Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH3085

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-02-2009
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
Awb 08/756
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank verklaart beroep tegen weigering panden Melkmarkt 1-5, 7 en 9 te Zwolle aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 08/756

Uitspraak

in het geding tussen:

Stichting Bankgebouw Van Straaten,

gevestigd te Zwolle, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,

verweerder.

en

Roo-Haen V.O.F.,

DLH Ontwikkeling B.V.,

DLH Vastgoed B.V., allen gevestigd te Zwolle, belanghebbenden,

gemachtigde: mr. A.M. Ubink, advocaat te Zwolle,

1Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2007, verzonden 29 mei 2007, heeft verweerder het verzoek van eiseres om aanwijzing van de panden Melkmarkt 1-5, 7 en 9 te Zwolle als beschermd gemeentelijk monument afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 8 juli 2007 bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het hier bestreden besluit d.d. 27 maart 2008 ongegrond is verklaard.

Bij brief van 6 mei 2008 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld, aangevuld bij brief van 4 augustus 2008. Verweerder heeft op 22 augustus 2008 een verweerschrift ingezonden. Belanghebbenden hebben, na daartoe bij brief van 3 oktober 2008 in de gelegenheid te zijn gesteld, bij brief van 27 oktober 2008 een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 januari 2009. Eiseres is vertegenwoordigd door ing. H.M.M. Schuttenbeld en drs. P.G. Faber. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C.S. van Dop en mr. H.L. Kranenborg. Namens belanghebbenden is verschenen D.L. Huiskamp, directeur DLH Vastgoed B.V., tevens bestuurder van Roo-Haen V.O.F., bijgestaan door mr. Ubink, voornoemd.

2Overwegingen

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De drie afzonderlijke panden Melkmarkt 1-5, 7 en 9, te Zwolle zijn eigendom van belanghebbenden. De eigenaar van de panden heeft het voornemen de bestaande panden te slopen en ter plaatse nieuwbouw te realiseren. Het bouwplan gaat uit van een nieuw complex met circa 3000m2 bruto vloeroppervlak voor winkels en horeca, 28 woningen en een ondergrondse fietsenstalling. Het bouwplan voorziet in een passage tussen de Melkmarkt en de Luttekestraat. Hiervoor is op 22 december 2005 een bouwvergunning aangevraagd. Voor de betreffende panden is op 5 april 2006 een sloopvergunning aangevraagd. Verweerder is voornemens een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) te verlenen. In 2005 is het voorontwerpbestemmingsplan Beschermd Stadsgezicht, vijfde partiële herziening, ter inzage gelegd. In de zomer van 2005 hebben gedeputeerde staten van de provincie Overijssel een algemene verklaring van geen bezwaar afgegeven voor het voorontwerp. Bij afzonderlijke brieven van 6 juli 2006 heeft eiseres verweerder verzocht de panden aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument. Op 21 november 2006 heeft monumentencommissie Het Oversticht positief geadviseerd over de aanwijzing van de panden als gemeentelijk monument. Bij brief van 6 maart 2007 heeft verweerder eiseres kennisgegeven van haar voornemen het verzoek af te wijzen en haar in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. Eiseres heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bij brieven van 2 en 27 april 2007. Daarnaast is eiseres op 3 mei 2007 in de gelegenheid gesteld haar zienswijze mondeling toe te lichten. Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden als vermeldt onder het kopje ‘procesverloop’.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Monumentenverordening 2004 wordt onder monument verstaat een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening 2004 kunnen burgemeester en wethouders, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerende zaak aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Monumentenverordening 2004 vragen burgemeester en wethouders over de aanwijzing advies aan de monumentencommissie voordat zij een besluit nemen. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.

Tussen partijen is niet in geschil dat de betrokken panden monumentale waarden vertegenwoordigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Monumentenverordening 2004. Dit laat onverlet dat het aanwijzen van een monument als beschermd gemeentelijk monument geen verplichting, maar een bevoegdheid betreft, waarvan slechts gebruik wordt gemaakt na afweging van alle betrokken belangen. Dit betekent dat, naast het belang van het behoud van beschermwaardige panden, de (financiële) belangen van de eigenaar alsmede planologische belangen als rechtstreeks mee te wegen belangen bij de belangenafweging een rol spelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, anders dan in de door eiseres ter zitting genoemde jurisprudentie, sprake is van een reeds geheel uitgewerkt bouwplan waarvoor bouwvergunning is aangevraagd en een procedure ex artikel 19, eerste lid, WRO is opgestart, waarbij verweerder het voornemen heeft de vrijstelling te verlenen.

Beoordeeld moet worden of verweerder bij afweging van alle belangen in redelijkheid hebben kunnen besluiten de panden niet aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder bij het nemen van zijn besluit veel gewicht heeft kunnen toekennen aan de omstandigheid dat de eigenaar ter plaatse een bouwplan wenst te realiseren dat sloop van de panden onvermijdelijk maakt. Hierbij is van belang dat het bouwplan past in de gemeentelijke plannen voor herontwikkeling van (onder meer) de Melkmarkt, als weergegeven in het ‘Ontwikkelingsprogramma binnenstad 2015’. Ondanks de omstandigheid dat de bouwvergunning en de benodigde vrijstelling nog niet definitief zijn verleend is inmiddels sprake van een voldoende concreet en uitgewerkt beeld van de toekomstige inrichting van de Melkmarkt, inclusief het door belanghebbenden te realiseren bouwplan. Verweerder heeft in de belangenafweging mogen betrekken de omstandigheid dat bij behoud van de panden, een aantal in het kader van de herontwikkeling van de Melkmarkt gewenste voorzieningen (gedeeltelijk) zullen wegvallen zoals de voorziene fietsenkelder en de passage van de Melkmarkt naar de Luttekestraat. Voorts heeft verweerder voldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat bij behoud van de panden minder winkel- en woonruimte zal worden gerealiseerd, waardoor de primaire route tussen Grote Markt en Rodetorenplein minder zal worden versterkt.

Verweerder heeft in de belangenafweging voorts mogen betrekken dat het behoud van de panden financiële consequenties zal hebben voor de ontwikkeling van het project. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat evident is dat met het maken van een nieuw ontwerp waarbinnen de panden behouden blijven extra kosten gemoeid zullen zijn. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld, dat deze kosten gelet op de vergaande planontwikkeling aanzienlijk zullen zijn. De reeds gemaakte kosten voor het huidige bouwplan zijn dan immers voor niets geweest. Daarnaast heeft verweerder in het primaire besluit van 22 mei 2007 uitgebreid gemotiveerd waarom bij behoud van de panden een lagere opbrengst per vierkante meter zal kunnen worden gerealiseerd. Voldoende aannemelijk is dan ook dat behoud van de panden aanzienlijke financiële gevolgen zal hebben voor de eigenaar van de panden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de planologische belangen alsmede de financiële belangen van de eigenaar van de panden in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen bij aanwijzen van de panden Melkmarkt 1-5, 7 en 9 als beschermd gemeentelijk monument.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Keukenmeester als griffier, op

Afschrift verzonden op: