Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH2674

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
12-02-2009
Zaaknummer
07.607248-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geldigheid dagvaarding, Onrechtmatige aanhouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607248-08

Uitspraak: 3 februari 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

verblijvende in het Huis van bewaring te Doetinchem.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Th. U. Hiddema, advocaat te Maastricht.

De officier van justitie, mr. B.E.M. van de Ven, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

VOORVRAGEN

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de dagvaarding ten aanzien van het eerste feit nietig dient te worden verklaard nu deze onvoldoende feitelijk en duidelijk is.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank overweegt daartoe dat in de tenlastelegging voldoende feitelijk en ook duidelijk is omschreven waaruit de valsheid van de passen en het gebruik daarvan heeft bestaan. Gedurende het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank overigens niet gebleken dat daarover bij de verdachte onduidelijkheid heeft bestaan.

BEWIJS

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de aanhouding van verdachte op onrechtmatige wijze heeft plaats gevonden, nu er op het moment van aanhouding geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Al hetgeen wat uit deze onrechtmatige aanhouding voorvloeit dient daarom te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 mei 2001 (LJN: AB1566) de reikwijdte van het begrip vormverzuimen in het vooronderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering beperkt. In dit arrest oordeelt zij dat verzuim van vormen bij de aanhouding en de inverzekeringstelling geen vormverzuimen zijn in de zin van artikel 359a Sv indien de rechter-commissaris hier al over heeft geoordeeld of kon oordelen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op een onaanvaardbare wijze worden gekruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de aanhouding of de inverzekeringstelling die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd.

Reeds om deze reden is de rechtbank van oordeel dat van bewijsuitsluiting geen sprake kan zijn. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat uit het proces verbaal van bevindingen met nummer 200805466-6 volgt dat er ten tijde van de aanhouding van verdachte sprake was van een voldoende redelijk vermoeden van schuld.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1.

Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een valse pas als ware deze echt en onvervalst, strafbaar gesteld bij artikel 47 en 232 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, strafbaar gesteld bij artikel 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

3.

Medeplegen van opzettelijk een betaalpas valselijk opmaken, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, strafbaar gesteld bij artikel 47 en 232 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het eerste en tweede strafbare feit is het eerste lid van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing en ten aanzien van het eerste en derde feit is het tweede lid van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat in aanmerking genomen dat verdachte de feiten puur uit winstbejag heeft gepleegd. Door zijn handelwijze heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen van de consument in zowel het betaalnetwerk als de pinpas. Daarnaast heeft de handelwijze geleid tot financiële schade voor de Nederlandse banken.

De rechtbank is van oordeel dat de onder de nummers 1 tot en met 6, 10 en 14 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen dienen te worden verbeurdverklaard.

De rechtbank is van oordeel dat de onder de nummers 7 tot en met 9 en 12 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen dienen te worden ontrokken aan het verkeer.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten de aan hem toebehorende, onder nummer 11 en 13 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 33 en 33a, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank verklaart verbeurd de onder de nummers 1 tot en met 6, 10 en 14 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen.

De rechtbank verklaart ontrokken aan het verkeer de nummers 7 tot en met 9 en 12 op de lijst van inbelaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen.

De rechtbank gelast de teruggave van de onder de nummers 11 en 13 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen aan de verdachte.

Aldus gewezen door mr. H.M. Schaak, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en G. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2009.

Mr. G. Neppelenbroek voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.