Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BG1780

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
13-11-2008
Zaaknummer
124273 / HA ZA 06-1137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadezaak; Whiplash.

Waarde van deskundigenrapport:

Geen overeenstemming over vraagstelling en keuze artsen, dus niet op voorhand van grote betekenis. Waarde afhankelijk van aantal ( in r.o. 4.6 opgesomde) factoren onder andere: tekortschietende vraagstelling voorkeur voor die van IWMD.)

Vanaf r.o. 4.22 overwegingen over de patientenkaart, toepassing HR 22 februari 2008, LJN BB5626 en BB3676.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 194
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 10
JA 2009/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 124273 / HA ZA 06-1137

Vonnis van 25 juni 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. F.P. de Jong te Groningen,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. UNIVÉ SCHADE,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en Univé genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte ex artikel 111 lid 3 Rv

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is op 28 september 1999 het slachtoffer geworden van een verkeersongeval. [eiser] reed op een tractor en is van achteren, met hoge snelheid, aangereden door een in het kader van de WAM bij Univé verzekerde automobilist.

Univé heeft de aansprakelijkheid voor de schade die [eiser] ten gevolge van het ongeval heeft geleden, erkend.

2.2. [eiser] was ten tijde van het ongeval gedeeltelijk in loondienst en gedeeltelijk werkzaam als zelfstandige.

Als zelfstandige had [eiser] een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Univé. Univé heeft in eerste instantie de verzekerde jaarrente voor 75% uitgekeerd. Dit correspondeerde met een arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de arbeidsongeschiktheidspolis van 65-80%. Per 26 november 2001 heeft Univé geconcludeerd dat [eiser] diende te worden geplaatst in de klasse 35-45%, hetgeen correspondeert met een uitkeringspercentage van 40% van de verzekerde jaarrente.

In het kader van de WAO is [eiser] geplaatst in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25%.

2.3. Het met het oog op de WA-kwestie door (de schaderegelaar van) [eiser] aangelegde medisch dossier is door [eiser] in het geding gebracht.

Dit dossier omvat onder meer een brief van 5 januari 2000 van de huisarts van [eiser], [A], aan de medisch adviseur van Univé. Daarin staat het volgende geschreven:

“Informatie betreffende het ongeval de heer [eiser] overkomen op 28 september 1999.

Direkt na het ongeval waren er geen afwijkingen van betekenis. Vervolgens ontwikkelde de heer [eiser] klachten over zijn rechter heup, zijn rug en kreeg hij nekklachten.

X-heupen en thwk: geen bijzonderheden.

Op dit moment bestaan de nekklachten nog, heeft hij hoofdpijn, concentratieproblemen en klachten over vergeetachtigheid.

De diagnose: whiplash.”

2.4. Voorts is er een brief van de Arbo-arts [B] van 11 mei 2000 aan de belangenbehartiger van [eiser]. Daarin staat onder meer het volgende:

“Dhr. [eiser] zag ik voor het eerst op het spreekuur 29-10-1999. Hij klaagde over de pijn in zijn nek, concentratiestoornis, moeheid.

22-03 was re-integratieplan opgesteld, naar onze verwachting kan Bt binnen 1 jaar gere-integreerd worden in eigen functie.”

2.5. In het medisch dossier van [eiser] bevindt zich verder een brief van KNO-arts [C] van 29 maart 2001 met daarin de volgende conclusie:

“Een relatie tussen de cochleaire pathologie (binnenoors slechthorendheid) links en het genoemde verkeersongeval kan – ook al zou een latentie bestaan tussen het ongeval en de gehoorvermindering- niet worden uitgesloten.”

2.6. Tenslotte is er nog een brief van de huisarts van [eiser], [A], van 4 januari 2001, gericht aan de belangenbehartiger van [eiser]. De huisarts vermeldt onder meer:

“Naar aanleiding van uw verzoek betreffende inlichtingen over bovenstaand geval deel ik u het volgende mee:

28-09-1999 betrokken bij een ongeval: wondje bij rechter ooghoek: gb en kneuzingen.

07-10-1999 houdt klachten van rechter heup regio: X-foto gb

19-10-1999 nog nekklachten

04-11-1999 rugklachten

In de loop van de tijd blijkt dat de klachten blijven, klachten van de nek, de rug, niet kunnen concentreren en verminderde belastbaarheid.

Lijkt whiplash en postwhiplashsyndroom/posttraumasyndroom.”

2.7. In het voorjaar van 2000 is medisch onderzoek met betrekking tot [eiser] verricht door neuroloog [D] en neuropsycholoog [E]. Dit heeft geresulteerd in een verslag van neuroloog [D] van 20 juli 2001. In dit verslag staat onder andere vermeld:

“Anamnese

(…)

Nog steeds heeft betrokkene last van pijn in rug en nek en veel last van hoofdpijn. Die pijn is bijna continu aanwezig. Naast het al genoemde gehoorverlies links zegt hij zich ook minder goed te kunnen concentreren. (…)

Er werd kennisgenomen van de volgende beschikbare informatie:

01 medisch controle rapport Univé Verzekeringen d.d. 3 november 1999

02 medisch controle rapport Univé Verzekeringen d.d. 8 december 1999

03 brief van de huisarts [A] d.d. 5 januari 2000

04 brief van de arts [B] d.d. 11 mei 2000

05 brief met bijlage van de KNO-arts [C] d.d. 29 maart 2001

Conclusie

Betrokkene is een thans [leeftijd] [akkerbouwer], die op 28 september 1999 betrokken was bij een ernstig ongeval, waarbij betrokkene op zijn tractor met hoge snelheid door een auto van achteren werd aangereden. De geweldsinwerking was dermate groot dat de tractor van de weg afschoot en kantelde. Bij het ongeval kwam de bestuurder van de auto om het leven. Betrokkene heeft ten gevolge van het ongeval rugpijn opgelopen en pijn in zijn rechterbeen. Hij heeft vanwege deze klachten zijn huisarts geraadpleegd, die geen duidelijke afwijkingen kon constateren en rekening hield met een whiplashsyndroom. Betrokkene is bij het ongeval niet bewusteloos geweest, zodat er niet sprake is van een commotio cerebri. Blijkens het ongevalsmechanisme is er inderdaad sprake van een whiplashletsel, waarbij ik meen dat de mechanische geweldsinwerking zeer groot is geweest en het goed verklaarbaar is dat betrokkene hierdoor ernstige tendomyogene rugpijn heeft opgelopen, ondanks de afwezigheid van specifiek anatomische afwijkingen. Ten gevolge van deze chronische pijn, zijn er een aantal secundaire, pseudoneurologische symptomen ontstaan, zoals concentratiezwakte, vergeetachtigheid en toegenomen emotionaliteit. Door de pijn kan betrokkene niet goed zijn werk verrichten, de ADL-activiteiten en zijn hobby’s zijn sterk gereduceerd.

Bij het ongeval is geen hersenletsel opgetreden, in het bijzonder geen commotio cerebri. De klachten met betrekking tot geheugen, concentratie, alsmede de verminderde inspanningstolerantie moeten daarom ook niet verklaard worden vanuit een structurele hersenbeschadiging, maar zijn het secundaire gevolg van de chronische pijn. De neuropsycholoog [E] signaleert een milde psychogene bovenbouw, waardoor emotionele stress relatief gemakkelijk kan worden omgezet in lichamelijke malaisegevoelens. Ik heb echter niet de indruk dat bij deze voorheen gezonde [akkerbouwer], de huidige rugpijn sterk psychosomatisch bepaald is. Ik denk wel dat de testresultaten van het neuropsychologisch onderzoek wijzen op een emotionele betrokkenheid ten aanzien van lichamelijke klachten. Tenslotte wil ik aangeven dat ik geen aanwijzingen heb kunnen constateren voor andere neurologische afwijkingen. De gehoorsvermindering van het linkeroor is naar mijn opvatting een toevalsbevinding en niet gerelateerd aan het ongeval.

Beantwoording van de vragen

1 Welke zijn uw bevindingen bij anamnese, lichamelijk onderzoek en eventueel hulponderzoek? Welke diagnose(n) stelt u op uw vakgebied? Welke behandelingen werden ingesteld en met welk resultaat?

Met betrekking tot de bevindingen bij anamnese, onderzoek en neuropsychologisch onderzoek, verwijs ik naar de hierboven vermelde gegevens.

De diagnose op mijn vakgebied luidt: Chronisch tendomyogeen pijnsyndroom.

2 Wilt u op grond van uw onderzoeksbevindingen en de overige beschikbare gegevens zo uitgebreid mogelijk en gemotiveerd aangeven:

a waaruit de restklachten en/of restverschijnselen bestaan die als ongevalsgevolg moeten worden beschouwd?

De primaire restklachten betreffen de tendomyogene rugpijn, de pijn in de nek en de hoofdpijn. De overige klachten, namelijk de concentratiezwakte, de toegenomen emotionaliteit, de moeite met lezen en de vergeetachtigheid, zijn het indirecte, secundaire gevolg van de chronische pijn.

b welke van de huidige klachten en/of verschijnselen naar uw mening reeds voor het ongeval d.d. 28 september 1999 bestonden?

Geen van de huidige klachten waren voor het ongeval aanwezig.

3 Wilt u de mate van functiestoornis (= impairment) op uw vakgebied als gevolg van het ongeval uitdrukken in een percentage van de mens ongeacht enig beroep en uitgaande van de toestand van betrokkene voor het ongeval?

Wilt u hierbij uitgaan van de richtlijnen van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment (AMA-Guide) 1e druk van de 4e editie?

Ten behoeve van de bepaling van de mate van blijvende functionele invaliditeit op het vakgebied Neurologie, kom ik tot de volgende overwegingen, de richtlijnen voor de Nederlandse Vereniging voor Neurologie in aanmerking nemend en refererend aan de AMA-gids 4e druk.

Ten aanzien van de tendomyogene klachten geldt: “pijn zonder objectiveerbare afwijkingen, maar met bekende oorzaak” te waarderen met 0-5%. Deze klachten schat ik op 4%.

4a Welke beperkingen stelt betrokkene te ondervinden bij activiteiten van het dagelijkse leven, in de vrije tijdsbesteding (inclusief huishoudelijke arbeid)?

Lichte beperkingen

b Welke beperkingen zijn er ten aanzien van werk?

Matige beperkingen

c Zijn er andere, niet door betrokkene aangegeven beperkingen op uw vakgebied en als gevolg van het ongeval, waarmee bij de beoordeling rekening dient te worden gehouden?

Er zijn geen andere, niet door betrokkene aangegeven, beperkingen waarmee bij de beoordeling rekening moet worden gehouden. De door betrokkene aangegeven beperkingen kunnen door het ongeval in kwestie worden verklaard.

5 Is de heer [eiser] geheel dan wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt voor zijn werk? Zo ja, kunt u dan de beperkingen aangeven en zo mogelijk het percentage?

De heer [eiser] acht ik gedeeltelijk arbeidsongeschikt voor zijn werk, ten gevolge van de bij het ongeval ontstane rugpijn. De beperkingen betreffen het bukken, roteren en tillen. Ik acht mij niet bevoegd om over dit arbeidsongeschiktheidspercentage een uitspraak te doen.

6 Is er thans sprake van een relatieve of definitieve eindtoestand met betrekking tot de ongevalsgevolgen?

Zo nee, verwacht u nog een verbetering dan wel een verslechtering ten opzichte van het huidige toestandsbeeld en op welke termijn kan een eindtoestand wel worden verwacht? In hoeverre zal deze verandering het hierboven genoemde percentage functiestoornis nog beïnvloeden?

Gezien de duur, die thans verstreken is en de stabiele situatie, meen ik dat thans sprake is van een eindtoestand. Ik verwacht geen verdere verslechtering. Enige verbetering kan in de toekomst nog wel optreden, waarbij ik niet de indruk heb dat hierdoor bovengenoemd percentage essentieel zal veranderen.

7 Kan de belasting in het werk verdere schade opleveren?

Neen.”

2.8. Op 10 juni 2002 is vervolgens nog een rapport uitgebracht door registerarbeidsdeskundige Pigge en bedrijfseconoom Smid.

In de mede op basis van deze rapportage gebaseerde actuariële schadeberekening is het verlies van arbeidsvermogen van [eiser] ten gevolge van het ongeval begroot op EUR 587.856,00.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van Univé tot betaling van EUR 672.221,14 en voorts tot het verstrekken van een deugdelijke fiscale garantie, één en ander onder het voorbehoud dat de huidige WAO-uitkering blijft bestaan, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Univé voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kern van het geschil tussen partijen betreft in de eerste plaats de vraag of de door [eiser] gestelde klachten en beperkingen in causaal verband staan met het ongeval waarvoor Univé de aansprakelijkheid heeft erkend.

4.2. Volgens [eiser] is de dwingende conclusie die aan het rapport van [D] en [E] kan worden verbonden inderdaad dat de door hem geuite en geobjectiveerde klachten en beperkingen in causaal verband staan met de onrechtmatige gedraging van de verzekerde van Univé.

4.3. Univé heeft dit evenwel betwist. Univé heeft gesteld dat het onderzoek dat [D] en [E] hebben verricht eenzijdig door [eiser] is opgestart en dat zij zich niet heeft verenigd met de keuze van de artsen, noch met de vraagstelling en dat zij wat dat betreft ook niet betrokken is geweest bij het onderzoek. De contacten die [eiser] met Univé over dit onderzoek heeft gehad, betroffen de arbeidsongeschiktheidsverzekering(AOV)-afdeling van Univé en hadden betrekking op de aan [eiser] te verstrekken arbeidsongeschiktheidsuitkering. De vragen die de onderzoekers zijn voorgelegd zijn (deels) ook geënt op een expertise in het kader van de AOV-uitkering. Bovendien zijn de onderzoekers ook niet gevraagd om de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Neurologen (NVN) toe te passen.

4.4. Partijen verschillen aldus van mening over de betekenis van het rapport van [D] en [E]. Bij de waardering van een deskundigenrapport als het onderhavige heeft als uitgangspunt te gelden dat een dergelijk rapport in beginsel tot bewijs kan dienen, ook wanneer het niet op de wijze als omschreven in de artikelen 194 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tot stand is gekomen.

4.5. In het onderhavige geval zijn de deskundigen niet door beide partijen tezamen benaderd. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat partijen wel hebben gesproken over de persoon van de te benoemen deskundige en over de vraagstelling maar dat er nog geen overeenstemming was.

[eiser] heeft weliswaar een brief van 21 maart 2001 van haar belangenbehartiger overgelegd waarin wordt bericht dat de AOV verzekeraar medische expertise door [F]/[D] voorstelt maar nog afgezien van het feit dat de ontvangst van de brief door Univé wordt betwist, betekent instemming van de afdeling AOV ook niet zonder meer dat de afdeling WA met de benoeming van de genoemde deskundigen instemde. Beide afdelingen zijn weliswaar onderdeel van gedaagde maar er waren verschillende contactpersonen aangewezen en die mochten er redelijkerwijs op vertrouwen dat [eiser] met allen afzonderlijk overeenstemming zou bereiken.

Uit de eveneens overgelegde brief, gedateerd 5 februari 2001, ontvangen op 10 april 2001, blijkt dat de benoeming van de door [eiser] voorgestelde neuroloog [F] in het geheel niet aanvaardbaar was in het onderhavige geschil. Van overeenstemming met de contactpersoon die optrad in de WA-kwestie was dan ook geen sprake.

Uit de door [eiser] gestelde uitkomst van het overleg op 26 september 2000 waar de door Univé ingeschakelde tussenpersoon akkoord zou zijn gegaan met de inschakeling van het MEAC te Assen waar [F] en [D] werkzaam waren, kan in elk geval –nog afgezien van de betwisting van dat akkoord door Univé- ook geen instemming van de WA-verzekeraar met de benoeming van [D] als deskundige worden afgeleid. Niet gesteld is immers dat het akkoord met zoveel woorden betrekking had op de benoeming van de persoon van neuroloog [D] als deskundige. Blijkbaar had [eiser] daaromtrent zelf ook twijfels aangezien er vervolgens nog verdergaand overleg is geweest over de persoon van de te benoemen deskundige, getuige ook de hiervoor genoemde correspondentie. In dat licht is verder van belang de brief van de door Univé aangewezen tussenpersoon van 5 februari 2001 aan de belangenbehartiger van [eiser] waarin een voorbehoud wordt gemaakt ten aanzien van de keuze van [eiser] om neuroloog [F] te benoemen. In elk geval wordt daarin niet op voorhand ingestemd met de benoeming van een andere, bij het MEAC werkzame, neuroloog zoals [D].

Van een dergelijke instemming blijkt bovendien niet uit de –overigens ook door Univé betwiste- inhoud van de memo van 10 december 2001. Zelfs indien van de juistheid van die memo zou worden uitgegaan, kan daaruit niet meer worden afgeleid dan dat Univé akkoord is met een medische expertise zonder dat is aangegeven wie die expertise moet uitvoeren.

Van benoeming van een neuropsycholoog naast de te benoemen neuroloog blijkt uit de overgelegde stukken tenslotte al helemaal niet. In zoverre kan dan ook niet worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van instemming van Univé met de benoeming van [E] door Univé.

Het is uiteindelijk [eiser] geweest die er zelf voor heeft gekozen om neuroloog [D] te benaderen, die op zijn beurt neuropsycholoog [E] heeft ingeschakeld om een onderzoek (ook) in het kader van de personenschade te laten verrichten.

Van een medische expertise die tot stand is gekomen in onderling overleg tussen partijen en waaraan op voorhand grote betekenis moet worden toegekend is geen sprake.

4.6. Dit betekent echter niet dat aan een eenzijdige rapportage als de onderhavige in het geheel geen of slechts een geringe waarde kan worden gehecht, maar wel dat die waarde afhankelijk is van een aantal factoren, waaronder:

- de vraag of de andere partij invloed heeft gehad op de keuze van de deskundige en, zo niet, of de deskundigheid van de opsteller van de partijrapportage door de andere partij in twijfel is getrokken;

- de vraag of de andere partij invloed heeft gehad op de vraagstelling en, zo niet, of de andere partij met de vraagstelling kan instemmen;

- de vraag of de vraagstelling aan de deskundige adequaat was;

- de vraag of de andere partij de gelegenheid heeft gehad om zijn zienswijze (en eventuele vragen en opmerkingen) aan de deskundige kenbaar te maken;

- de vraag of de deskundige heeft kunnen beschikken over alle relevante informatie;

- de vraag of en in hoeverre de andere partij met het rapport van de deskundige kan instemmen.

4.7. Deze factoren zullen hierna worden uitgewerkt voor het geschil tussen partijen.

4.8. Met betrekking tot de keuze van de deskundige kan worden opgemerkt dat Univé niet heeft ingestemd met de benoeming van neuroloog [D] en neuropsycholoog [E]. In dat verband wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent is overwogen onder 4.5. Hieraan dient evenwel te worden toegevoegd dat Univé niet gemotiveerd heeft gesteld dat (en waarom) de uiteindelijk benoemde deskundigen voor haar onaanvaardbaar zijn. Uit een advies van haar medisch adviseur van 27 februari 2001 blijkt slechts dat die adviseur in het verleden slechte ervaringen had met [F] maar deze neuroloog is niet als deskundige benoemd. Van bezwaren tegen de benoeming van neuroloog [D] blijkt uit die notitie niet. Ook overigens is daaromtrent niet voldoende gesteld door Univé. Evenmin is onderbouwd waarom de deskundigheid van neuropsycholoog [E] in twijfel wordt getrokken.

De deskundigheid van de opstellers van het rapport kan aldus geen reden zijn om geen of minder waarde aan het rapport te hechten. Het enkele feit dat Univé uiteindelijk niet heeft ingestemd met de benoeming van [D] en [E] als deskundigen, doet, met andere woorden, niet af aan de waarde van het rapport.

4.9. Bij de formulering van de vraagstelling is Univé blijkens de hiervoor genoemde correspondentie op zich wel betrokken geweest.

Van een onvoorwaardelijke instemming met de uiteindelijk aan de deskundige voorgelegde vragen blijkt evenwel niet.

Uit het overgelegde advies van de medisch adviseur van Univé van 27 februari 2001 kan weliswaar worden afgeleid dat hij akkoord ging met de voorgestelde vraagstelling, met uitzondering van die met betrekking tot een bijlagenlijst, maar in de brief van de tussenpersoon van Univé, ontvangen door de schadebehandelaar van [eiser] op 10 april 2001, wordt ten aanzien van die vraagstelling een voorbehoud gemaakt met betrekking tot (het hanteren van) de NVN-richtlijnen.

Volgens deze richtlijnen, aldus de onbetwiste stelling van Univé, dient onder meer aandacht te worden geschonken aan de vraag welke periode heeft gelegen tussen het ongeval en het ontstaan van de klachten. Dit is volgens Univé van belang omdat uit het briefje van de huisarts van [eiser] van 5 januari 2000 kan worden afgeleid dat er direct na het ongeval geen afwijkingen van betekenis waren.

Uit de rapportage blijkt niet dat de deskundige neuroloog, zoals door Univé was voorgesteld, gevraagd is rekening te gehouden met de in zijn beroepsgroep gehanteerde richtlijnen. In zoverre kan dan ook niet worden aangenomen dat de vraagstelling conform de wensen van Univé was.

De invloed van Univé op de vraagstelling is beperkt geweest.

Met Univé dient in dit verband verder nog te worden geconcludeerd dat het enkele gegeven dat haar medisch adviseur naar aanleiding van de expertiserapporten opmerkingen heeft gemaakt, in elk geval ook niet betekent dat zij achteraf alsnog heeft ingestemd met de vraagstelling zoals die aan de onderzoekers is voorgelegd.

4.10. Een volgend punt van aandacht is of de vraagstelling aan de deskundige adequaat was. Hiervoor is reeds aan de orde gekomen dat aan de deskundige(n) niet is gevraagd aansluiting te zoeken bij de in de beroepsgroep gehanteerde richtlijnen.

Nu bestaat er weliswaar geen algemene regel die inhoudt dat een neuroloog die als deskundige wordt aangewezen de richtlijnen van de NVN hanteert maar dat laat onverlet dat er in het onderhavige geval wel reden bestond om in elk geval ook aandacht te besteden aan het tijdsinterval tussen het ongeval en de klachten zoals ook die richtlijnen voorschrijven. Dat gold in het bijzonder met betrekking tot de rugklachten die [eiser] heeft ontwikkeld, nu –zoals Univé terecht opmerkt- van die klachten niet blijkt uit de brief van de bedrijfsarts van 11 mei 2000 en evenmin uit de brief van de huisarts van 5 januari 2000.

4.11. Meer in het algemeen kan worden geconstateerd dat door de deskundigen geen vergelijking is gemaakt tussen de situatie na het ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval. Een dergelijke vergelijking is juist bedoeld om inzicht te verkrijgen in de vraag of er causaal verband aanwezig is tussen het ongeval dat [eiser] overkwam en de door de deskundige zelf geconstateerde klachten en beperkingen. Met name ten aanzien van de bij [eiser] ontstane rugklachten kan een dergelijke vergelijking van praktisch nut zijn.

De vraagstelling zoals die aan de deskundigen is voorgelegd lijkt veeleer bedoeld te zijn geweest om te onderzoeken of de beperkingen en klachten van [eiser] hebben geleid tot arbeidsongeschiktheid van [eiser] in de zin van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en niet zozeer om te onderzoeken of er causaal verband bestaat tussen het ongeval en de gestelde klachten en beperkingen.

4.12. De slotsom is dat de gekozen vraagstelling tekort schiet, zeker wanneer ze wordt vergeleken met de door de IWMD (Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen) ontwikkelde vraagstelling, waaraan de rechtbank de voorkeur geeft wanneer zij zelf een deskundige benoemt.

4.13. Uit het rapport blijkt verder niet dat Univé de gelegenheid heeft gehad om de deskundigen zelf te benaderen met vragen en opmerkingen.

4.14. Een andere factor die in dit verband van belang is, betreft de beperkte informatie die de deskundigen bij hun onderzoek hebben betrokken. Uit het rapport van de deskundigen blijkt dat zij alleen beschikten over een aantal (redelijk summiere) rapporten en brieven. Door Univé is naar voren gebracht dat betwijfeld kan worden of de onderzoekers zo wel een compleet beeld van de zaak hebben kunnen krijgen.

Met Univé kan worden vastgesteld dat het feit dat de deskundigen niet hebben beschikt over meer informatie van bijvoorbeeld de huisarts afbreuk doet aan de waarde van de rapportage.

Om te kunnen vaststellen of en in hoeverre [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval ook enige klachten zou hebben gehad, bijvoorbeeld in verband met zijn werkzaamheden als [akkerbouwer] en/of loonwerker, is het zinvol dat de medische situatie van [eiser], zowel voor als na het ongeval, nauwkeurig in beeld wordt gebracht. De informatie van de huisarts kan daarin een belangrijke rol spelen.

Het had dan ook voor de hand gelegen dat de deskundigen meer informatie zouden hebben opgevraagd. Dat is evenwel niet gebeurd terwijl uit het rapport niet kan worden afgeleid waarom zij dat hebben nagelaten en meer in het bijzonder blijkt niet of zij geen belang hechtten aan die nadere informatie.

4.15. Van belang voor de waardering van het rapport is verder dat (de medisch adviseur van) Univé kritiek heeft op het rapport, met name op (het ontbreken van) het tijdsinterval tussen ongeval en klachten, in het bijzonder de rugklachten.

4.16. Uit het bovenstaande volgt, mede gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4.6. is vooropgesteld, dat de waarde van de rapportage in deze procedure beperkt is. Univé heeft niet onvoorwaardelijk met de vraagstelling ingestemd en uit het rapport blijkt niet dat zij gelegenheid heeft gekregen om de deskundigen te benaderen met vragen en opmerkingen. Bovendien laat de vraagstelling te wensen over en hebben de deskundigen niet aangegeven waarom zij met summiere medische achtergrondinformatie genoegen hebben genomen. Tenslotte wordt de inhoud van het rapport ook gemotiveerd bekritiseerd door Univé.

De conclusie is dan ook dat [eiser] met het rapport het causaal verband tussen het ongeval en de door hem ervaren klachten niet heeft bewezen.

4.17. Een nieuw onderzoek door één of meer deskundigen is, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4.16 is overwogen, noodzakelijk.

4.18. Opgemerkt dient nog te worden dat het beroep van [eiser] op rechtsverwerking in het onderhavige geval niet op gaat. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat Univé, na de totstandkoming van het rapport, meerdere keren heeft benadrukt het rapport als eenzijdig te beschouwen. Uit het advies van medisch adviseur Buitenhuis van Univé blijkt bovendien ook dat hij kritiek had op de inhoud van het rapport hoewel de beoordeling op zich als redelijk werd beschouwd. Gelet hierop kan [eiser] zich niet onverkort op het standpunt stellen dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Univé de rapportage als tweezijdig beschouwde en dat zij de uitkomsten niet meer zou betwisten.

Het enkele gegeven dat Univé zich, nadat het rapport was uitgebracht, coöperatief heeft opgesteld teneinde tot een afwikkeling van de schade te komen, kan in elk geval redelijkerwijs niet worden opgevat als een handelen waaraan [eiser] het vertrouwen kon ontlenen dat Univé haar bezwaren niet zou handhaven.

Daarbij verdient opmerking dat de houding van Univé in deze wel aanleiding kan zijn om de kosten van die vervolgonderzoeken voor rekening van Univé te laten. Univé heeft immers met deze onderzoeken ingestemd hoewel zij twijfelde aan de juistheid van de uitgangspunten. Door met de verdere onderzoeken in te stemmen zonder eerst de juiste uitgangspunten vast te laten stellen, heeft zij het risico genomen dat deze onderzoeken voor niets zouden plaatsvinden.

4.19. Partijen hebben zich reeds op voorhand uitgelaten over de discipline van de te benoemen deskundigen en hun personen.

De rechtbank is voornemens om –in overeenstemming met hetgeen reeds door partijen naar voren is gebracht- in elk geval een neuroloog als deskundige te benoemen. Deze deskundige kan vervolgens, indien hij dat noodzakelijk acht, een neuropsycholoog bij het onderzoek betrekken. Het onderzoek door de neuropsycholoog dient dan ter ondersteuning van het onderzoek door de neuroloog.

4.20. Partijen twisten over de persoon van de te benoemen neuroloog. [eiser] heeft voorgesteld de heer Beijersbergen, werkzaam in het NOC te Bilthoven of de heer [F], werkzaam in het NEBC te Diever als deskundige te benoemen.

Univé heeft gemotiveerd aangegeven dat zij zich met dit voorstel niet kan verenigen. Zij heeft op haar beurt voorgesteld om prof. dr. Wokke te Utrecht of dr. Van den Doel te Amersfoort te benoemen.

Nu [eiser], hoewel hij daartoe in de gelegenheid was, geen bezwaren kenbaar heeft gemaakt met betrekking tot de benoeming van één van deze door Univé voorgestelde personen doch alleen nog een nieuwe naam naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank er vanuit dat zowel de benoeming van prof. dr. Wokke als die van dr. Van den Doel voor [eiser] acceptabel is.

Gelet op zijn vermelding in de door de rechtbank geraadpleegde deskundigenindex en de termijn waarop hij voor het verrichten van onderzoek beschikbaar is, acht de rechtbank de benoeming van dr. Van den Doel het meest in de rede liggen.

4.21. Nu Univé geen bezwaar heeft gemaakt tegen het voorstel van [eiser] om met betrekking tot de eventuele neuropsychologische aspecten mevrouw Bruins te Amsterdam als neuropsycholoog bij het onderzoek te betrekken, komt het de rechtbank geraden voor dat de te benoemen neuroloog, des nodig, deze neuropsycholoog bij zijn onderzoek betrekt.

4.22. Tussen partijen staat nog ter discussie of [eiser] gehouden is zijn volledige patiëntenkaart aan de aldus te benoemen deskundigen en/of aan de medisch adviseur van Univé en/of aan haar raadsman ter beschikking te stellen.

De rechtbank ziet aanleiding om in dit verband aansluiting te zoeken bij de arresten van de Hoge Raad van 22 februari 2008, LJN BB5626 en LJN BB3676 over dit onderwerp. Hoewel deze arresten in een andersoortige procedure, te weten die van het voorlopige deskundigenbericht, zijn gewezen, zijn de overwegingen over de verplichting tot medewerking aan het deskundigenonderzoek en die met betrekking tot de afweging tussen het recht op privacy en het recht op verdediging ook in deze procedure van belang.

4.23. Voorop staat dat het doel van een deskundigenbericht is antwoord te krijgen op de aan de deskundige gestelde vragen. Dat oordeel geeft de deskundige naar het voorschrift van artikel 198 lid 1 Rv onpartijdig en naar beste weten. Dit brengt mee dat het de deskundige is die heeft te bepalen welke door partijen te verschaffen gegevens voor de uitvoering van het hem opgedragen onderzoek noodzakelijk zijn. De partijen zijn op grond van artikel 198 lid 3 Rv tot medewerking aan het deskundigenonderzoek verplicht, zodat zij desgevraagd de deskundige die gegevens moeten verstrekken. Uit een weigering tot medewerking aan het deskundigenonderzoek zal, indien het deskundigenonderzoek in de procedure wordt overgelegd, de rechtbank de gevolgtrekking kunnen maken die zij geraden acht.

4.24. Een volgende vraag is of Univé, zoals zij zelf stelt, aanspraak kan maken op de verstrekking van of inzage in alle medische gegevens die [eiser] aan de deskundige verschaft.

Het bepaalde in de slotzin van het tweede lid van artikel 198 Rv alsmede het daaraan ten grondslag liggende contradictoire beginsel brengt mee dat gegevens die door de ene partij aan de deskundige worden verschaft, tegelijkertijd in afschrift of ter inzage worden verstrekt aan de wederpartij. Dat geldt echter niet onverkort voor medische gegevens die aan de deskundige worden verstrekt door de partij die eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht van artikel 7:464 lid 2, aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek (BW). Deze partij is, met het oog op de eventuele uitwerking van haar blokkeringsrecht, in beginsel niet verplicht de door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de (raadsman van de) wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken. Dit lijdt echter in een geval dat de wederpartij, zoals in casu, een verzekeraar is die over een medisch adviseur beschikt, in zoverre uitzondering dat tevens en tegelijkertijd aan de medisch adviseur van de verzekeraar alle aan de deskundige verschafte gegevens in afschrift of ter inzage worden verstrekt. Aangenomen moet immers worden dat de medisch adviseur, ook ten opzichte van de verzekeraar, de aldus verkregen medische informatie als hem onder zijn geheimhoudingsplicht toevertrouwd zal beschouwen en behandelen.

Aantekening verdient verder nog dat de deskundige in zijn bericht zal hebben aan te geven welke medische gegevens hij heeft ontvangen, waaronder ook die welke hij weliswaar heeft ontvangen maar niet aan zijn deskundig oordeel ten grondslag heeft gelegd.

4.25. Indien de partij die het blokkeringsrecht heeft, van dit recht geen gebruik maakt en het deskundigenbericht ter beschikking van de wederpartij wordt gesteld, dan is eerstgenoemde partij, indien de wederpartij het verlangt of op bevel van de rechtbank, alsnog verplicht alle door haar aan de deskundige verschafte medische gegevens aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken. Weigert zij dit doen, zonder dat zij daartoe gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 Rv heeft aangevoerd welke door de rechtbank gegrond zijn geoordeeld, dan zal de rechter in de hoofdprocedure uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die zij geraden acht.

4.26. De slotsom is dat [eiser] die medische gegevens moet opvragen die de deskundige bij zijn onderzoek nodig heeft en dat hij daarvan ook een afschrift verstrekt of inzage verleend aan de medisch adviseur van Univé. Indien [eiser], na de totstandkoming van het deskundigenbericht, geen gebruik maakt van zijn blokkeringsrecht, dienen die gegevens ook te worden verstrekt aan of dient inzage te worden verleend in die gegevens aan (de raadsman van) Univé.

4.27. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van beide partijen. Partijen hebben dan de gelegenheid om met elkaar te overleggen over de aan de te benoemen neuroloog voor te leggen vraagstelling. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen zich met betrekking tot de vraagstelling zullen richten naar het IMWD-model.

4.28. Nu aansprakelijkheid van Univé vaststaat, bestaat er aanleiding om Univé te belasten met het voorschot van de kosten van de deskundigen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak naar de rol van 23 juli 2008 voor akte door beide partijen.

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2008.