Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BE9347

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
27-08-2008
Zaaknummer
07.607328-07 en 07.600917-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

strafmaatmotivering

TBS

TBS met voorwaarden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummers : 07.607328-07 en 07.600917-05 (vtvv)

Uitspraak : 17 juli 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum],

[woonplaats]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2008 en op 3 juli 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Neslo, advocaat te Almere

De officier van justitie, mr. M. Kamper, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte ter zake het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- te gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 350,00 alsmede oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij ter zake het meer of anders gevorderde;

- toewijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 07.600917-05.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijke onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijke verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 10 juni 2008;

- een rapport d.d. 1 juli 2008, uitgebracht door I.C.M. Stiphout en M. Seighali, reclasseringswerker respectievelijk unitmanager van Reclassering Nederland, Regio Midden- en Oost Nederland;

- een psychologisch rapport d.d. 27 juni 2008, uitgebracht door mr. drs. R.A. Sterk, klinisch psycholoog/psychotherapeut en vast gerechtelijk deskundige;

- een psychiatrisch rapport d.d. 27 juni 2008, uitgebracht door W. Postema, psychiater en vast gerechtelijk deskundige;

- een adviesrapport d.d. 6 maart 2008, uitgebracht door I.C.M. Stiphout en M. Seighali, voornoemd;

- een psychologisch rapport d.d. 4 maart 2008, uitgebracht door mr. drs. R.A. Sterk, voornoemd;

- een psychiatrisch rapport d.d. 28 februari 2008, uitgebracht door W. Postema, voornoemd;

- een retourzending rapportageverzoek d.d. 10 december 2007, uitgebracht door I.C.M. Stiphout, voornoemd en A. Brouwer, unitmanager Reclassering Nederland, Regio Midden- en Oost Nederland, Unit Lelystad;

- een brief d.d. 18 oktober 2007 van drs. R.A. Sterk, voornoemd;

- een adviesrapport d.d. 20 september 2007, uitgebracht door N. Bastiaan, reclasseringswerker Reclassering Nederland, Regio Midden- en Oost Nederland, Unit Lelystad en A. Brouwer, voornoemd;

- een brief d.d. 6 maart 2007 van Z. Acherrat en drs. B.J. van Roozendaal, psychiater respectievelijk vestigingshoofd van De Waag te Almere;

- een Afloopbericht toezicht d.d. 11 oktober 2007, uitgebracht door N. Bastiaan en A. Brouwer, voornoemd;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De rechtbank neemt de in voornoemd psychologische rapport d.d. 4 maart 2008 en voornoemd psychiatrische rapport d.d. 27 juni 2008 vervatte conclusies betreffende de licht, althans enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte op de daarvoor in die rapporten bijeengebrachte gronden over.

In het psychologisch rapport d.d. 27 juni 2008 wordt aangegeven dat rapporteur een TBS met voorwaarden niet haalbaar acht, als gevolg van de geringe motivatie van verdachte voor behandeling. Rapporteur geeft als gevolg daarvan aan dat het enige kader waarbinnen betrokkene een behandeling aangeboden zou kunnen worden een setting is, waarin hij zich niet aan de begeleiding kan onttrekken, te weten de setting van TBS met dwangverpleging. Ook dan zal verdachte zich volgens rapporteur waarschijnlijk verzetten tegen behandeling. Door de psycholoog wordt geadviseerd om, indien de rechtbank een TBS met dwangverpleging niet geïndiceerd of buitenproportioneel acht, een straf conform de ernst van het feit op te leggen.

In het psychiatrisch rapport d.d. 27 juni 2008 wordt voor een TBS met voorwaarden geopteerd, waarbij wel wordt getwijfeld aan de kans van slagen daarvan.

De rechtbank ziet zich daarmee geplaatst voor het dilemma of zij al dan niet zal gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege dan wel met voorwaarden. Het opleggen van een TBS met voorwaarden is, zoals overigens ook door zowel de psychiater als de psycholoog wordt erkend, naar het oordeel van de rechtbank echter geen reële mogelijkheid, gelet op het feit dat verdachte meermalen heeft aangegeven niet bereid te zijn medewerking te verlenen aan hem op te leggen voorwaarden.

Gelet op het voorgaande rest, naast de mogelijkheid van het opleggen van een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf, slechts het opleggen van een TBS met dwangverpleging. De rechtbank is dienaangaande echter van oordeel dat de ernst van de onderhavige feiten, het opleggen van een TBS met dwangverpleging niet rechtvaardigen.

De rechtbank komt in dit geval dan ook tot een (on)voorwaardelijke vrijheidsstraf en is daarbij van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde. Verdachte heeft met zijn handelwijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de beide slachtoffers. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat zij niet de gevorderde TBS met dwangverpleging zal opleggen.

Gelet op het voorgaande zal een langere gevangenisstraf worden opgelegd dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Bovendien ziet de rechtbank termen aanwezig om, gelet op het recidiverisico dat zowel blijkens het psychologisch als het psychiatrisch rapport aanwezig is, een proeftijd op te leggen voor de duur van 5 jaar.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 14h, 14i, 14j, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van immateriële schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 350,00.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 350,00 vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 350,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig alsnog de tenuitvoerlegging te gelasten van de in de zaak met parketnummer 07.600917-05 door de politierechter in deze rechtbank bij vonnis d.d. 27 maart 2006 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 12 maanden, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (onvoorwaardelijk) opgelegde gevangenisstraf.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te Lelystad, van een bedrag van € 350,00 (zegge: driehonderdenvijftig euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 350,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst de vordering toe.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 07.600917-05 door de politierechter in deze rechtbank bij vonnis d.d. 27 maart 2006 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en A.W.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2008.

Mr. G.H. Meijer voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.