Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BH5717

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
135878 / HA ZA 07-1087
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot zekerheidsstelling in incident niet toewijsbaar aangezien eiseres in Oekraïne gevestigd is en artikel 17 eerste lid Verdrag betreffende de Burgerlijke Rechtsvordering (Trb. 1954, 40) zich daartegen verzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer:

135877 / HA ZA 07-1086, 135878 / HA ZA 07-1087, 135896 / HA ZA 07-1089

Vonnis in incident van 11 juni 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIMITED LIABILITY COMPANY PRODUCTION AND COMMERCIAL FIRM “LIA” LTD,

handelend onder de naam LIA,

gevestigd en kantoorhoudende te Lugansk (Oekraïne),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AFD ADMINISTRATIEVE EN FACILITAIRE DIENSTVERLENING B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ADVILOGING LOGISTIC CONSULTANTS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUTCH INTERNATIONAL TRADING GROUP B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

procureur mr. E. Nijdam.

Partijen zullen hierna LIA, AFD, ALC en DITG worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- het incidentele vonnis tot voeging der zaken van 23 januari 2008

- de incidentele conclusie tot het stellen van zekerheid voor betaling van de

proceskosten ex artikel 224 Rv

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. AFD, ALC en DITG vorderen dat de rechtbank bepaalt dat LIA zekerheid stelt voor de proceskosten door middel van een bankgarantie voor een bedrag van ten minste EUR 17.000, met veroordeling van LIA in de kosten van het incident.

2.2. LIA heeft ten verwere tegen de vordering aangevoerd dat zij op grond van artikel 17, lid 1 van het op 1 maart 1954 te ’s-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Trb. 1954, 40) (hierna: het Verdrag) niet gehouden is om zekerheid te stellen. Nederland is partij bij dit Verdrag en Oekraïne is eveneens aan dit Verdrag gebonden.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.3. Tussen partijen staat vast dat de rechtspersoon LIA in de Oekraïne domicilie heeft en derhalve – verdragsautonoom uitgelegd – heeft te gelden als onderdaan in de zin van het Verdrag.

Artikel 17, lid 1 van het Verdrag luidt in vertaling:

“Geen zekerheidstelling of depot, onder welke benaming ook, kan op grond van hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een ander dier Staten optreden.”

2.4. De rechtbank merkt op dat de Oekraïne, als rechtsopvolger van de USSR, welke staat partij was bij het Verdrag, heeft aangeven de gebondenheid aan dit Verdrag voort te zetten, met ingang van 24 augustus 1991. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de Oekraïne partij is bij het Verdrag en dat het Verdrag kan worden ingeroepen door hen die in de Oekraïne domicilie hebben.

2.5. In artikel 224, lid 2 Rv is een aantal uitzonderingen op de in lid 1 vermelde verplichting tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten opgenomen. Deze bepaling luidt – voorzover relevant – als volgt.

“Geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat:

a. indien dit voortvloeit uit een verdrag of een EG-verordening;

(…).”

Uit hetgeen de rechtbank onder 2.4 en 2.5 heeft overwogen volgt dat LIA terecht een beroep heeft gedaan op de uitzondering als omschreven in artikel 224, lid 2 onder a Rv, juncto artikel 17, lid 1 van het Verdrag. De rechtbank is van oordeel dat LIA dan ook niet verplicht is tot het stellen van zekerheid.

2.6. De slotsom is dat de incidentele vordering moet worden afgewezen.

2.7. AFD, ALC en DITG zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt AFD in de aan haar zijde veroorzaakte kosten van het incident, aan de zijde van LIA tot op heden begroot op EUR 384,00,

3.3. veroordeelt ALC in de aan haar zijde veroorzaakte kosten van het incident, aan de zijde van LIA tot op heden begroot op EUR 384,00,

3.4. veroordeelt DITG in de aan haar zijde veroorzaakte kosten van het incident, aan de zijde van LIA tot op heden begroot op EUR 384,00,

in de hoofdzaak

3.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 juli 2008 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Werkhoven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2008.