Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH4443

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
Awb 08/1262
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering persoonsgebonden vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor gebruik voor permanente bewoning van recreatiewoning in Heino. Beroep ongegrond. Niet gezegd kan worden dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde vrijstellingen heeft kunnen overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/1262

Uitspraak

in het geding tussen:

A en B,

beinden wonende te Heino, eisers,

gemachtigde mr. F.J.M. Kobossen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte, verweerder.

1.Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft verweerder geweigerd eisers een persoonsgebonden vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het gebruik voor permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel (…) te Heino.

Bij brief van 1 april 2008 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 juli 2008 is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 1 augustus 2008 hebben eisers hiertegen beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brieven van 28 augustus 2008, 23 september 2008 en 1 oktober 2008.

Bij brieven van 25 augustus 2008 en 5 januari 2009 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Bij brief van 17 oktober 2008 heeft verweerder verweer gevoerd.

Het beroep is op 20 januari 2009 behandeld ter zitting. Eisers zijn niet verschenen, maar hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtige voornoemd. Verweerder was aanwezig bij B. Bolink en M. Luikens.

2.Overwegingen

Eisers gebruiken hun recreatiewoning gelegen aan de (…), gelegen in recreatiepark de Stoevinghe, voor permanente bewoning. Het grondgebied waarop de recreatiewoning van eisers is gelegen heeft tot 1 januari 1997 toebehoord aan de gemeente Dalfsen en behoort vanaf 1 januari 1997 toe aan de gemeente Heino. Het college van burgemeester en wethouders van Dalfsen heeft met ingang van 1 juli 1994 (gedoog/handhavings)beleid vastgesteld omtrent permanente bewoning van recreatiewoningen in dit gebied. Bij de gemeentelijke herindeling op 1 januari 2001 is de gemeente Heino gevoegd bij de gemeente Raalte. Eisers bewonen hun woning vanaf 26 augustus 2002 onafgebroken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) juncto artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) geweigerd. Volgens verweerder is op 31 oktober 2003 en daarvoor sprake geweest van een duidelijk en concreet uitvoeringsbeleid doordat verweerder altijd actief, helder en consequent heeft uitgedragen dat het bewonen van recreatiewoningen op grond van de bepalingen in diverse bestemmingsplannen niet is toegestaan.

Namens eisers is aangevoerd dat geen sprake is van een door verweerder gevoerd handhavingsbeleid in de zin van artikel 20, vijfde lid, van het Bro aangezien in ieder geval tot en met 31 oktober 2003 geen uitvoering aan het vastgestelde beleid is gegeven. Verweerder heeft de weigering om vrijstelling te verlenen dan ook ten onrechte op dit artikel gebaseerd, aldus eisers. Volgens eisers handelt verweerder in strijd met het verbod op reformatio in peius. De bezwaarcommissie heeft zich ten onrechte een oordeel gevormd over permanente bewoning van de recreatiewoning op 31 oktober 2003. Eisers beroepen zich op het gelijkheidsbeginsel en verwijzen naar het toestaan van permanente bewoning aan de (…) te Raalte in het dossier “(…)”.

Met ingang van 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en met ingang van die datum is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Volgens het overgangsrecht – artikel 9.1.11 van de Invoeringswet Wro – blijven de bepalingen uit de WRO van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 juli 2008.

Artikel 19, derde lid, van de WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (Bro), zoals dat sinds 1 juni 2007 luidt, komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, WRO in aanmerking een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning ten behoeve van bewoning, mits:

1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden;

3e. de aanvrager voor, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

Ingevolge artikel 20, vijfde lid, van het Bro wordt vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, onder g, in elk geval geweigerd, indien verlening in strijd zou zijn met door de gemeente op 31 oktober 2003 gevoerd handhavingsbeleid ten aanzien van het gebruik van recreatie-woningen.

Ter plaatse is van toepassing het bestemmingsplan “Recreatieterrein Twentseweg e.o.”, vastgesteld door de gemeenteraad van Dalfsen op 28 augustus 1995. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het terrein de bestemming “Recreatieve doeleinden, categorie RW”.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor recreatiewoningen en bij recreatiewoningen passende voorzieningen, zoals deze nader in het bestemmingsplan zijn aangeduid.

Ingevolge artikel 8, derde lid, van de planvoorschriften is het verboden de in artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften genoemde gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het bestemmingsplan aan deze gronden en bouwwerken gegeven bestemming(en).

Vaststaat dat het gebruik van de recreatiewoning voor permanente bewoning in strijd is met de vigerende bestemmingsplanvoorschriften.

Voorts wordt voldaan aan de in artikel 20, aanhef en onder g, van het Bro 1985 neergelegde vereisten. Anders dan eisers menen heeft verweerder niet gehandeld in strijd met het verbod op reformatio in peius. Volgens het bestreden besluit gaat verweerder, in afwijking van het advies van de commissie Bezwaarschriften, er van uit dat eisers in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik hadden en deze sedertdien onafgebroken bewonen. Aan de vereisten neergelegd in artikel 20, eerste lid,aanhef en onder g, van het Bro 1985 wordt voldaan.

Verweerder heeft in november 2004 handhavingsbeleid inzake permanente bewoning van recreatiewoningen vastgesteld en bekendgemaakt, zodat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van het Bro 1985. Onder verwijzing naar de Nota van Toelichting op de wijzing van het Bro 1985 van 9 maart 2007 (Stb 2007, nr. 107) merkt de rechtbank hierbij op dat artikel 20, vijfde lid, van het Bro 1985 niet met zich brengt dat bij het ontbreken van op 31 oktober 2003 gevoerd handhavingsbeleid de gevraagde vrijstelling moet worden verleend. Verweerder was niet gehouden de gevraagde vrijstelling te verlenen, maar was daartoe wel bevoegd.

Beoordeeld dient te worden of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de weigering om de vrijstelling te verlenen heeft kunnen komen, waarbij, blijkens vorenbedoelde toelichting op de betreffende wetsbepaling, strenge eisen worden gesteld aan de motiveringsplicht van verweerder.

Eisers zijn sinds 1987 in de omgeving van Heino woonachtig en hebben vanwege hun leeftijd en sociale binding de recreatiewoning aan de (…) op 26 augustus 2002 permanent betrokken. Uit de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder ook bij het ontbreken van handhavingsbeleid consistent is opgetreden tegen permanente bewoning van recreatiewoningen in recreatiegebied de Stoevinghe. Blijkens de stukken is door de voormalige gemeente Heino in 1999 handhavend opgetreden tegen permanente bewoning van de recreatiewoningen aan de (…) en (..) te Heino. Ook ten aanzien van recreatiewoningen gelegen in Parc Salland is onweersproken gesteld dat verweerder de verkoper van recreatiewoningen in 2003 schriftelijk heeft verzocht de tekst van verkoopadvertenties van recreatiewoningen aan te passen in die zin dat permanente bewoning niet is toegestaan.

Gesteld noch gebleken is dat eisers op het moment dat zij de woning permanent bewonen bij de gemeente Raalte navraag hebben gedaan of dit was toegestaan. Voorts is niet gesteld dat verweerder aan eisers heeft toegezegd of het vertrouwen heeft gewekt dat permanente bewoning van de woning zou zijn toegestaan.

Dat verweerder niet eerder dan op 14 augustus 2007 een plan van aanpak ten aanzien van de permanente bewoning van recreatiewoningen heeft vastgesteld en is over gegaan tot het daadwerkelijk uitvoeren van handhaving is het gevolg van prioriteiten en de beschikbaarheid van middelen bij verweerder. De omstandigheid dat verweerder in de periode van 2004 tot 2008 niet daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven aan zijn handhavingsbeleid is geen argument voor vrijstelling. Eisers hebben in deze periode het voordeel genoten dat verweerder niet handhavend tegen bewoning van de recreatiewoning is opgetreden. Eisers kunnen aan deze omstandigheid niet het vertrouwen ontlenen dat permanente bewoning is toegestaan.

Eisers hebben verwezen naar het dossier “(…)” In tegenstelling tot dit dossier heeft verweerder aan eisers niet tegengeworpen dat zij niet voldoen aan het vereiste van artikel 20, aanhef en onder g sub 3, van het Bro 1985. Dit maakt het toekennen van een persoongebonden beschikking niet noodzakelijk, nu als hiervoor is overwogen van het uitblijven van de daadwerkelijke uitvoering van het handhavingsbeleid geen sprake geweest.

Gezien het vorenstaande kan niet worden gezegd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot weigering van de gevraagde vrijstellingen heeft kunnen overgaan.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

3Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. Sulenta als griffier, op

Afschrift verzonden op: