Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BG4138

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
13-11-2008
Zaaknummer
128285 / HA ZA 07-58
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In 1992 blijkt grond rond benzinepomp verontreinigd. Discussie over de aansprakelijkheid daarvoor leidt ertoe dat Shell bereid is de kosten voor sanering te betalen onder voorwaarde dat zij "binnen 5 jaar een voor Shell exploitabel station tegen aanvaardbare condities" krijgt aangeboden.

r.o 4.5: een beroep op verjaring gaat niet op, doch uitsluitend voor het bedrag dat in de sluitingsbrief stond vermeld, en niet voor het meerdere.

r.o. 4.6: uitleg van de bepaling uit de overeenkomst valt ten gunste uit van Shell, die voorwaardelijk afstand wil doen van vorderingsrecht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 22
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/12 met annotatie van Bos
JBO 2008/5 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 128285 / HA ZA 07-58

Vonnis van 25 juni 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHELL NEDERLAND VERKOOPMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. A.J. ter Wee,

advocaat mr. M.A. Jacobs te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WIGWAM B.V.,

gevestigd te Deventer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BARREL DEVENTER B.V.,

gevestigd te Deventer,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Deventer,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. F.J.M. Kobossen.

Partijen zullen hierna ook Shell, Wigwam, Barrel, [gedaagde sub 3] en gedaagden tezamen Wigwam c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De onderneming Auto Deventer BV is opgericht in 1980. De naam is in 1992 gewijzigd in Wigwam BV.

In 1992 is een nieuwe besloten vennootschap met de naam Auto Deventer BV opgericht. De naam van deze onderneming is in 1999 gewijzigd in Barrel Deventer BV.

[gedaagde sub 3] is vanaf 1986 bestuurder van Auto Deventer BV, thans Wigwam, en vanaf de oprichting in 1992 bestuurder van Auto Deventer BV, thans Barrel.

2.2. In de jaren ‘50 tot medio 1994 hebben Wigwam (destijds Auto Deventer BV) en haar rechtsvoorgangers op een gedeelte van een haar in eigendom toebehorend perceel een benzinepompstation en een garagebedrijf geëxploiteerd. Ten behoeve van de exploitatie bestond tussen het toenmalige Auto Deventer BV en Shell een dealerovereenkomst ter zake van onder meer motorbrandstoffen.

2.3. In 1992 hebben bodemonderzoeken, uitgevoerd door de firma Tauw Infra Consult, plaatsgevonden op voormeld perceel. Uit deze bodemonderzoeken is naar voren gekomen dat de grond ter plaatse verontreinigd was.

2.4. Bij brief van 19 mei 1994 gericht aan Auto Deventer BV heeft Shell geschreven:

(…)

“Naar het zich laat aanzien kunt u de lokatie “Holterweg” ter hoogte van Colmschate Enk, de lokatie “Siemelingsweg” of een andere gelijkwaardige lokatie als compensatiepunt tegemoet zien.

U verklaarde zich bereid een intentieverklaring af te geven om deze lokatie aan Shell te gunnen, mits wij u een passende aanbieding doen.

U hebt ons te kennen gegeven de lokatie niet zelf te willen exploiteren. Derhalve willen wij met u van gedachten wisselen over de koop of huur van de lokatie, of over andere mogelijke samenwerkingsvormen.

Geheel onverplicht zijn wij evenwel bereid, indien wij door u binnen een periode van vijf jaar een in Deventer voor ons exploitabel station tegen aanvaardbare condities krijgen aangeboden, de vervuiling op uw oude terrein, zoals beschreven staat in het rapport van juli 1992 van Tauw Infra Consult (…) geheel voor onze rekening te saneren op het moment dat het pand aldaar gesloopt wordt. Wij zijn hier toe bereid ondanks het feit dat de vervuiling volgens genoemd rapport veroorzaakt is door problemen met de huisbrandolietank welke volgens onze gegevens altijd eigendom van u en uw rechtsvoorgangers is geweest.

De omvang van de vervuiling op het voorterrein en het tankpark wordt thans ingeschat op totaal

fl. 160.000,-- waarvan, normaliter, gezien de lokatie van de aangetroffen vervuiling, maximaal 15% voor onze rekening zou kunnen komen. Mocht tijdens de sanering blijken dat Shell voor een groter deel van de vervuiling verantwoordelijk is, dan zullen wij ons huidige standpunt heroverwegen.

Wij hebben kennis genomen van uw standpunt dat Shell integraal aansprakelijk is voor alle milieuschade op het voorterrein en het tankpark.

Indien wij op deze manier tot een vergelijk komen, kan daarmee een verdere discussie over de aansprakelijkheid achterwege blijven. Mocht binnen de hierboven gestelde periode van vijf jaar geen aanvaardbaar aanbod voor een station worden gedaan, dan zullen wij met u in overleg treden over de (gedeeltelijke) terugbetaling van de door ons gemaakte saneringskosten. Dit overleg zou er ook toe kunnen leiden dat wij een anderszins voor beide partijen aanvaardbare regeling met u treffen.”

2.5. Deze brief is door [gedaagde sub 3] voor akkoord ondertekend.

2.6. Op 10 juli 2002 schrijft Shell in een brief gericht aan Auto Deventer BV:

(….)

Wij hebben moeten constateren dat de termijn van 5 jaar, zoals vermeld in genoemde accoordbrief ruimschoots is verstreken. De met u gevoerde onderhandelingen aangaande het verkrijgen van een exploitabel station tegen aanvaardbare condities hebben helaas niet het beoogde resultaat opgeleverd. Omdat aan uw deel van de overeenkomst uit 19 mei 1994 helaas geen invulling is gegeven treden wij hierbij met u in overleg over de terugbetaling (85% als uitgangspunt) van de door ons gemaakte saneringskosten.

(…)

De sanering is uitgevoerd door Hamer Installatietechniek BV met milieukundige begeleiding van de werkzaamheden door Hunneman Milieu-advies.

(…)

Na bestudering van de rapporten komen wij tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat de reeds eerder aangegeven kostenverdeling van 15% voor Shell en 85% voor Auto Deventer BV te herzien. De totale kosten voor de uitgevoerde sanering, milieukundige begeleiding en dergelijke van het voorterrein en het tankenpark bedragen EUR 232.493,65 (zie bijgevoegde specificatie van de saneringskosten) uw aandeel in deze saneringskosten bedraagt derhalve EUR 183.609,87 (waarvan reeds EUR 46.038, 51 aan u is doorbelast) en zullen u voor het restant bedrag (EUR 137.571,36 + BTW) aan het eind van deze maand een factuur sturen.”

(…)

2.7. In reactie hierop heeft Barrel bij brief van 22 juli 2002 medegedeeld:

(…)

“Eerder is er al met Shell gesproken, gecorrespondeerd en op basis daarvan ben ik er vanuit gegaan dat mijn onderneming volstrekt en volledig heeft voldaan aan de prestatieplicht verbonden met de overeenkomst met u gesloten.

In de brief van 19 mei 1994 is voor dat standpunt ook grondslag te vinden:

1. Binnen een periode van vijf jaar na 19 mei 1994 heb ik u een in Deventer exploitabel station aangeboden. De condities die daaraan gekoppeld waren zijn, in ieder geval in algemene zin, aanvaardbaar nu deze condities aansluiten bij bijvoorbeeld de huurprijzen in Nederland, de terzake van belang zijnde Nota’s van de gemeente Deventer etc.

2. Onder die omstandigheden was Shell bereid, zo is ook schriftelijk vastgelegd, de saneringskosten geheel voor rekening van Shell te laten komen.

3. Op basis van de hiervoor geciteerde bepalingen, afspraken en met name op basis van de door u ingeschatte kostprijs ter zake van de sanering heb ik met u geaccordeerd.

4. Begrijp ik de brief van 10 juli 2002 goed dan stelt Shell zich, in afwijking van de afspraken, op het standpunt dat aan mijn onderneming zou kunnen worden gefactureerd voor een bedrag van

EUR 137.571,36 (te vermeerderen met BTW).

5. Dat standpunt is onjuist en wordt door mij - noch door mijn onderneming - ook niet aanvaard.

6. Onverplicht ben ik bereid om met u in overleg te treden, waarbij een aantal aspecten kan worden besproken:

- een mogelijkheid voor Shell om alsnog te exploiteren aan de Snipperlingsdijk,

- de financiële consequenties daarvan

- de sanering uit 1993-1998

7. In geval u meent om, zonder meer, een factuur te kunnen sturen voor het door u genoemde bedrag dan is die factuur hiermee, op voorhand, bestreden. Er zal in ieder geval niet tot voldoening van die factuur worden overgegaan. In mijn optiek heeft Shell niets meer tegoed. Er bestaat aan deze zijde nog bereidheid om tot, nadere, overeenkomst te komen als een exploitabel station in Deventer, nu daartoe de mogelijkheden niet slechts voorhanden zijn maar ook concreet in beeld komen (het bestemmingsplan is intussen onherroepelijk, en met de gemeente Deventer is tot een definitief accoord gekomen: binnenkort zullen de definitieve exemplaren van de huurovereenkomst door partijen worden ondertekend)”

(…)

2.8. Bij brief van 3 september 2002 heeft Shell, bij monde van haar Legal Counsel aan Barrel geschreven:

“(…). Deze afspraak behelsde dat SNV (Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV, rb), onder voorwaarden, de gehele sanering zou financieren. De voorwaarde was dat SNV en Barrel binnen een periode van 5 jaar tot overeenstemming zouden komen over de exploitatie van een nieuw station. Zo is deze afspraak ook bevestigd in het schrijven van 19 mei 1994: indien wij op deze manier tot een vergelijk komen.

Inmiddels is de periode van 5 jaar ruimschoots verstreken. Ondanks uitvoerige onderhandelingen zijn SNV en Barrel niet tot een vergelijk gekomen. Met het verloop van de afgesproken 5 jaar zonder dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen over de exploitatie van een nieuw station is niet voldaan aan de voorwaarde om de voorfinanciering om te zetten in een volledige financiering. Vandaar dat SNV middels haar schrijven van 17 juli 2002 met Barrel in overleg is getreden over de terugbetaling van de saneringskosten.

(…)

Ten slotte stelt Barrel in uw brief van 22 juli 2002 dat zij onverplicht bereid zou zijn om in overleg te treden over een station aan de Snipperlingsdijk. Onder voorbehoud van alle rechten en zonder het incasso van de saneringskosten op te schorten is SNV bereid nog een laatste maal met u in onderhandeling te gaan. Deze onderhandeling zal wel worden begrensd door de betalingstermijn van bijgaande factuur.”

(…)

2.9. De factuur genoemd in de brief van 3 september 2002 vermeldt een bedrag van EUR 137.571,36 exclusief BTW, derhalve EUR 163.709,92.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Shell vordert samengevat - primair veroordeling van Wigwam c.s. hoofdelijk tot betaling van EUR 183.609,87, vermeerderd met rente en kosten en subsidiair veroordeling van Wigwam en Barrel tot voornoemd bedrag. Shell heeft - samengevat- het volgende aangevoerd.

3.1.1. Op 19 mei 1994 heeft Shell een vaststellingsovereenkomst met Wigwam gesloten met betrekking tot de kosten van sanering van de verontreining van het perceel van Wigwam. Aangezien Wigwam niet binnen vijf jaar aan de op haar rustende verplichtingen uit die overeenkomst heeft voldaan, is Wigwam in verzuim geraakt. Het aanbod dat Wigwam in 1996 heeft gedaan, kan niet worden aangemerkt als een aanvaardbaar aanbod.

3.1.2. Op grond van niet nakoming van de vaststellingsovereenkomst, dan wel uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking is Wigwam c.s. gehouden tot terugbetaling van de saneringskosten. De vordering is na het verstrijken van de termijn van vijf jaar, op 19 mei 1999 opeisbaar geworden, waarna de verjaringstermijn bij brief van 10 juli 2002 is gestuit. Vervolgens is de dagvaarding op 28 december 2006 tijdig betekend.

3.1.3. Bij brief van 10 juli 2002 heeft Shell Wigwam medegedeeld in overleg te treden over de wijze van terugbetaling van de saneringskosten. Op deze brief is door Barrel op 22 juli 2002 gereageerd. Blijkens deze brief neemt Barrel, naast Wigwam, de verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst hoofdelijk op zich, waardoor Barrel hoofdelijk aansprakelijk is.

3.1.4. [gedaagde sub 3] is aansprakelijk, omdat hij Barrel de verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst op zich heeft laten nemen, terwijl hij wist althans redelijkerwijs behoorde te weten dat Barrel niet aan deze verplichtingen zou kunnen voldoen.

3.1.5. Indien de rechtbank zou oordelen dat Shell in 1994 met Barrel heeft gecontracteerd, is Wigwam naast Barrel hoofdelijk aansprakelijk op grond van de artikel 2:403 BW-verklaring die Wigwam op 12 juli 1993 heeft afgelegd.

3.1.6. Shell vordert een bedrag van EUR 183.609,87 waarbij zij zich thans niet meer verplicht voelt genoegen te nemen met 85% van de totale saneringskosten.

De desbetreffende verontreining is veroorzaakt door de huisbrandolietank van Wigwam althans van haar rechtsvoorgangers. Dit blijkt uit het rapport van Tauw. Gelet op het bestaan van de vaststellingsovereenkomst doet de aansprakelijkheidsvraag echter niet ter zake.

3.1.7. Shell heeft de wettelijke rente vanaf 19 mei 1999 en buitengerechtelijke kosten overeenkomend met twee punten van het liquidatietarief gevorderd.

3.2. Wigwam c.s. voert verweer als volgt.

3.2.1. Wigwam heeft voldaan aan de prestatieplicht zoals opgenomen in de brief van 19 mei 1994. Zij heeft in 1996 een locatie aan de Dortmundstraat met Shell besproken, welk aanbod door Shell is afgewezen. Shell heeft bij brief van 11 april 1996 aangegeven dat een aantal locaties niet geschikt was. De locatie aan de Snipperlingsdijk werd evenwel als bijzonder geschikt aangemerkt. Wigwam heeft vervolgens met de gemeente een traject in gang gezet, dat uiteindelijk heeft geleid tot een goedgekeurd bestemmingsplan en een huurovereenkomst tussen Wigwam en de gemeente Deventer. Ondanks het feit dat Wigwam al in 1996 aan de afspraak met Shell invulling had gegeven, heeft Barrel in 2002 volstrekt onverplicht alsnog aan Shell de locatie Snipperlingsdijk aangeboden. Shell heeft ook dit aanbod afgewezen en haar volle dochter Tinq naar voren geschoven. Uiteindelijk is met Tinq gecontracteerd met de mededeling dat de kwestie met Shell voor eens en voor altijd achter de rug was.

3.2.2. De vordering van Shell is verjaard. Voor zover uit de brief van 19 mei 1994 al een betalingsverplichting voortvloeit, is de verjaringstermijn nimmer gestuit. Shell is eerst bij brief van 10 juli 2002 op de vergoeding van de saneringskosten terug gekomen. Deze brief is echter niet als een stuitingshandeling aan te merken. Daar komt bij dat Wigwam nimmer aansprakelijk is gesteld.

3.2.3. Uit diverse rapporten is gebleken dat de verontreiniging op drie plaatsen aanwezig was. Met name bij de vulpunten, de ondergrondse tanks en de olie/vetafscheider. De in de brief van 19 mei 1994 aangehaalde huisbrandolietank is nooit eigendom van Wigwam c.s. geweest. Shell was volledig aansprakelijk voor de bodemverontreiniging. Dat Wigwam dit standpunt in 1994 ook al in nam blijkt uit de brief van 19 mei 1994.

3.2.4. Shell heeft gecontracteerd met Wigwam. Tussen Shell en Barrel bestaat geen enkele contractuele band. Hetzelfde geldt voor [gedaagde sub 3] in privé.

3.2.5. De hoogte van de saneringskosten wordt bestreden, alsmede de door Shell voorgestane verdeling van 85-15%.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.1. In het geval dat de rechtbank oordeelt dat Barrel en [gedaagde sub 3] terecht in deze procedure zijn betrokken vordert Wigwam c.s. - samengevat -

primair: een verklaring van recht dat Wigwam c.s. aan haar (eventuele) contractuele verplichtingen heeft voldaan en Shell aansprakelijk is voor de schade die Wigwam c.s. zal lijden ingeval hun contractuele verplichtingen jegens de gemeente Deventer niet dan wel niet tijdig kunnen worden nagekomen en daarnaast veroordeling van Shell tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

en subsidiair: de schade vast te stellen naar redelijkheid en billijkheid en Shell te veroordelen tot dat bedrag.

3.2. Shell voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Vooropgesteld wordt dat beide partijen er klaarblijkelijk vanuit gaan, dat de voor akkoord ondertekende brief van 19 mei 1994 - die is gericht aan Auto Deventer BV - moet worden aangemerkt als een brief gericht aan en ondertekend door Wigwam. Hoewel uit de uittreksels uit het handelsregister kan worden afgeleid dat de onderneming Barrel in 1994 gevoerd werd onder de naam Auto Deventer BV, zal de rechtbank de stellingen van partijen in deze volgen en als uitgangspunt nemen dat Wigwam en niet Barrel partij is bij de overeenkomst van 19 mei 1994.

4.2. Shell heeft naast Wigwam, ook Barrel en [gedaagde sub 3] gedagvaard en daartoe aangevoerd dat Barrel door schuldoverneming ex artikel 6:155 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering die door Shell is ingesteld. Uit de brief van 22 juli 2002, waarnaar Shell ter onderbouwing van haar standpunt heeft verwezen, kan evenwel geen schuldoverneming worden afgeleid. Niet alleen hebben Wigwam, noch Barrel enige schuld erkend, ook is gesteld noch gebleken dat Wigwam en Barrel de wil hebben gehad om de vermeende schuld over te dragen, respectievelijk over te nemen. Nu Shell overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan een schuldoverneming - dan wel een contractsoverneming - kan worden vastgesteld, moet de vordering tegen Barrel worden afgewezen.

4.3. [gedaagde sub 3] is gedagvaard uit hoofde van zijn functie van bestuurder van Barrel en zijn betrokkenheid bij de vermeende schuldoverneming. Gelet op het voorgaande moet ook de vordering tegen [gedaagde sub 3] worden afgewezen.

4.4. Daarmee resteert de vordering tegen Wigwam. Shell heeft haar vordering primair gebaseerd op de overeenkomst van 19 mei 1994. Door de toerekenbare tekortkoming van Wigwam in de nakoming van de verplichtingen uit overeenkomst zou Shell schade hebben geleden. Het meest verstrekkende verweer dat Wigwam heeft gevoerd is het beroep op verjaring.

verjaring

4.5. Met Shell is de rechtbank van oordeel dat de vordering van Shell eerst opeisbaar is geworden na ommekomst van de termijn die is genoemd in de overeenkomst van 19 mei 1994. Shell heeft bij brief van 10 juli 2002 uitdrukkelijk medegedeeld dat zij met Wigwam over de terugbetaling van de saneringskosten in overleg zal treden en dat zij Wigwam aan het einde van de maand een factuur zal sturen voor een bedrag van EUR 137.571,36 te vermeerderen met BTW. Hieruit kan niet anders worden geconcludeerd dan dat Shell haar rechten tot het verkrijgen van betaling van voornoemd bedrag uitdrukkelijk heeft voorbehouden, zodat deze brief de verjaringstermijn heeft gestuit. Vervolgens is de verjaring door de betekening van de dagvaarding opnieuw tijdig gestuit.

Gelet op de omstandigheid dat Shell in voornoemde brief haar rechten ten aanzien van een bedrag van EUR 137.571,36 te vermeerderen met BTW, derhalve EUR 163.709,92, heeft voorbehouden, is de verjaring gestuit slechts ter hoogte van dit bedrag. Dit betekent dat het beroep op verjaring slaagt voor zover de vordering die in de onderhavige procedure is ingesteld, voornoemd bedrag overstijgt.

toerekenbare tekortkoming

4.6.1. Bij de beoordeling van de gestelde toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit overeenkomst is de inhoud van de overeenkomst van belang. Bij de uitleg van de overeenkomst is niet alleen de taalkundige uitleg van de bepalingen van belang, maar ook de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.6.2. Gelet op de bewoordingen van de overeenkomst van 19 mei 1994 moet hieruit worden afgeleid dat Shell zich bereid heeft verklaard de saneringskosten voor haar rekening te nemen en deze niet op Wigwam te verhalen, indien Wigwam Shell binnen een bepaalde termijn een “voor Shell exploitabel station tegen aanvaardbare condities” zou aanbieden. Indien partijen overeenstemming zouden bereiken met betrekking tot de exploitatie van een nieuw station kon “verdere discussie over de aansprakelijkheidsvraag achterwege blijven”. De overeenkomst regelt ook de situatie waarin binnen vijf jaren geen “aanvaardbaar” aanbod voor een station zou worden gedaan: In dat geval zou Shell met Wigwam “in overleg treden over de (gedeeltelijke) terugbetaling van de (…) gemaakte saneringskosten”. Nu partijen geen feiten en omstandigheden hebben gesteld die tot een andere uitleg zouden moeten leiden, zal van het bovenstaande worden uitgegaan. Dit leidt tot de conclusie dat partijen overeen gekomen zijn dat Shell onder voorwaarden afziet van de door haar gestelde vordering tot terugbetaling. Voor Wigwam daarentegen vloeit geen verplichting voort uit de overeenkomst.

4.6.3. Mede in dit licht bezien moeten de bewoordingen “een voor ons exploitabel station tegen aanvaardbare condities” aldus worden uitgelegd dat Shell uiteindelijk de partij is die mag bepalen of een aanbod aan deze voorwaarden voldoet. Dit vloeit voort uit een taalkundige uitleg van de bewoordingen “voor ons exploitabel” en “indien wij op deze manier tot een vergelijk komen”- waarbij de term “vergelijk” bezwaarlijk anders kan worden uitgelegd dan dat daarmee wordt gedoeld op instemming van beide partijen, derhalve ook van Shell - maar ook uit de strekking van de overeenkomst. Shell is immers de partij die, indien de voorwaarde wordt vervuld, afstand doet van de door haar gestelde vordering tot terugbetaling, terwijl Wigwam bij het niet vervullen van de voorwaarde in dezelfde situatie geraakt waarin zij verkeerde vóór het sluiten van de overeenkomst. Te weten, dat partijen - wederom - in overleg treden over de (gedeeltelijke) terugbetaling van de saneringskosten.

Voor de uitleg die Wigwam c.s. voorstaat, inhoudende dat het aanbod in algemene zin “aanvaardbaar” diende te zijn, bestaan onvoldoende aanwijzingen. Wigwam c.s. heeft daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.

4.6.4. Het voorgaande betekent dat, nu het aanbod gedaan in 1996 niet heeft geleid tot overeenstemming, de voorwaarde door Wigwam niet is vervuld. Voor het aanbod dat Wigwam c.s. in 2002 heeft gedaan geldt hetzelfde. Daargelaten dat dit aanbod buiten de termijn van vijf jaar is gedaan, had Shell ook toen de vrijheid een algemeen aanvaardbaar aanbod af te wijzen.

4.6.5. De stelling van Shell dat de rechtsverhouding tussen partijen door deze overeenkomst definitief is vastgesteld en dat er thans geen reden meer is de aansprakelijkheidsvraag te stellen, kan niet worden gevolgd. De overeenkomst bepaalt immers dat slechts in het geval partijen ”op deze manier tot een vergelijk” komen, de aansprakelijkheidsvraag achterwege kan blijven. Onder “vergelijk” kan niet anders worden verstaan dan de overeenstemming tussen partijen ten aanzien van het “aanbod tot een exploitabel station tegen aanvaardbare condities”. Dit blijkt ook uit de brief van 3 september 2002 waarin Shell dit met zoveel woorden heeft verklaard. Partijen zijn niet tot dit vergelijk gekomen.

Verder volgt uit de overeenkomst dat Wigwam haar standpunt, dat Shell integraal aansprakelijk is voor de milieuschade, destijds niet heeft laten varen en dat partijen, in het geval geen overeenstemming wordt getroffen, in overleg zouden treden “over de (gedeeltelijke) terugbetaling”, dan wel over een “andere voor beide partijen aanvaardbare oplossing”. Daar komt bij dat, gelet op de inhoud van de overeenkomst, het bedrag van de saneringskosten destijds onbekend was en ook de door Shell voorgestelde schadeverdeling (85-15%) nog voor heroverweging vatbaar was. Nu Shell geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot een andere uitleg zouden moeten leiden, zal van deze taalkundige uitleg worden uitgegaan.

4.7. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het enkele niet vervullen van de voorwaarde niet kan leiden tot toewijzing van de vordering. Partijen hebben bij overeenkomst immers uitdrukkelijk bepaald, dat het gevolg van het niet vervullen van de voorwaarde is dat partijen in overleg zullen treden en niet dat Wigwam alsdan gehouden zou zijn tot terugbetaling van de saneringskosten. Nu van een verplichting uit overeenkomst voor Wigwam geen sprake is, kan een toerekenbare tekortkoming evenmin aan de orde zijn.

ongerechtvaardigde verrijking

4.8. Shell heeft daarnaast een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking. Zij heeft daartoe aangevoerd dat Wigwam ongerechtvaardigd is verrijkt door de onverplichte sanering van haar perceel door Shell. Shell heeft voorts enkel gesteld: “Shell die op goed vertrouwen dacht te contracteren met de eigenaar van het perceel, heeft, nu naar achteraf is gebleken dat dit feitelijk niet het geval is geweest, Wigwam onbedoeld en zonder redelijke grond verrijkt, waardoor Shell schade heeft geleden.”

Deze stelling is onbegrijpelijk nu gesteld noch gebleken is dat Shell niet heeft gecontracteerd met de eigenaar van het perceel. Voor zover Shell heeft bedoeld te stellen dat Wigwam door het achteraf niet vervullen van de voorwaarde, ongerechtvaardigd is verrijkt, kan deze stelling vooralsnog niet leiden tot toewijzing van de vordering.

4.8.1. Vooropgesteld moet worden dat de vraag of sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking, eerst kan worden beantwoord op het moment dat vaststaat wie aansprakelijk is voor de milieuschade. Nu Shell slechts - in reactie op het verweer van Wigwam c.s. ter zake van de gestelde toerekenbare tekortkoming - zijdelings is ingegaan op de aansprakelijkheidsvraag, zich voornamelijk heeft beperkt tot de stelling dat Wigwam eigenaar was van de huisbrandolietank en haar - door Wigwam c.s. - betwiste stellingen met betrekking tot de oorzaak van de verontreiniging op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd met onderliggende stukken, zoals bijvoorbeeld het (klaarblijkelijk voorhanden zijnde) rapport van Tauw en de saneringsrapporten, is het punt van de aansprakelijkheid onderbelicht gebleven. Daarbij moet worden opgemerkt dat de door Shell zelf opgemaakte tekeningen, geen bewijs opleveren van de eigendom van de huisbrandolietank. Echter, ook indien de huisbrandolietank wel als eigendom zou moeten worden aangemerkt van Wigwam, staat daarmee nog niet vast dat en in hoeverre Wigwam aansprakelijk is voor de verontreiniging en of, en voor welk deel Wigwam ten gevolge van de sanering daarvan, ongerechtvaardigd is verrijkt. Dit geldt te meer nu de conclusies die Shell trekt uit het rapport van Tauw door Wigwam c.s. zijn betwist, dat klaarblijkelijk op meerdere plaatsen verontreiniging is aangetroffen en Shell in de brief van 19 mei 1994 en in 2002 heeft aangegeven, dat zij zelf ook een deel (15%) van de kosten voor haar rekening zou nemen.

4.8.2. Vastgesteld moet worden dat aan beide partijen ter zake van het onvolledig gevoerde debat een verwijt kan worden gemaakt. Om onnodig appel te voorkomen zal de rechtbank Shell in de gelegenheid stellen haar standpunt, dat sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking, met inachtneming van het voorgaande nader te onderbouwen. Wigwam c.s. zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren.

4.9. Voor zover Wigwam c.s. zich heeft willen beroepen op de mededeling dat door het contracteren met Tinq de kwestie met Shell voor eens en voor altijd achter de rug was, faalt dit beroep. Nu Wigwam c.s. niet heeft aangegeven door wie deze mededeling is gedaan (Wigwam, Shell of Tinq) en voorts in gebreke is gebleven de context en strekking van deze mededeling weer te geven, voldoet dit standpunt niet aan de stelplicht, zodat dit zal worden gepasseerd.

4.10. De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating als in rov. 4.8.2. is overwogen. Verder wordt iedere beslissing aangehouden.

in reconventie

4.11. Aangezien Wigwam c.s. aan haar reconventionele vordering de voorwaarde heeft verbonden dat de rechtbank in conventie oordeelt dat Barrel en [gedaagde sub 3] terecht in de procedure zijn betrokken en deze voorwaarde niet is vervuld, behoeft de reconventionele vordering geen bespreking.

in conventie en reconventie

4.12. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het partijen vrijstaat naar aanleiding van dit vonnis in overleg te treden om te trachten tot een schikking te komen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 9 juli 2008 voor akte uitlating door Shell als is overwogen in rov. 4.8.2. Vervolgens wordt de zaak verwezen naar de rol van woensdag 23 juli 2008 voor antwoordakte van de zijde van Wigwam c.s.

5.2. houdt verder iedere beslissing aan,

in reconventie

5.3. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2008.