Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD9087

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
07.607088-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs

eengetuige, geen getuige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.607088-08 (P)

Uitspraak : 17 juli 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar [verdachte]erie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum],

[adres].

HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 8 mei 2008 en 3 juli 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Kengen. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de verdachte, op 8 mei 2008 bijgestaan door mr. R.W.A. Offermans, advocaat te Zeewolde en op 3 juli 2008 bijgestaan door mr. K. Regter, advocaat te Lelystad, is aangevoerd.

DE TENLASTELEGGING

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 april 2008.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2007 tot en met 8 januari 2008 in de gemeente Almere, (telkens) met [slachtoffer] ([geboortedatum]), van wie zij, verdachte, (telkens) wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijk onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens leed dat die [slachtoffer] (telkens) niet of onvolkomen in staat was zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het meermalen, in ieder geval éénmaal, vastpakken/beetpakken van en/of betasten/bevoelen van en/of trekken/rukken aan, in ieder geval aanraken van, de (blote) penis van die [slachtoffer];

art 247 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 december 2007 in de gemeente Almere, (telkens) met [[slachtoffer] ([geboortedatum]), van wie zij, verdachte, (telkens) wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijk onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens leed dat die [slachtoffer] (telkens) niet of onvolkomen in staat was zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het meermalen, in ieder geval éénmaal, vastpakken/beetpakken van en/of betasten/bevoelen van en/of trekken/rukken aan, in ieder geval aanraken van, de (blote) penis van die [slachtoffer];

art 247 Wetboek van Strafrecht

3.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 20 december 2007 in de gemeente Almere, (telkens) met [slacht[slachtoffer], van wie zij, verdachte, (telkens) wist dat die [slachtoffer] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijk onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens leed dat die [slachtoffer] (telkens) niet of onvolkomen in staat was zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit het meermalen, in ieder geval éénmaal,

- brengen/stoppen van de penis van die [slachtoffer] in haar, verdachtes mond en/of

- met haar, verdachtes, tong, likken aan/op de (blote) penis en/of in de schaamstreek van die [slachtoffer];

art 247 Wetboek van Strafrecht

DE FORMELE VOORVRAGEN

Bij het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De raadsman heeft de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit omdat de verdediging, ondanks een tijdig gedaan verzoek daartoe, niet aanwezig is geweest bij de spiegelconfrontaties die in opdracht van de rechtbank zijn uitgevoerd en ook overigens de procedure met betrekking tot de vermeende slachtoffers heeft plaatsgevonden in strijd met de in dit soort zaken gegeven aanwijzingen aan het openbaar ministerie.

De rechtbank verwerpt dit verweer en voert daartoe aan dat ook in het geval de grieven van de zijde van de verdediging juist zouden zijn, deze gang van zaken niet zodanig is dat moet worden geoordeeld dat ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat er geen gronden zijn gebleken voor een schorsing van de vervolging.

BEWIJS

De vaststaande feiten

Uit het dossier is het volgende gebleken.

Het strafrechtelijk onderzoek jegens verdachte is aangevangen op 25 oktober 2007 toen [slachtoffer] [slachtoffer] op het politiebureau verscheen voor een intakegesprek in verband met vermeende ontucht. Vervolgens heeft op 4 december 2007 een (vervolg)gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer] en op 20 december 2007 een telefoongesprek.

Tijdens alle gesprekken vertelt [slachtoffer] [slachtoffer] dat hij (meermalen) wordt lastig gevallen door een vrouw; zij pleegt seksuele handelingen bij hem, tegen zijn wil, ondanks dat hij nee zegt, en zij wil daar vervolgens geld voor hebben.

Op 22 januari 2008 is een verklaring opgenomen van [getuige], die verklaart over wat [slachtoffer] [slachtoffer] haar dienaangaande heeft verteld.

Op 3 januari 2008 heeft er een intake gesprek plaatsgevonden met de heer [slachtoffer] en op 9 januari daaropvolgend is door hem aangifte gedaan. Hij verklaart over een vrouw die bij hem seksuele handelingen heeft verricht, tegen zijn wil, en geld van hem wilde hebben.

Op 10 januari 2008 wordt een verklaring afgelegd door mevrouw [ge[getuige], mantelzorgster van de heer [slachtoffer], die verklaart over wat hij haar heeft verteld over de bezoeken van de betreffende vrouw. Voorts verklaart zij dat ze een vrouw, genaamd [verdachte], op 7 juli 2007 in de woning van de heer [slachtoffer] heeft aangetroffen.

Op 24 januari 2008 wordt een verklaring afgelegd door de heer [getuige], buurtgenoot, die verklaart dat hij een vrouw, genaamd [verdachte], op 31 december 2007 bij de woning van de heer [slachtoffer] heeft aangetroffen.

Op 9 januari 2008 heeft een intake gesprek plaatsgevonden met de heer [slachtoffer] en op 7 februari daaropvolgend wordt door hem aangifte gedaan. Hij verklaart over een vrouw, die hij [verdachte] noemt en die seksuele handelingen bij hem heeft verricht, tegen zijn wil, waarvoor zij geld wilde hebben.

Op 9 juni 2008 is de heer [slachtoffer] overleden, zodat geen spiegelconfrontatie meer heeft kunnen plaatsvinden tussen hem en verdachte.

Verdachte is op 4 en 11 maart 2008 gehoord.

Op 29 mei en 16 juni 2008 hebben spiegelconfrontaties plaatsgevonden tussen [slachtoffer] [slachtoffer], de heer [slachtoffer] en [ge[getuige] enerzijds en verdachte anderzijds, waarbij [slachtoffer] [slachtoffer] en [ge[getuige] verdachte hebben herkend als zijnde de vrouw waarover zij in hun verklaringen hebben gesproken. De heer [slachtoffer] herkent verdachte niet als zodanig.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Daartoe heeft zij voor wat betreft feit 1 gewezen op de aangifte, de intake, de verklaring van de verdachte, het gegeven dat verdachte in de woning van [slachtoffer] is geweest en het gegeven dat [slachtoffer] woonachtig is in dezelfde straat als [slachtoffer].

Voor wat betreft feit 2 heeft zij gewezen op de aangifte, de intake, het proces-verbaal van bevindingen, de verklaring van getuige [getuige] (alsmede de positieve spiegelconfrontatie) en de constatering van [getuige] dat de gulp van [slachtoffer] open stond.

Voor wat betreft feit 3 heeft zij gewezen op de intake, de positieve spiegelconfrontatie en het gegeven dat de modus operandi in alle zaken dezelfde is.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de slachtoffers kwetsbare personen zijn en dat verdachte daar ernstig misbruik van heeft gemaakt en dat enkel en alleen voor geldelijk gewin.

De officier van justitie heeft, voor wat betreft [slachtoffer] en [slachtoffer], naar voren gebracht dat het hier gaat om twee heren op vergevorderde leeftijd, waarbij hun kwetsbaarheid ondermeer is gelegen in hun lichamelijke onmacht.

Bij beide heren is de vergevorderde leeftijd zichtbaar, zij lopen moeilijk en hebben soms moeite met praten.

Daarbij is volgens de officier van justitie bij [slachtoffer] sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, aangezien hij dementerend is. De officier van justitie heeft, voor wat betreft [slachtoffer], aangegeven dat hij lijdt aan het Fragiele X-syndroom, waarvan één van de kenmerken is dat personen die aan dit syndroom leiden moeite hebben met aanrakingen en ook overigens met vergaande psychische beperkingen te maken hebben.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten en heeft daartoe – zoals vervat in de pleitnota – in de kern het navolgende aangevoerd.

Het verkregen onderzoeksmateriaal in alle drie zaken dient van het bewijs te worden uitgesloten, primair omdat is gehandeld in strijd met de procedures zoals deze zijn beschreven in de aan het Openbaar Ministerie gegeven aanwijzingen, zoals deze gelden in zedenzaken.

Voorts dient de verklaring van verdachte, zoals weergegeven in het proces-verbaal van politie op pagina 83 van het dossier, te worden uitgesloten van het bewijs omdat daarin niet is vermeld dat aan verdachte voorafgaande de cautie is gegeven.

Ook dient geen waarde te worden gehecht aan de gehouden spiegelconfrontaties nu voor een zogeheten Oslo-confrontatie had moeten worden gekozen en de getuigen wisten dat ze met de verdachte werden geconfronteerd. Alleen op basis van de spiegelconfrontaties mag geen bewezenverklaring volgen en bovendien zijn de confrontaties suggestief en onbetrouwbaar.

Voorts moet worden vastgesteld dat de gehoorde getuigen (afgezien van de vermeende slachtoffers zelf) niet uit eigen waarneming ontuchtige handelingen hebben gezien.

Een ander punt is dat uit het dossier niet blijkt dat er bij de aangevers sprake was van een bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of onmacht, dan wel van een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis als bedoeld in artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Bovendien is het de vraag, zelfs al zou dit wel blijken uit het dossier, of de verdachte daarvan specifieke wetenschap had.

Concluderend bepleit de verdediging dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of in het dossier voldoende wettig bewijs aanwezig is voor hetgeen verdachte, blijkens de dagvaarding, wordt verweten.

De rechtbank zal deze vraag per ten laste gelegd feit beantwoorden.

Feit 1:

Voor wat betreft het onder 1 ten laste gelegde bevindt zich in het dossier het intake gespek met en de aangifte van [slachtoffer]. Tevens bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat de zoon van [slachtoffer] aan de verbalisanten een, op naam van verdachte staand, pasje van het Groene Land heeft overhandigd, waarbij de zoon heeft aangegeven dat zijn vader dit pasje aan hem had gegeven. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het voorgaande geen bewezenverklaring kan volgen van het plegen van ontuchtige handelingen door de verdachte. Een eventuele bewezenverklaring strandt bovendien op grond van het feit dat zich in het dossier geen bewijs bevindt voor wat betreft de lichamelijke onmacht van [slachtoffer] dan wel een gebrekkige of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig bewijs aanwezig is dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Feit 2:

Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde bevinden zich in het dossier de verklaringen zoals deze zijn afgelegd door de heer [slachtoffer] met betrekking tot ondermeer de vermeende ontuchtige handelingen, die overigens niet steeds in tijd te plaatsen zijn. Voorts moet worden vastgesteld dat de heer [slachtoffer] de verdachte bij spiegelconfrontatie niet herkent.

Voorts bevindt zich in het dossier een verklaring van [ge[getuige], de mantelzorgster, die verklaart over de aanwezigheid van verdachte bij en in de woning van de heer [slachtoffer] en verdachte als zodanig ook herkent bij spiegelconfrontatie. Zij heeft echter zelf geen ontuchtige handelen waargenomen evenals de andere gehoorde buurtgenoten.

Aldus kan niet anders geconcludeerd worden dan dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring waarbij eveneens meespeelt dat ook in het geval van de heer [slachtoffer] zich onvoldoende onderbouwing in het dossier bevindt van vermeende lichamelijke onmacht bij aangever, dan wel andere beperkingen, zoals deze staan omschreven in artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht. Slechts de vaststelling dat de heer [slachtoffer] oud is en vermoedelijk (niet door medische stukken onderbouwd) dementerend is, is onvoldoende voor die conclusie.

Feit 3:

Voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde bevinden zich in het dossier een schriftelijke weergave van het intakegesprek met [slachtoffer] en een positieve spiegelconfrontatie van [slachtoffer] met de verdachte.

Beide voornoemde bewijsmiddelen zijn echter te herleiden tot slechts één bron, te weten aangever. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat reeds op grond van deze vaststelling moet worden geconcludeerd dat onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat niet wettig bewezen kan worden verklaard hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

VORDERING VAN DE BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [[slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 700,00 gevoegd in het strafproces ter aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu zij de verdachte zal vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

BESLISSING

Het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [[slachtoffer] in zijn vordering niet ontvankelijk is.

Aldus gewezen door mr. G.H. Meijer, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en A.W.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2008.

Mr. G.H. Meijer voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.