Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH3550

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
07/630313-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsmotivering, groepsverkrachting, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.630313-08

Uitspraak: 27 januari 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren [geboorteplaats]

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2009. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

De officier van justitie, mr. S.T.C. van der Werf, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot:

- gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren,

- met aftrek van voorarrest,

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij ten bedrage van € 7442,50,

- hoofdelijk,

- en oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De rechtbank overweegt allereerst dat in het dossier enerzijds valt te constateren dat de verklaringen van aangeefster op hoofdlijnen consistent en soms ook gedetailleerd zijn te noemen. Daar staat echter tegenover dat verschillende getuigen uit de omgeving van aangeefster hebben verklaard omtrent de omgang van aangeefster met jongens/mannen en sex. Te denken valt hierbij met name aan hetgeen [getuige 1] heeft verklaard, zoals valt te lezen op de pagina’s 321 en 322 van het dossier: “Volgens mij had zij controle op het fenomeen jongen en tegelijkertijd denk ik, ontleende zij zich daar enige vorm van identiteit aan” en “Ik weet het niet; ze had soms ook gewoon dat ze even voor de fun een jongetje van school de kop gek maakte en een keer overheen ging, zelfs voor geld”. Ook[getuige 2] heeft verklaard over het feit dat aangeefster reeds op relatief jonge leeftijd verschillende seksuele relaties had. Verwezen zij hierbij naar hetgeen is vermeld op pagina’s 291 en 292 van het dossier. Daarnaast verwijst de rechtbank naar hetgeen [getuige 3] heeft verklaard, zoals vermeld op pagina 275 van het dossier: “(…) [X] is degene die het meest met jongens dingen doet en zo. (…) Met ze naar bed gaan enzo. Niet met [Y] maar meer met jongens van buitenlandse afkomst. Ze hangt veel op straat en dan komt ze die jongens tegen.”

Een en ander heeft de rechtbank ertoe gebracht terughoudendheid te betrachten bij het toekennen van gewicht aan alle onderdelen van de verklaringen van aangeefster en met name te letten op de aanwezigheid van zo objectief mogelijke aanknopingspunten die het relaas van aangeefster zouden kunnen ondersteunen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 2], [getuige 3] [getuige 4] en [getuige 5] kunnen worden gebezigd voor bewezenverklaring van de feiten 1 en 3. In deze verklaringen worden echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete tijdstippen en/of locaties genoemd om deze verklaringen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, toereikend te achten als steunbewijs voor de door aangeefster gerelateerde gebeurtenissen die als de feiten 1 en 3 zijn tenlastegelgd. De verdachte dient, gelet op het voorgaande, van het onder 1 en 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen op basis van de verklaring van aangeefster, die een concrete woning

([adres] te Kampen) heeft aangewezen en daarbij een plattegrond van de woning heeft getekend die overeenkomt met de inrichting van de woning, getuige de zich in het dossier bevindende foto’s van het betreffende pand. Daarnaast heeft de bewoonster van de [adres], getuige [getuige 6], verklaard dat zij verdachte en [medeverdachte] kent en dat beiden – gelijktijdig – bij haar in de woning zijn geweest. [getuige 6] heeft een groene slip gevonden die niet van haar (of haar dochter) is, terwijl aangeefster heeft verklaard dat een groene slip van haar is achtergebleven in de woning. De door getuige Koster gevonden groene slip is aangetroffen in de slaapkamer van haar dochter, waar een eenpersoonsbed staat hetgeen overeenkomt met de door aangeefster afgelegde verklaring dat zij in een slaapkamer is geweest waar een eenpersoonsbed stond. [getuige 7] heeft bovendien aangeefster, verdachte, [medeverdachte] en nog een “zwarte” man gelijktijdig in de woning aan de [adres] gezien.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij in de periode van 01 april 2007 tot en met 8 mei 2008 te Kampen in een woning gelegen aan de [adres], tezamen en in vereniging met anderen door feitelijkheden [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebbende verdachte en zijn mededaders die [benadeelde partij] gedwongen te dulden dat verdachte en zijn mededaders hun penissen in de vagina en/of in de mond van die [benadeelde partij] duwden, en bestaande die feitelijkheiden hierin dat verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- tegen die [benadeelde partij] heeft/hebben gezegd dat zij op de slaapkamer moest blijven en/of dat zij hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) moest pijpen en/of neuken en/of

- die [benadeelde partij] heeft/hebben geduwd op het bed en/of onverhoeds op die [benadeelde partij] is/zijn gaan liggen en/of

- nadat die [benadeelde partij] heeft gezegd dat zij niet wilde en begon tegen te stribbelen en kenbaar had gemaakt dat zij geen seksuele handelingen wilde dulden of plegen, zijn/hun penis(sen) onverhoeds en/of met kracht in de vagina en/of de mond van die [benadeelde partij] heeft/hebben geduwd en/of

- die [benadeelde partij] heeft/hebben vastgehouden terwijl één of meer van zijn, verdachtes, mededader(s), zijn/hun penis(sen) duwden in de vagina en/of de mond van die [benadeelde partij]) en/of aldus telkens voor die [benadeelde partij] een bedreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan;

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Medeplegen van verkrachting, strafbaar gesteld bij artikel 242 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

De rechtbank rekent het verdachte ook zeer ernstig aan dat en zijn mededader(s) een jong meisje van 15 jaar hebben gedwongen tot het langdurig ondergaan van ernstige en ruwe seksuele gedragingen, gelijktijdig gepleegd door meerdere personen, tegen haar wil. Een dergelijke brute en ruwe groepsverkrachting van een jong meisje rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank eveneens een langdurige vrijheidsstraf

Echter gelet op het feit dat de rechtbank niet komt tot een bewezenverklaring ten aanzien van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten komt de rechtbank tot een aanzienlijk lagere vrijheidsstraf dan door de officier van justitie geëist.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 november 2008;

- een de verdachte betreffend vroeghulpformulier d.d. 30 juli 2008 uitgebracht door mw. J. Groen, reclasseringswerker Tactus Zwolle.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27 en 36f.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2 bewezen verklaarde feit.

Het slachtoffer heeft één vordering tegen meerdere verdachten ingediend, van in totaal

€ 7442,50. De rechtbank is van oordeel dat tegen de achtergrond van het bewezen verklaarde feit en het aandeel daarin van de verdachte het navolgende bedrag ten opzichte van het totaal van de door aangeefster ingediende vordering voor toewijzing vatbaar is.

De rechtbank zal, gelet op het door het slachtoffer ingevulde voegingsformulier en de daarbij gevoegde bijlagen, als voorschot een bedrag van € 2500,-- toewijzen.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor deze schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van

€ 2500,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het onder 1 en 3 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te Zwolle, van een bedrag van € 2500,-- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader/mededaders betaalt/betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 2500,--, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Sijnstra - Meijer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2009.