Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BH1237

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
29-01-2009
Zaaknummer
07/400230-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs, vrijheidsberoving, gemotiveerde uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400230.08

Uitspraak: 6 januari 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortejaar]

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. D. van den Berg, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van het voorarrest.

- opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat er sprake is geweest van zodanige feiten en omstandigheden dat van wederrechtelijke vrijheidsberoving gesproken kan worden. De rechtbank overweegt hierbij dat het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden op de openbare weg in de aanwezigheid van twee andere personen en dat verdachte het het slachtoffer niet onmogelijk heeft gemaakt om van hem weg te gaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 27 september 2008 in de gemeente Zwolle opzettelijk mishandelend een persoon te weten [naam], eenmaal tegen het hoofd heeft geslagen en krachtig in diens bovenarm heeft gebeten, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest een passende sanctie.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 29 september 2008;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. E.M. de Veij Mestdagh, voorzitter, mrs. F. Koster en L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.M.A.T. van der Geest als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2009.

.