex-werkgever is verweten, heeft begaan. Hij heeft geen geld aangenomen en/of ontvangen van de marktkoopman en hoefde dus ook niets af te dragen. Eiser vindt het oordeel van de CRvB onbegrijpelijk. Bovendien is strafontslag door plichtsverzuim niet te vereenzelvigen met verwijtbare werkloosheid.

De beslissing van 23 augustus 2005 dient te worden herzien omdat op grond van nadien gebleken en ingebrachte nieuwe feiten en omstandigheden geconcludeerd moet worden dat de werkloosheid van eiser met ingang van 1 februari 2005 niet verwijtbaar is, waardoor eiser alsnog een WW-uitkering zou moeten worden toegekend met ingang van 1 februari 2005.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft eisers aanvraag d.d. 7 februari 2008 in bezwaar (deels) gezien als verzoek om van het eerder genomen besluit van 23 augustus 2005 terug te komen. In het besluit op bezwaar is vervolgens gemotiveerd mede beslist op genoemd verzoek.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, aldus handelend, in overeenstemming met artikel 7:11 van de Awb, heeft beslist. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bestreden besluit is aan te merken als het resultaat van de volledige heroverweging waartoe verweerder gehouden was, zodat het beroep ontvankelijk wordt verklaard.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de aanvraag van eiser naar zijn strekking en bewoordingen is te zien als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Verweerder heeft op deze wijze gehandeld in het bestreden besluit.

Bij de toetsing dient de rechtbank vervolgens het oorspronkelijke afwijzingsbesluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Indien het bestuurorgaan de oorspronkelijke afwijzing handhaaft, kan dit dus niet de weg openen naar een toetsing als betrof het het oorspronkelijke besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.

De rechtbank is van oordeel dat de namens eiser overgelegde gegevens en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet zijn te zien als nieuw gebleken feiten en omstandigheden waarin verweerder aanleiding had moeten zien om het oorspronkelijke besluit te herzien. Daarbij tekent de rechtbank in de eerste plaats aan dat nieuwe argumenten op zichzelf niet zijn te zien als nieuwe feiten, terwijl de door eiser aangevoerde argumenten bovendien eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht. In feite heeft eiser slechts zijn standpunt herhaald dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden. Mede in verband hiermee heeft de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:63, lid 2, van de Awb, afgezien van het horen van de door eiser meegebrachte getuige. Het horen van de getuige kon naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat niet is gebleken waarom de getuige niet eerder een verklaring had kunnen afleggen.

De rechtbank stelt voorts vast dat de uitspraken in de ontslagprocedure weliswaar kunnen worden gezien als nieuwe feiten, maar voor verweerder geen aanleiding hadden moeten geven om het besluit van 23 augustus 2003 te herzien. In dit kader verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de omstandigheid dat door de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2008 het strafontslag is bevestigd.

De namens eiser genoemde documenten en verklaringen, zoals het onderzoeksrapport van het Bureau Integriteit, de analyse daarvan door eisers raadsman, de verklaringen van psychiater Velleman en een contra-expertise handschriftanalyse van ter Kuile Haller, zijn nadrukkelijk meegewogen door de CRvB in eerdergenoemde procedure en worden om die reden door de rechtbank niet aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden in vorenbedoelde zin.

Ook aan de omstandigheid dat de voormalige werkgever van eiser na de genoemde uitspraak van de CRvB heeft afgezien van het terugvorderen van onverschuldigde betalingen kan de rechtbank niet de door eiser gewenste gevolgen verbinden.

Gelet op bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid tot de weigering om terug te komen op het besluit van 23 augustus 2005 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Het beroep, dat is gericht tegen dit onderdeel van het bestreden besluit, dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.G. van Arem, voorzitter, mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en mr. E. Steendijk, rechters en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. D. Hardonk-Prins als griffier, op

Afschrift verzonden op: