Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BG0880

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
138122 - HA ZA 07-1369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Jonge vandalen hebben in te staan voor de schade die de gemeente, als eigenaresse , heeft geleden door brandstichting in een slooppand.

- Schade betreft de hogere sloopkosten.

- Eigen schuld gemeente, doordat er onvoldoende bij het blussen is rekening gehouden met asbestvermenging?

Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138122 / HA ZA 07-1369

Vonnis van 16 juli 2008

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE URK,

zetelend te Urk,

eiseres,

procureur mr. C. Borstlap,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.M. Lenards,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.M. Lenards,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.M. Lenards,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H.A. Bosma.

Partijen zullen hierna de gemeente Urk en [gedaagde ] c.s. (gedaagden 1-3) en [gedaagde sub 4] (gedaagde 4) worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord van de zijde van gedaagden sub 1-3

- de conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde sub 4

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek van de zijde van gedaagden sub 1-3

- de conclusie van dupliek van de zijde van gedaagde sub 4

- een akte uitlating van de zijde van de gemeente.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De gemeente Urk is eigenaar van de Beatrixschool.

2.2. De school stond op de nominatie om te worden gesloopt en stond sinds juli 2004 leeg. Sinds de leegstand zijn in het pand diverse vernielingen aangericht en is er een poging tot brandstichting geweest.

2.3. Met het oog op de voorgenomen sloop heeft de gemeente een sloopbestek opgemaakt. Op basis van dit bestek heeft Boverhoff B.V. (Sloopwerken, Beton- Boor- en Zaagbedrijf) op 7 februari 2005 een offerte uitgebracht welke EUR 34.500,00 (inclusief BTW) bedroeg.

2.4. Op 1 juli 2005 hebben gedaagden in de school brand gesticht, waardoor deze is afgebrand. Het schoolgebouw is geheel verloren gegaan.

2.5. De gemeente heeft meteen na de brand een begin gemaakt met de sloopwerkzaamheden. Voor de sloop heeft Bork Sloopwerken B.V. een bedrag van EUR 88.164,72 (inclusief BTW) in rekening gebracht.

2.6. In het schoolgebouw was asbest aanwezig.

2.7. Gedaagden zijn bij vonnis van de kinderrechter respectievelijk de politierechter van

30 januari 2006 veroordeeld wegens brandstichting.

3. Het geschil

3.1. De gemeente Urk vordert samengevat – veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde ] c.s. en [gedaagde sub 4] tot betaling van EUR 48.168,10, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde ] c.s. en [gedaagde sub 4] voeren verweer. Zij menen dat de gemeente in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat deze haar moet worden ontzegd met veroordeling in de kosten van het geding. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De vordering

4.1. De gemeente heeft ter onderbouwing van haar vordering het volgende aangevoerd. [gedaagde ] c.s. en [gedaagde sub 4] hebben door brand te stichten in het schoolgebouw toerekenbaar onrechtmatig jegens de gemeente gehandeld, de gemeente heeft daardoor aan gedaagden toerekenbare schade geleden.

4.2. De gemeente heeft de ontstane schade als volgt onderbouwd: na afloop van de brand heeft zij drie offertes voor sloopwerkzaamheden doen uitbrengen. Het gevorderde bedrag is allereerst het verschil tussen de onder 2.3. genoemde offerte, die is opgesteld vóór de brand en de laagste van de drie na afloop van de brand uitgebrachte offertes. De kosten voor de sloop zijn door meerwerk hoger uitgevallen dan aanvankelijk was begroot; het uiteindelijke schadebedrag is hiermee verhoogd. Ten gevolge van de brand is in het schoolgebouw aanwezige asbest vermengd met de overige restanten van het gebouw. Vanwege deze asbestvermenging zijn er meer kosten voor opruimwerkzaamheden gemaakt. Daarnaast heeft de gemeente kosten gemaakt voor het veiligstellen van de omgeving van het gebouw en heeft zij interne kosten gemaakt.

5. Het verweer

Het verweer van [gedaagde ] c.s.

5.1. [gedaagde ] c.s. hebben verweer gevoerd tegen een deel van het gevorderde schadebedrag. Zij hebben daarbij aangevoerd dat de hoogte van de geleden schade niet is komen vast te staan. Voorts menen [gedaagde ] c.s. dat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan de gemeente kunnen worden toegerekend. Tenslotte menen zij dat er aanleiding is de schadeverplichting te matigen. Ter onderbouwing hebben zij het navolgende gesteld.

5.2. De aan de dagvaarding gehechte schadeopstelling van Cunningham&Lindsey correspondeert niet met de optelsom die de gemeente in de dagvaarding heeft gemaakt; met name heeft Cunningham&Lindsey de post funderingskosten onjuist verwerkt. Voorts is bij de vaststelling van het schadebedrag geen rekening gehouden met vernielingen en brandstichtingen die ná de offertedatum van 7 februari 2005 hebben plaatsgevonden.

Primair zijn [gedaagde ] c.s. van mening dat van asbestvermenging geen sprake is omdat de brandweer tijdens de brand geen asbestdeeltjes in de lucht heeft geconstateerd. Zij menen dat dan ook dat de gemeente onnodig een te hoge offerte van Bork Sloopwerken B.V. heeft geaccepteerd. Subsidiair, indien er wel van asbestvermenging dient te worden uitgegaan, zijn zij van oordeel dat een gedetailleerd werkplan voor asbestsanering niet noodzakelijk was en dat dan de gemeente de gestelde kosten gemoeid met het opstellen van dit werkplan - als al eerder opgesteld - niet als schade mag worden toegekend.

5.3. De gemeente heeft eigen schuld, omdat zij niet genoeg maatregelen heeft getroffen om schade door vernieling en brandstichting te voorkomen. Daarnaast heeft de wijze waarop de brand - in opdracht van de gemeente - is geblust, asbestvermenging tot gevolg gehad, terwijl zulks onnodig was.

5.4. Volledige toekenning van de schadevergoeding leidt vanwege hun jeugdige leeftijd tot onaanvaardbare gevolgen. [gedaagde ] c.s. wijzen er ook in dit kader op dat de gemeente zelf nalatig is geweest met het afsluiten van het terrein van de school.

Het verweer van [gedaagde sub 4]

5.5. [gedaagde sub 4] heeft zich als volgt verweerd: de gemeente heeft de kosten voor de sloop onvoldoende onderbouwd. [gedaagde sub 4] acht het niet denkbeeldig dat de kosten van de sloop lager hadden kunnen zijn. De door de gemeente Urk opgevoerde extra kosten ad EUR 451,46 en EUR 606,92 worden onvoldoende onderbouwd. Voorts meent [gedaagde sub 4] dat de wettelijke rente niet per 1 juli 2005 is verschuldigd, omdat de gemeente de factuur van Bork Sloopwerken B.V. pas veel later heeft betaald. Daarnaast heeft de gemeente eigen schuld omdat zij, terwijl het schoolgebouw inmiddels een jaar leeg stond, geen voorzieningen rondom het gebouw heeft getroffen. De gemeente heeft aldus haar zorgplicht niet of onvoldoende ingevuld. Dit wordt ondersteund door het feit dat de verzekeraar geen schadevergoeding heeft uitgekeerd. Op grond van de eigen schuld is de vordering niet toewijsbaar dan wel dient deze te worden gematigd. Tenslotte meent [gedaagde sub 4] dat, gezien de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, en met name de geringe financiële draagkracht van [gedaagde sub 4], er grond is een eventuele schadevergoedingsplicht te matigen.

5.6. Ook [gedaagde sub 4] wijst er op dat er geen asbest is vrijgekomen en dat derhalve bij de offerte van Bork Sloopwerken B.V. ten onrechte van asbestvermenging is uitgegaan.

6. De beoordeling

6.1. Vast staat de gedaagden op 1 juli 2005 opzettelijk brand hebben gesticht in de Beatrixschool en aldus toerekenbaar onrechtmatig jegens de gemeente hebben gehandeld. Gedaagden hebben derhalve in te staan voor de schade die de gemeente daardoor heeft geleden. De rechtbank zal allereerst oordelen over het geschil inzake de hoogte van de schade. Vervolgens wordt geoordeeld over het verweer inzake eigen schuld aan de zijde van de gemeente en de gevorderde matiging.

A. Omvang van de schade

6.2. Met betrekking tot de schade ontstaan door hogere sloopkosten overweegt de rechtbank als volgt. De gemeente heeft in onderdeel 6 van de dagvaarding een overzicht gegeven van de kosten waarop zij haar vordering heeft gebaseerd. Dit overzicht is gebaseerd op

- de oorspronkelijke sloopofferte van Boverhoff B.V. van 7 februari 2005,

- een factuur van [A] van 8 juli 2005 voor extra sloopkosten direct na de

brand,

- een factuur van de uiteindelijk verrichte sloopwerkzaamheden door Bork

Sloopwerken B.V. van 9 september 2005 en

- een overzicht kosten sloop afgebrande Beatrixschool van 12 juli 2005.

6.3. Als onvoldoende gemotiveerd betwist staat vast dat de gemeente na de brand drie aannemers een offerte heeft laten uitbrengen en de sloop heeft gegund aan Bork Sloopwerken B.V., zijnde de aannemer die de laagste offerte heeft uitgebracht. Vervolgens heeft de gemeente de schade berekend door vergelijking van de offerte van Boverhoff B.V. die is opgesteld vóór de brand en de uiteindelijke door Bork Sloopwerken B.V. bij factuur van 9 september 2005 in rekening gebrachte kosten. Het verschil tussen de offerte van Boverhoff B.V. en de factuur van Bork Sloopwerken B.V. bedraagt EUR 47.109,72 (inclusief BTW).

6.4. Aldus heeft de gemeente het hoofdbestanddeel van haar schadebedrag niet rechtstreeks gebaseerd op het rapport van Cunningham&Lindsey, doch op de deels uit dat rapport van 27 juli 2005 aangehaalde schriftelijke bescheiden en deels op de daarna ontvangen factuur van Bork Sloopwerken B.V. Het verweer dat in het rapport van Cunningham&Lindsey niet op de juiste wijze de kostenbepaling van vóór en na de brand - met name ten aanzien van de kostenpost met betrekking tot de fundering - is weergegeven en de reactie van de gemeente daarop dat het rapport ter zake op een kennelijke verschrijving berust, kan derhalve als niet ter zake onbesproken worden gelaten. Overigens, uit een vergelijking van de offerte van Boverhoff B.V. met de offerte en de factuur van Bork Sloopwerken B.V. blijkt dat beide aannemers de sloop van de fundering in hun berekeningen hebben betrokken, zodat het verweer ook feitelijke grondslag ontbeert.

6.5. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente als juist uitgangspunt van begroting van haar schade het verschil in kosten van sloop vóór de brand en na de brand ten grondslag legt en dat zij, behoudens tegenbewijs door gedaagden, aldus voldoende heeft aangetoond dat dit verschil EUR 47.109,72 (inclusief BTW) bedraagt.

6.6. De schadeposten bestaande uit bij de gemeente intern gemaakte kosten (EUR 606,92) en extra sloopkosten direct na de brand in verband met het veiligstellen van de omgeving (EUR 451,46) zijn door [gedaagde ] c.s. niet betwist, zodat de gevorderde bedragen ten aanzien van hen toewijsbaar zijn. [gedaagde sub 4] heeft deze schadeposten bij antwoord betwist. De gemeente heeft bij repliek van beide schadeposten een onderbouwing gegeven. [gedaagde sub 4] heeft daarop bij dupliek kennisgenomen van de door de gemeente gegeven berekening van EUR 606,92 aan beredderingskosten, zonder daar verder op in te gaan. Ten aanzien van de post EUR 451,46 stelt hij zulks niet te begrijpen, ondanks dat de gemeente bij dagvaarding heeft aangegeven dat het extra sloopkosten betreft, gemaakt direct na de brand in verband met veiligheidsmaatregelen, welke kostenpost wordt onderbouwd door de al bij dagvaarding overgelegde factuur van [A] van 8 juli 2005. Het door [gedaagde sub 4] gehandhaafde verweer dient daarom als onvoldoende onderbouwd te worden verworpen.

6.7. Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat de rechtbank de gemeente als juist uitgangspunt van de bepaling van haar schade neemt het verschil tussen de begrote kosten van sloop van de schade vóór de brand en de werkelijk gemaakte kosten na de brand en dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit verschil en derhalve de schade, behoudens tegenbewijs van gedaagden, EUR 48.168, 10 (inclusief BTW) bedraagt.

6.8. [gedaagde ] c.s. hebben gesteld dat de gemeente niet mocht uitgaan van de offerte van

7 februari 2005, maar een offerte had moeten gebruiken die rekening hield met nadien, doch nog vóór de brand gepleegde vernielingen. De rechtbank overweegt dat de stelling van [gedaagde ] c.s. kennelijk op de aanname berust dat de kosten voor de sloop ten gevolge van eerdere vernielingen en vermeende brandstichtingen mogelijk lager zouden zijn uitgevallen. [gedaagde ] c.s. hebben hiervoor geen onderbouwing gegeven. Nu zij dit hebben nagelaten en bovendien niet is gebleken van eerdere brandstichtingen - er is melding gemaakt van één poging tot brandstichting - zal de rechtbank dit verweer als onvoldoende onderbouwd verwerpen.

6.9. De gemeente heeft - onbetwist - gesteld dat in het schoolgebouw asbest aanwezig was. Uit de stellingen van partijen en productie 11 bij de conclusie van repliek begrijpt de rechtbank dat het asbest aanwezig was in de puien, de vensterbank en de CV-ruimte. Voorts staat vast dat de school volledig is afgebrand en dat delen van de muren zijn ingestort. Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat bij de brand vermenging van het aanwezige asbest met de restanten van het gebouw heeft plaatsgevonden. Het enkele feit dat tijdens de brand geen asbestdeeltjes in de lucht zijn aangetroffen doet daaraan niet af. Het verweer van gedaagden dat er geen asbestvermenging heeft plaatsgevonden, en dat de gemeente bij het aanvaarden van de offerte van Bork Sloopwerken B.V. ten onrechte hiervan is uitgegaan, dient als onvoldoende onderbouwd te worden verworpen.

6.10. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de hoogte van de door de gemeente gevorderde schade is ingegeven door asbestvermenging. [gedaagde ] c.s. hebben ten aanzien van de oorspronkelijke offerte van Boverhoff B.V. de noodzaak van een werkplan voor asbestsanering betwist en gesteld dat de kosten voor een dergelijk werkplan op het gevorderde schadebedrag in mindering dienen te worden gebracht. Volgens [gedaagde ] c.s. zou een werkplan voor asbestsanering niet noodzakelijk zou zijn, omdat de school al was afgebrand en asbest en puin zich hadden vermengd.

De rechtbank stelt vast dat in zowel de oorspronkelijke offerte als in de offerte van Bork Sloopwerken B.V. die ten grondslag ligt aan de factuur van 9 september 2005, is uitgegaan van sanering van asbesthoudende elementen en dat dit conform de daartoe geldende eisen zal geschieden. Uit geen van beide offertes kan worden afgeleid dat een asbestsaneringsplan hiervoor niet noodzakelijk zou zijn. Het had op de weg van [gedaagde ] c.s. gelegen op dit punt een nadere onderbouwing van hun stelling te geven. Nu zij dit niet hebben nagelaten, zal de rechtbank hun verweer als onvoldoende onderbouwd verwerpen.

B. Eigen schuld

6.11. De rechtbank zal nu ingaan op het verweer van [gedaagde ] c.s. en [gedaagde sub 4] dat de gemeente eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade. De rechtbank is van oordeel dat indien de gemeente hekken rondom het schoolgebouw zou hebben geplaatst, het voor [gedaagde ] c.s. en [gedaagde sub 4] moeilijker zou zijn geweest in het pand te komen en daar brand te stichten. In zoverre moet aan [gedaagde ] c.s. en [gedaagde sub 4] worden toegegeven dat het nalaten daarvan enigszins heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Als al geoordeeld moet worden dat dit nalaten van de gemeente in het kader van artikel 6:101 BW ook aan haar kan worden toegerekend, is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aard en de hoge mate van ernst van de door [gedaagde ] c.s. en [gedaagde sub 4] begane onrechtmatige gedraging alsmede de geringe ernst van de tekortkoming aan de zijde van de gemeente, welke naar het oordeel van de rechtbank slechts enigszins tot het ontstaan van de schade heeft bijgedragen, de eisen van billijkheid in dit geval met zich brengen dat de vergoedingsplicht van de gemeente geheel vervalt.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat het nalaten van deze voorzorgsmaatregelen in het kader van artikel 6:101 BW geen toerekenbare omstandigheid is, nu de daaraan ten grondslag liggende zorgvuldigheidsnorm niet beoogt de belangen van [gedaagde ] c.s. en [gedaagde sub 4] als brandstichters te beschermen. De rechtbank is voorts van oordeel dat het feit dat de verzekeraar van de gemeente de schade niet wenst te vergoeden, evenmin kan leiden tot de conclusie dat [gedaagde sub 4] een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW toekomt. De zorgplicht die de gemeente ten opzichte van haar eigendommen dient te betrachten, vloeit immers voort uit een norm die betrekking heeft op de contractuele verhouding tussen de gemeente en de verzekeringsmaatschappij en kan niet door een derde worden ingeroepen.

6.12. Ter onderbouwing van het verweer dat de gemeente eigen schuld treft, hebben [gedaagde ] c.s. voorts gemotiveerd aangevoerd dat de wijze waarop de brand is geblust onnodig asbestvermenging tot gevolg heeft gehad. Volgens [gedaagde ] c.s. zou de asbestvermenging niet hebben plaatsgevonden als de brand met volle kracht was geblust, in plaats van de gekozen wijze om het pand gecontroleerd te laten uitbranden. In dat geval waren de muren van het schoolgebouw dan blijven staan. [gedaagde ] c.s. hebben bewijs van hun stellingen aangeboden. De gemeente heeft bij repliek deze stellingen weersproken en hiertegen ingebracht dat niet terzake doet of de school al dan niet gecontroleerd zou zijn geblust, omdat gelet op de aanwezigheid van asbest in het gebouw, asbestvermenging hoe dan ook zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente de stellingen van [gedaagde ] c.s., in samenhang bezien met het feit dat het asbest op verschillende plaatsen in het gebouw aanwezig was, voldoende heeft weersproken. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het dan ook aan [gedaagde ] c.s. om hun stellingen te bewijzen, waartoe de rechtbank hen, overeenkomstig hun bewijsaanbod, in de gelegenheid zal stellen.

[gedaagde ] c.s. dienen te bewijzen dat indien voor een andere, gezien de omstandigheden aanvaardbare wijze van het bestrijden van de brand was gekozen, er geen asbestvermenging had plaatsgevonden.

6.13. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

6.14. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

C. Matiging

6.15. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 6:109 BW matiging van het gevorderde bedrag alleen dan aan de orde is als toekenning van volledige schadevergoeding tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daarbij dienen de belangen en de omstandigheden die over en weer bestaan, tegen elkaar te worden afgewogen. Nu, zoals uit rechtsoverweging 6.12. volgt, de mate van eventuele eigen schuld van de gemeente nog niet kan worden vastgesteld, kan de rechtbank in dit stadium van de procedure niet tot een afweging van alle van belang zijnde omstandigheden komen. Op het beroep op matiging kan daarom thans nog niet worden beslist.

6.16. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW heeft de gemeente gesteld dat als ingangsdatum heeft te gelden 1 juli 2005. [gedaagde sub 4] heeft hiertegen bij antwoord aangevoerd dat deze datum niet als ingangsdatum kan worden genomen, omdat de factuur van Bork Sloopwerken B.V. toen nog niet was ontvangen en er nog geen betaling had plaatsgevonden.

De gemeente heeft de stelling van [gedaagde sub 4] niet weersproken. De rechtbank overweegt dat, nu de gemeente niet heeft gesteld waarom de rente vanaf de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is, terwijl de grondslag van de geleden schade niet gelegen is in de waardevermindering van het afgebrande schoolgebouw, maar in de hogere te betalen kosten van de sloop, er derhalve termen zijn de wettelijke rente toe te wijzen vanaf de datum van betaling van deze kosten. De gemeente zal worden toegelaten bij akte de datum van betaling, onder overlegging van een betalingsbewijs, op te geven.

7. De beslissing

De rechtbank

7.1. draagt [gedaagde ] c.s. op te bewijzen dat

indien voor een andere, gezien de omstandigheden aanvaardbare wijze van het bestrijden van de brand was gekozen, er geen asbestvermenging had plaatsgevonden.

7.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 augustus 2008 voor uitlating door [gedaagde ] c.s. of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

7.3. bepaalt dat de gemeente ter rolle van 27 augustus 2008 bij akte ter rolle zich uitlaat als bedoeld in rechtsoverweging 6.16., waarna [gedaagde ] c.s. en [gedaagde sub 4] een antwoordakte kunnen nemen,

7.4. bepaalt dat [gedaagde ] c.s., indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

7.5. bepaalt dat [gedaagde ] c.s., indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met oktober 2008 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

7.6. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.B. Werkhoven in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5,

7.7. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

7.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Werkhoven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2008.