Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BG9482

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-01-2009
Datum publicatie
12-01-2009
Zaaknummer
416208 CV 08-3036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantzonzaak, arbeidsrecht. Vraag of werkgeefster mocht overgaan tot plaatsing van werknemer in lagere, niet-leidinggevende functie met afbouw salaris. Geen zwaarwichtige redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0046
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknr.: 416208 CV EXPL 08-3036

datum : 8 januari 2009

Vonnis in de zaak van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. C.J.M. Fens,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KREHALON INDUSTRIE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M.A. Zegering Hadders.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van de gedaagde partij

- de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

Eiser vordert verklaring voor recht dat gedaagde hem ten onrechte uit zijn functie van assistent voorman heeft geplaatst, een opdracht aan gedaagde om eiser binnen twee weken na het vonnis weer toe te laten tot de uitoefening van zijn functie van assistent voorman, op straffe van een dwangsom, gedaagde op te dragen om vanaf 1 september 2008 aan hem te betalen het loon behorende bij de functie van assistent voorman en gedaagde op te dragen binnen twee weken na het vonnis door middel van een memo aan de afdeling extrusie bekend te maken dat eiser ten onrechte uit zijn functie van assistent voorman is geplaatst, ook op straffe van een dwangsom, alles met veroordeling van gedaagde in de proceskosten. Gedaagde heeft de vordering betwist.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. Eiser is op [datum] bij gedaagde in dienst getreden en vervulde tot [datum] de functie van assistent voorman extrusie tegen een loon van € 2.537,- bruto per maand, te verhogen met een vaste ploegentoeslag van 28%.

b. Op [datum] is eiser uit zijn functie van assistent voorman extrusie ontheven en geplaatst in de (lagere) functie van allround operator, welke maatregel werd vergezeld met een salarisafbouw in twee fasen van elk één jaar.

c. Als grond voor deze maatregel heeft gedaagde aangevoerd dat eiser in de onderneming tegenover diverse collega’s kenbaar heeft gemaakt dat hij weet wie de dader is van de vernieling van de deur van de “rookruimte” in het bedrijf in december 2004, en dat hij die naam desgevraagd niet aan de directie van gedaagde heeft willen prijsgeven.

d. Met ingang van 1 september 2008 is aan eiser een lager salaris uitbetaald dan behorende bij zijn functie van assistent voorman extrusie, één en ander conform het aan hem meegedeelde afbouwschema.

2.

Eiser heeft ter toelichting van zijn vordering het volgende, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd.

In december 2004 is in het bedrijf van gedaagde schade aangericht aan de deur van de rookruimte. Ondanks een uitgebreid onderzoek is onbekend gebleven wie de veroorzaker van de schade is geweest. Op 14 april 2008 heeft de directie van gedaagde aan eiser meegedeeld dat er geruchten gingen dat hij zou weten wie de dader is geweest. Eiser heeft die informatie dadelijk, schriftelijk, tegengesproken. Ten tijde van het onderzoek heeft hij indertijd aangegeven wel een vermoeden te hebben in welke ploeg de dader gezocht zou moeten worden. Hij heeft ook verklaard zich niet te kunnen herinneren ooit tegen een collega te hebben gezegd dat hij wel wist wie de vernieling zou hebben aangericht. Gedaagde heeft hem tijdens een tweede bespreking over het incident met twee collega's geconfronteerd, waarvan er één ([X]) toen in zijn bijzijn heeft bevestigd van hem te hebben gehoord dat hij wist wie de dader was van de vernieling. De andere collega heeft bij die gelegenheid slechts verklaard in zijn algemeenheid het gerucht te kennen dat eiser zou weten wie de dader is. Gedaagde heeft verklaard meer geloof te hechten aan de verklaringen van haar getuigen dan aan de tegenspraak van eiser en heeft hem vervolgens teruggeplaatst in de functie van allround operator. Eiser meent primair dat, zo al vast zou komen te staan dat hij tegen één of meer collega's zou hebben gezegd te weten wie de dader van de vernieling in december 2004 was, dat nog geenszins impliceert dat hij ook werkelijk weet wie dat is. Subsidiair meent eiser dat gedaagde zal moeten bewijzen dat hij inderdaad weet wie de vernieling van de deur naar de rookruimte op zijn geweten heeft. Hij heeft aangeboden zichzelf als getuige te laten horen ten bewijze van de stelling dat hij niet weet wie de vernieling in kwestie heeft aangericht.

3.

Gedaagde heeft tot haar verweer het volgende, ook kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd.

Eind 2004 had zij aanleiding binnen haar onderneming maatregelen te treffen teneinde te komen tot een cultuuromslag onder haar personeel. De aanleiding werd gevormd door een grote diversiteit van ongewenst gedrag door het personeel op de werkvloer binnen de afdeling extrusie, zoals het onnodig laten branden van lampen en het laten aanstaan van apparatuur, waterverspilling, het openlaten staan van deuren naar geconditioneerde ruimtes, gasverspilling het achterlaten van rommel in de kantine en op de werkplek, onhygiënisch toilet gebruik, met enige regelmaat vernielingen uit baldadigheid, het kwijtraken van gereedschappen, het fout parkeren van auto's en het niet naleven van de regels omtrent pauzetijdstippen. Een belangrijk probleem werd gevormd door de omstandigheid dat direct leidinggevenden, waaronder assistent voormannen zoals eiser, onvoldoende corrigerend optraden. Er is toen een werkgroep gevormd, waarvan eiser deel uitmaakte, die tot opdracht kreeg een inventarisatie van de problemen te maken. Naar aanleiding van het rapport van deze werkgroep is eind 2004 het project “Gewoon doen” van start gegaan teneinde een totale cultuurverandering teweeg te brengen binnen de afdeling extrusie. In december 2004 is de deur naar de rookruimte moedwillig vernield. Onderzoek naar de dader heeft geen resultaat opgeleverd. Dat onderzoek werd toen noodgedwongen gestaakt. Het project “Gewoon doen” heeft grote verbeteringen in de mentaliteit van het personeel teweeggebracht en de discipline sterk vergroot. Uitzondering op dit positieve beeld vormde de A-ploeg met de heer [Y] als voorman en eiser als assistent voorman. Als gevolg daarvan is [Y] in september 2006 teruggeplaatst naar de functie van allround operator. Eiser mocht zijn functie behouden teneinde samen met de nieuwe voorman alsnog de verlangde cultuuromslag binnen zijn ploeg te realiseren. Begin 2008 bereikte de leiding van gedaagde de informatie dat eiser rondvertelde dat hij op de hoogte was van de identiteit van degene die indertijd de deur naar de rookruimte had vernield, maar niet wilde zeggen wie dat was. Eiser is met deze informatie geconfronteerd in een tweetal gesprekken. In het tweede gesprek zijn twee collega's verschenen die toen in aanwezigheid van eiser beiden hebben verklaard dat eiser tegen hen had gezegd dat hij wist wie de dader van de vernieling in december 2004 was maar dat hij niet wilde zeggen wie dat was. Gedaagde is van oordeel dat zij - mede gezien de geschetste historie inzake de verlangde cultuuromslag - absoluut vertrouwen moet kunnen stellen in haar leidinggevenden, zoals eiser. Nu eiser in weerwil van diverse verklaringen van collega's (er heeft zich uiteindelijk nog een derde collega bij de directie gemeld die ook heeft bevestigd dat eiser tegenover hem heeft verklaard te weten wie de bewuste dader is) blijft volhouden niet te weten wie de dader is en dat hij het tegendeel ook nooit heeft rondverteld, houdt zij het ervoor dat eiser hardnekkig onwaarheid spreekt. Zij heeft niet langer het noodzakelijkerwijze in hem te stellen vertrouwen als leidinggevende. Daarom heeft zij hem teruggeplaatst naar de functie van allround operator.

4.

Op de stellingen van partijen wordt, voorzover van belang, in het navolgende teruggekomen.

5.

Gedaagde heeft eiser na een dienstverband van ongeveer 22 jaar teruggeplaatst vanuit een leidinggevende functie naar een niet-leidinggevende functie. Die maatregel is gepaard gegaan met de bijbehorende substantiële vermindering van het salaris. Dat is een ingrijpende maatregel die slechts gerechtvaardigd kan zijn wanneer sprake is van zwaarwegende gronden.

6.

Gedaagde verwijt eiser dat hij, terwijl hij tegen diverse collega's zou hebben verklaard te weten wie de dader is van de vernieling van de deur naar de rookruimte in december 2004, weigert de identiteit van die dader bekend te maken. Om die reden heeft zij, zo luidt haar betoog, in eiser het vertrouwen verloren dat zij in al haar leidinggevenden moet kunnen stellen. Door aldus te handelen gaat gedaagde ervan uit dat eiser ook werkelijk weet wie de dader van de bewuste vernieling is, terwijl zij in deze procedure zelf heeft aangevoerd dat zij er op grond van informatie van collega's van eiser van uitgaat dat eiser slechts tegen hen gezegd heeft over die wetenschap te beschikken. Met eiser is de kantonrechter van oordeel dat er een verschil bestaat tussen het tegenover collega's verklaren over een bepaalde wetenschap te beschikken en het daarover ook daadwerkelijk beschikken. Pas als zou komen vast te staan dat eiser de identiteit van de dader van de vernieling in kwestie zou kennen en dat hij die informatie niet aan de directie van gedaagde wil verstrekken, kan gesproken worden van een situatie waarin wellicht de terugplaatsing in functie als passende maatregel zou kunnen worden aangemerkt. Dat is echter niet gesteld, zodat daaromtrent ook geen bewijs kan worden opgedragen. Van zwaarwegende gronden, als hiervoor onder 5 bedoeld, is dan ook niet gebleken.

7.

Het gevorderde is daarom in enigszins aangepaste vorm, zoals hieronder aan te geven, toewijsbaar met dien verstande dat het gevorderde in het petitum van de dagvaarding onder 1) naast het vervolgens onder 2) en 3) gevorderde geen zelfstandige betekenis toekomt en dus zal worden afgewezen. Gedaagde zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt gedaagde om eiser binnen twee weken na betekening van dit vonnis toe te laten tot de vervulling van de functie van assistent voorman extrusie op verbeurte ten gunste van eiser van een dwangsom van € 100, - voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

- veroordeelt gedaagde om aan eiser met ingang van 1 september 2008 het loon te betalen behorende bij de functie van assistent voorman extrusie, en wel tot aan het moment waarop het dienstverband tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd of op grond van een andersluidend rechterlijk oordeel een ander loon betaald dient te worden;

- beveelt gedaagde om binnen twee weken na betekening van dit vonnis door middel van een memo aan de afdeling extrusie bekend te maken dat eiser ten onrechte uit de functie van assistent voorman extrusie is geplaatst, zulks op verbeurte van een dwangsom ten gunste van eiser van € 100,- voor elke dag dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

- veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van eiser begroot op:

• € 400,00 voor salaris gemachtigde;

• € 85,44 voor explootkosten

• € 107,00 voor vastrecht

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 8 januari 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.