Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD6625

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
07/400407-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs verkrachting, verklaring verdachte, bewijs poging doodslag, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.400407-07

Uitspraak: 5 juni 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum]

wonende te [adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.J. de Vries, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. A.E.M. Doedens, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar en toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 7.726,84 met oplegging van de schademaatregel.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

De rechtbank overweegt dat uit het dossier een confuus beeld oprijst. De verklaringen van verdachte en aangeefster over de gang van zaken lopen niet alleen sterk uiteen, maar bevatten ook nog grote hiaten als gevolg van het overmatige alcoholgebruik die avond door zowel verdachte als aangeefster. De rechtbank ziet zich evenwel voor de beantwoording van de vraag gesteld of er sprake is van een verkrachting in juridische zin zoals ten laste gelegd. Van verkrachting kan slechts sprake zijn als – op basis van de bewijsmiddelen – vast staat dat het slachtoffer door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid gedwongen is tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De verklaring van aangeefster kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot bewijs dienen, nu enige herinnering aan mogelijke seksuele handelingen en de wijze waarop haar onderlichaam ontkleed is geraakt, ontbreekt. De door verdachte – tijdens de eerste politieverhoren – afgelegde verklaring kan tot bewijs dienen van het seksueel binnendringen, maar is daartoe naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende. Feiten en omstandigheden die tot nader bewijs van het ten laste gelegde kunnen dienen, heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen. Weliswaar staat vast dat de politie bij aankomst bij de woning zowel de verdachte als het slachtoffer met ontkleed onderlichaam aantrof en een wanorde in de woonkamer, maar deze feiten leveren op zichzelf geen bewijs op van seksueel binnendringen, ook niet in combinatie met de tijdens de eerste politieverhoren door verdachte afgelegde verklaringen. Uit de conclusie van het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 21 mei 2008 kan bovendien niet zondermeer worden afgeleid dat verdachte vleselijke gemeenschap heeft gehad met aangeefster. Op grond van het vorenstaande – het gegeven dat feitelijk alleen de verklaring van verdachte als bewijsmiddel in aanmerking komt en de ongerijmdheden en de hiaten in de verklaringen van de verdachte en het slachtoffer – is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet komen vast te staan dat de verdachte het slachtoffer seksueel is binnengedrongen, zodat het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte moet dan ook daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De raadsman van verdachte heeft zich ter zake van het onder 2 ten laste gelegde beroepen op het ontbreken van het opzet van verdachte om aangeefster van het leven te beroven of zwaar te mishandelen.

Het slachtoffer heeft verklaard dat verdachte haar de keel heeft dichtgeknepen toen zij op de grond lag en dat zij enige tijd het bewustzijn heeft verloren. Uit de letselbeschrijving d.d. 2 januari 2008 blijkt dat de verwondingen rond de hals van het slachtoffer passen bij fysiek geweld van buitenaf uitgeoefend op de hals. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn handen om de hals van het slachtoffer had. De beweegredenen van verdachte zijn echter, ook ter terechtzitting, onduidelijk gebleven. De gedraging van verdachte – het dichtknijpen van de keel van het slachtoffer – is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm evenwel zo zeer gericht op de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte door de keel van aangeefster dicht te knijpen, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans op een fatale afloop. Dat deze zich niet heeft voorgedaan is gelegen in omstandigheden buiten de verdachte.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

Hij op 11 december 2007 in de gemeente Hardenberg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer], liggend op de vloer, met zijn, verdachtes, handen krachtig om/bij de hals heeft vastgepakt en vastgehouden en daarbij diens hals krachtig heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

2.

Poging doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Het door verdachte begane delict betreft een zeer ernstig delict en de rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat, naar de ervaring leert, delicten als de onderhavige veelal de oorzaak zijn van langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij het directe slachtoffer. Het slachtoffer heeft ook uiting gegeven aan dergelijke gevoelens in haar schriftelijke slachtoffer verklaring. Bij het plegen van het delict heeft alcohol een grote rol gespeeld. Mede gelet daarop is verdachte psychiatrisch/psychologisch onderzocht. Uit het psychiatrisch/psychologisch rapport volgt dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is als gevolg van zijn alcoholafhankelijkheid en (onderliggende) adhd problematiek. Verdachte is vanaf zijn 16e / 17e levensjaar begonnen met drinken en is sinds jaren in grote mate afhankelijk van alcohol. Hoewel in het verleden hulpverleningstrajecten in gang zijn gezet om het alcoholgebruik van verdachte te veranderen, heeft dit nooit tot een daadwerkelijke opname geleid wegens gebrek aan motivatie bij verdachte. Om geweldsescalaties, zoals het onderhavige delict, in de toekomst te voorkomen, is het noodzakelijk dat verdachte zijn alcoholverslaving aanpakt. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft laten weten zijn alcoholverslaving te willen aanpakken, plaatst de rechtbank grote vraagtekens bij de motivatie van verdachte, met name nu verdachte nog geen enkel initiatief heeft ontplooid om de eerste stap te zetten richting behandeling van zijn alcoholverslaving. De rechtbank rekent dit de verdachte aan aangezien verdachte zich bewust is van de gevaren van (overmatig) alcoholmisbruik. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur noodzakelijk en passend. Tactus Verslavingszorg Zwolle heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, nu zij - zakelijk weergegeven - nog mogelijkheden ziet verdachte onder haar begeleiding een behandeling in verband met zijn alcoholverslaving te doen ondergaan. Gelet op bovenstaande overwegingen en de vele kansen die verdachte al gehad en onbenut gelaten heeft, heeft de rechtbank twijfels over de kans van slagen, maar zal - gelet op genoemde bereidheid van Tactus - een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk onder na te noemen bijzondere voorwaarde opleggen.

Bij zijn beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- Vroeghulp Interventierapport van Tactus Verslavingszorg Zwolle d.d. 13 december 2007;

- Pro Justitia rapport d.d. 21 maart 2008;

- Voorlichtingsrapport van Tactus Verslavingszorg Zwolle d.d. 17 april 2008.

- Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 april 2008.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Gelet op de vrijspraak voor het ten laste gelegde onder 1 kan de rechtbank dit feit niet betrekken in de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij [slachtoffer] in dat deel van de vordering dat daarop ziet niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2 primair bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 48,40, zijnde de reiskosten en de medicatie ten behoeve van de nachtrust en de keelklachten. De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts terzake van de vordering van [slachtoffer] aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 48,40 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het onder 1 ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2 primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 6 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Leger des Heils, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de benadeelde partij

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te Hardenberg, tot een bedrag van € 48,40 (zegge: achtenveertig euro en veertig eurocent). De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 48,40, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. I. F. Clement, voorzitter, mrs. G.M.J. Vijftigschild en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2008.