Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BH1778

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
130619 - HA ZA 07-372
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank komt niet terug op eerdere eindbeslissingen over causaliteit en duur van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0141

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 130619 / HA ZA 07-372

Vonnis van 23 april 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap INDUSTRIËLE DIENSTEN HEINO B.V.,

gevestigd te Heino,

eiseres,

procureur mr. C. Borstlap,

advocaat mr. A. Volkerink-Boer te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde sub 1] en

[gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur voorheen mr. M.G. Pekkeriet-Bisschop, thans mr. M.G. Roessingh.

Partijen zullen hierna IDH en [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

Eerder is een tussenvonnis gewezen dat op 14 november 2007 is uitgesproken.

IDH heeft zich bij akte uitgelaten, waarbij zij haar eis heeft gewijzigd en nadere producties in het geding heeft gebracht. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben daarop geantwoord.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De gewijzigde vordering

De gewijzigde vordering van IDH strekt er toe dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht wordt verklaard dat [gedaagde sub 1] jegens IDH aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van de arbeidsonge-schiktheid van haar werknemer [A];

II. [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld tot betaling aan IDH van:

a. primair EUR 30.877,72 subsidiair EUR 28.893,70 aan schade ex art. 6:107a BW;

b. EUR 4.988,35 aan schade ex art. 6:96 BW en

c. EUR 5.238,10 aan kosten van re-integratie;

een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2005 althans van de datum waarop de schade concreet is geleden althans vanaf 17 november 2006 althans vanaf de datum van de dagvaarding;

III. [gedaagde sub 1] zal veroordelen tot betaling van proceskosten, de kosten van beslaglegging daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente en met een bedrag aan nakosten en

IV. [gedaagde sub 2] zal veroordelen de uitwinning van het beslag te gehengen en te gedogen.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben volhard in hun conclusie dat de vorderingen van IDH dienen te worden afgewezen.

3. De verdere beoordeling

3.1. Wat betreft de door IDH bij haar akte gewijzigde eis geldt het volgende.

3.1.1. Deze wijziging stuit op bezwaar van [gedaagde sub 1], die daartoe - in de kern gevat - aanvoert dat ten onrechte causaal verband is aangenomen tussen [A]s arbeidsongeschiktheid en de door hem toegediende vuistslag, dat ten onrechte is aangenomen dat die arbeidsongeschiktheid twee jaar heeft voortgeduurd en dat de schade onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Het bezwaar heeft daarmee betrekking op de inhoud van de vordering zelf en niet tegen de wijziging daarvan.

3.1.2. De wijziging van eis bestaat eruit dat (alsnog) een vergoeding van een concreet schadebedrag wordt gevorderd, daar waar bij dagvaarding een voorschot op een schade-vergoeding en een verwijzing naar een schadestaatprocedure was gevorderd. IDH heeft daarmee geen nieuwe of andere vordering verwoord, waarmee [gedaagde sub 1] nog niet bekend was en/of waartegen hij zijn verweer niet had kunnen richten. Dat hij in dit geval onvoldoende gelegenheid heeft gehad om zijn verweer tegen de gewijzigde vordering in te richten, is gesteld noch gebleken. Evenmin is in te zien dat de wijziging van eis tot vertraging van de procedure zou leiden, laat staan tot een onredelijke vertraging. Deze eiswijziging komt dan ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde.

3.1.3. Er zal dan ook op basis van de gewijzigde eis recht worden gedaan.

3.2. Anders dan [gedaagde sub 1] kennelijk beoogt, is er geen grond om opnieuw te beoordelen de vragen of:

- de op 22 november 2005 ingetreden arbeidsongeschiktheid van IDH’s werknemer [A] het gevolg is van de op die dag door [gedaagde sub 1] aan [A] toegediende vuistslag en/of

- die ingetreden arbeidsongeschiktheid onveranderd tot 24 januari 2007 heeft voortgeduurd.

3.2.1. Op die geschilpunten heeft de rechtbank al in r.o. 6.3. tot en met 6.6. van het vonnis van 14 november 2007 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist en daardoor dienaangaande bindende eindbeslissingen gegeven.

3.2.2. Voor een dergelijke beslissingen geldt de regel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dit laatste kan het geval zijn indien sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag.

3.2.3. Het door [gedaagde sub 1] aangehaalde argument voor de kennelijk beoogde herbeoordeling, te weten dat IDH niet alle medische informatie heeft overgelegd, is al door de rechtbank onder ogen gezien en als onvoldoende beoordeeld om aan het causaal verband tussen bedoelde vuistslag en arbeidongeschiktheid te twijfelen.

3.2.4. Dat [A] voorafgaande aan het incident van 22 november 2005 ‘al een half jaar was uitgevallen na een ongeval op het werk waarbij hij zwaar hoofd- en nekletsel had opgelopen’, zoals [gedaagde sub 1] thans aanvoert, komt tegen de achtergrond van het voorgaande onvoldoende betekenis toe, nog daargelaten dat die stelling weinig concreet is en niet met enig stuk is gestaafd. Immers, indien zou moeten worden aangenomen dat [A] door een voorgaand hoofd- en nekletsel meer vatbaar zou zijn geweest voor het op 22 november 2005 toegebrachte letsel dan wel dat de gebleken gevolgen van het incident als niet (geheel) normaal te verwachten zou moeten worden aangemerkt, staat dat volgens vaste rechtspraak geenszins aan het aannemen van causaal verband in de weg. Daarbij geldt dat onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld dan wel anderszins zijn gebleken waaruit kan volgen dat [A] ook zonder het incident van 22 november 2005 in bedoelde periode arbeidsongeschikt zou zijn geweest.

3.2.5. Er is dan ook geen reden om op bedoelde eindbeslissingen terug te komen.

3.3. Wat betreft de door IDH gevorderde loonschade, door haar gesteld op een bedrag van EUR 30.877,72 althans EUR 28.893,79, geldt het volgende.

3.3.1. Zoals overwogen, moet als vast staand worden aangenomen dat [A] over de periode van 22 november 2005 tot 24 januari 2007 onveranderd volledig arbeidsongeschikt is geweest. IDH heeft bij haar akte voorgerekend dat zij over die periode aan loon en vakantietoeslag in totaal EUR 19.448,19 netto heeft uitbetaald. In dat bedrag zit echter ook de in april 2006 uitbetaalde vakantietoeslag ad EUR 993,42, welke toeslag ook ziet op de periode van 1 mei 2005 tot 22 november 2005. De over die periode betaalde toeslag kan IDH niet op [gedaagde sub 1] afwentelen, zodat voormeld bedrag moet worden herrekend tot een som van EUR 436,00 netto. Van voormeld bedrag ad EUR 19.448,19 netto is daardoor een gedeelte van EUR 19.012,19 netto als overigens niet inhoudelijk weersproken voor toewijzing vatbaar.

3.3.2. Uit de door IDH overgelegde stukken blijkt dat [A] in week 4 van 2007 een begin heeft gemaakt met een werkhervatting. IDH heeft daarover aangevoerd dat [A] vanaf die week tot en met week 47 van 2007 in totaal 305,5 uren van de 1.760 mogelijke uren heeft gewerkt. [gedaagde sub 1] heeft de juistheid van die 1.760 uren noch van die 305,5 uren betwist, zodat de rechtbank van de juistheid van IDH’s stelling dienaangaande uitgaat. Hetzelfde geldt voor de door IDH ter zake gestelde betaalde netto-bedragen.

3.3.3. Dat die hervatting enkel op basis van arbeidstherapie is geschied en dat deze geen enkele loonwaarde had, zoals IDH thans stelt, is niet te rijmen met de tevens door haar ingenomen stelling dat [gedaagde sub 1] alleen de 1.454,50 niet door [A] gewerkte uren en dus niet ook die 305,5 ‘hervattingsuren’ aan IDH dient te vergoeden. Dat sprake zou zijn van een hervatting op basis van arbeidstherapie is overigens onvoldoende onderbouwd, hoewel IDH daartoe uitdrukkelijk bij vonnis van 14 november 2007 is uitgenodigd. Dit blijkt niet uit de door haar overgelegde voortgangsbrieven van haar arbodienst. Dat volgt evenmin uit de omstandigheid dat IDH in de loonstroken over januari 2007 en daarna geen onderscheid maakt in te betalen loon en te betalen ziekengeld en hem daarin voor de volledige arbeidstijd als ziek vermeldt. Bij gebrek aan nadere medische en/of arbeidsdeskundige onderbouwing gaat de rechtbank dan ook aan IDH’s stelling voorbij en neemt zij tot uitgangspunt dat [A] zijn werkzaamheden heeft hervat waarbij sprake was van een afnemende mate van arbeidsongeschiktheid en dat daarmee sprake was van productieve arbeid met een loonwaarde. Een en ander betekent dat, wat betreft de periode van 24 januari 2007 tot 22 november 2007, niet van het primair gestelde bedrag aan loonschade ad EUR 11.429,53 doch hoogstens van het subsidiair berekende bedrag aan loonschade ad EUR 9.445,60 moet worden uitgegaan.

3.3.4. [gedaagde sub 1] wijst voorts terecht op het feit dat [A] in de weken 14 tot en met 19 (2 april tot en met 11 mei 2007) wederom volledig arbeidsongeschikt is geweest. Uit de stukken van de arbodienst blijkt dat die volledige uitval het gevolg is geweest van een griep en een val waarbij [A] zijn ribben heeft gekneusd.

IDH erkent dat deze oorzaken voor verzuim niet in verband staan met de oorzaak waarvoor [gedaagde sub 1] aansprakelijk is doch stelt dat [A] door de mishandeling en de gevolgen daarvan, in verminderde mate in staat was die tegenslagen het hoofd te bieden en dat daardoor het verzuim langer heeft geduurd dan normaal te verwachten zou zijn geweest.

Die stelling heeft IDH echter op geen enkele wijze onderbouwd. Uit de door IDH bij haar akte d.d. 23 januari 2008 overgelegde brief van haar arbodienst d.d. 15 mei 2007 blijkt dat [A] op dat moment nog werd gehinderd door ‘klachten als gevolg van de val’ en dat die ‘nog aanwezige klachten’ geen belemmering vormen voor een hervatting. In die brief kan geen aanknoping worden gevonden voor de stelling dat het herstel als gevolg van het op 22 november 2005 opgelopen letsel langer heeft geduurd. Dit blijkt evenmin uit de mate van de werkhervatting in week 20 nu dat met 3,5 uur per dag gelijk is aan die voor zijn uitval in week 14. Andere stukken waaraan dienaangaande betekenis zou kunnen worden gehecht, zijn niet overgelegd.

Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat [A] in deze periode - indien de uitval per week 14 van 2007 wordt weggedacht en gelet op de mate van hervatting voor én onmiddellijk na deze uitval - gemiddeld 10,5 uur per week zou hebben gewerkt. Er vanuit gaande dat het verzuim voor die uren los moet worden gezien van het letsel waarvoor [gedaagde sub 1] aansprakelijkheid draagt, kan IDH de aan die in totaal 63 niet gewerkte uren verbonden financiële gevolgen niet op [gedaagde sub 1] afwentelen. Van de door haar over de weken 4 tot en met 47 van 2007 berekende loonschade ad EUR 9.445,60 is dan ook een gedeelte van EUR 409,13 niet toewijsbaar (63/1.760 x EUR 11.429,53).

3.3.5. Vast staat dat [A] in week 36 van 2007 (ofwel vanaf 3 september 2007) wederom volledig is uitgevallen en dat hij onveranderd arbeidsongeschikt is gebleven tot het einde van de periode waarin IDH gehouden was om het loon door te betalen. Over die uitval is in de brief van de arbodienst d.d. 3 september 2007 niet meer vermeld dan dat ‘de oorspronkelijke klachten van hoofd-, nek en schouders de kop weer opsteken, waarschijnlijk doordat de spierconditie verminderd is.’

Waar het woord ‘oorspronkelijke’ betrekking op heeft, blijkt niet uit deze brief. Zonder medisch onderbouwde toelichting, die ontbreekt, kan thans evenmin in voldoende mate een verband worden vastgesteld met de door [A] op 22 november 2005 bekomen vuistslag en de daardoor opgetreden tijdelijke bewusteloosheid en hersenschudding.

IDH dient dan ook een nadere onderbouwing van haar stelling te geven en deze van verificatoire bescheiden te voorzien. Indien die nadere onderbouwing uitblijft dan wel als ontreikend moet worden beoordeeld, volgt daaruit dat moet worden aangenomen dat IDH het loon van [A] - al - om een andere reden had moeten doorbetalen, waardoor er onvoldoende grond is om die doorbetaling op [gedaagde sub 1] af te wentelen.

Aangezien met deze periode van week 36 tot en met 47 van 2007 in totaal 12 weken is gemoeid, gaat het debat over 480 verzuimuren, waarmee een financieel belang van EUR 3.117,14 netto (480/1.760 x EUR 11.429,53) is gemoeid. Gelet op de omvang van het resterend partijdebat zal IDH uit overweging van proceseconomie eerst in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten of zij met betrekking tot dit geschilpunt een nadere onderbouwing wil geven en in dat kader de nodige stukken wil overleggen.

3.4. Wat betreft de door IDH gevorderde vergoeding voor herstel- en re-integratie-kosten, door haar thans gesteld op een bedrag van EUR 5.238,10, geldt het volgende.

3.4.1. Uit de door IDH overgelegde stukken blijkt dat die kosten betrekking hebben op enerzijds de reguliere begeleiding van IDH én [A] door de door IDH ingeschakelde arbodienst en anderzijds op de inzet van ‘De Gezonde Zaak’, een onderneming gericht op gezondheidsbevordering en werkhervatting. IDH heeft echter het door haar gestelde bedrag van EUR 5.328,10 slechts tot een beloop van EUR 3.962,90 onderbouwd door overlegging van facturen. Het meerdere berust enkel op een opsomming van IDH waarvan een staving ontbreekt, hoewel IDH expliciet in de gelegenheid was gesteld om ook dit onderdeel van haar vordering nader te onderbouwen. Voor zover dit deel van de vordering het bedrag van EUR 3.962,90 overstijgt, is dat dan ook als onvoldoende onderbouwd niet toewijsbaar.

3.4.2. Eveneens moet worden gepasseerd het verwijt van [gedaagde sub 1] dat de door IDH ingeschakelde re-integratieorganisatie ‘Commit’ ‘weinig voortvarend’ zou hebben opgetreden. Commits inzet was immers afhankelijk van het medisch oordeel van de bedrijfsarts over [A]s mogelijkheden terzake. Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen, dat tegen de achtergrond van bedoeld medisch oordeel, onvoldoende maatregelen betreffende [A]s herstel en/of werkhervatting zijn genomen. [gedaagde sub 1] is dan ook gehouden tot vergoeding van de kosten terzake.

3.4.3. Evenmin draagt vrucht het verwijt van [gedaagde sub 1] dat de re-integratieinspanningen vergeefs zijn geweest en dat de daarmee gepaard gaande kosten zinloos gemaakt zouden zijn. Gesteld noch gebleken is immers dat bij voorbaat al duidelijk was dat de re-integratie en de daarop gerichte inspanningen zonder effect zouden zijn.

3.4.4. Van dit deel van de vordering is derhalve een gedeelte van EUR 3.962,90 als voldoende onderbouwd voor toewijzing vatbaar.

3.5. Wat betreft de door IDH gevorderde vergoeding voor gemaakte kosten van rechtsbijstand, door haar thans gesteld op een bedrag van EUR 4.988,35, geldt het volgende.

3.5.1. Uit het bepaalde in artikel 241 Rv vloeit voort dat, nu IDH geen voldoening buiten rechte heeft verkregen, de verrichtingen van IDH’s advocaat, zoals (eerste) kennisname van de zaak en het daartoe relevante recht, bespreking van de zaak met de eigen cliënt, correspondentie met de eigen cliënt, bestudering van de zaak op haalbaarheid, het (laten) doen van een onderzoek naar de verhaalsmogelijkheden, het anderszins verzamelen van feiten en inwinnen van informatie, opeisbaar stellen van de vordering of het anderszins beknopt aanmanen of verzenden van een andere eenvoudige brief, het opstellen en aanzeggen van de dagvaarding en het gereed maken van het dossier evenmin grond geven voor een afzonderlijke vergoeding op basis van lid 2 van artikel 6:96 BW, welke aanspraak is vervangen door - in hoofdzaak - het procureursalaris. Enkel de kosten van inhoudelijke sommaties en andere inhoudelijke correspondentie en eventuele onderhandelingen komen krachtens artikel 241 Rv nog voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.

3.5.2. Wat betreft die laatstbedoelde kosten stelt de rechtbank vast dat IDH weliswaar in het geding heeft gebracht facturen met bijbehorende urenspecificaties waaruit blijkt welke bedragen aan kosten van rechtsbijstand bij haar in rekening zijn gebracht doch zonder toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen welk deel van die in rekening gebrachte kosten betrekking heeft op kosten waarvoor, naast een vergoeding voor proceskosten, nog een afzonderlijke vergoeding op zijn plaats is.

3.5.3. Aangezien wel voldoende aannemelijk is dat sprake is van dergelijke kosten, zal de gevorderde vergoeding worden toegewezen tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, met een maximum van 15% van de hoofdsom en de tot de dagvaarding verschenen rente, zijnde een bedrag van EUR 1.158,00. Het meer gevorderde is niet voor toewijzing vatbaar.

3.6. De door IDH gevorderde wettelijke rente is als niet voldoende gemotiveerd weersproken eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat niet van de primair gestelde ingangsdatum van 22 november 2005 kan worden uitgegaan nu vast staat dat de door IDH gevorderde schade niet op die datum is ontstaan. Dat die schade wel in verband kan worden gebracht met het op die datum tussen [A] en [gedaagde sub 1] voorgevallen incident kan dat niet anders maken. De rente zal dan ook worden toegewezen vanaf de datum waarop de schade concreet door IDH is geleden, zoals zij subsidiair heeft gevorderd.

3.7. In afwachting van de uitlating door IDH als bedoeld in de laatste alinea van r.o. 3.3.5. en de eventueel nader door haar te verschaffen gegevens, waarop [gedaagde sub 1] dan zal mogen reageren, wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol komt van woensdag 21 mei 2008 voor uitlating door IDH of zij haar in r.o. 3.3.5. bedoelde stelling, te weten dat [A]s uitval per week 36 van 2007 in verband staat met het door [gedaagde sub 1] veroorzaakte letsel, nader wil onderbouwen en wil staven met schriftelijke stukken;

4.2. bepaalt dat IDH, indien zij de van haar verlangde nadere onderbouwing en nadere stukken wil produceren, zulks direct op die rolzitting moet doen;

4.3. bepaalt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op een door IDH inhoudelijk te nemen akte met eventuele producties mag reageren op de rolzitting van woensdag 18 juni 2008;

4.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Boele en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2008.