Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD6615

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
31-07-2008
Zaaknummer
131950 - HA ZA 07-600
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Traag werkende onderaannemer wordt nog voor einde opleveringstermijn van het werk gehaald. In 4.3.1 wordt vastgesteld dat er een uiterste opleverdatum gold (20 februari 2007) Volgens leidt 4.3.2 t/m 4.3.5 tot de conclusie dat op 9 februari 2007 vaststond dat nakoming op 20 februari 2007 zonder tekortkoming onmogelijk zou zijn. Daardoor konden de gevolgen van niet-nakoming ingevolge art. 6:80 lid 1 sub a intreden, hoewel de vordering nog niet opeisbaar was (4.3.7)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 131950 / HA ZA 07-600

Vonnis van 23 januari 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap AALWOOD B.V.,

gevestigd te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

procureur mr. C. Borstlap,

advocaat mr. W. Hogenkamp te Meppel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

procureur mr. G.D. te Biesebeek,

advocaat mr. M.R. van der Pol te Bergum.

Partijen zullen hierna Aalwood en [gedaagde] genoemd worden.

1. Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 augustus 2007

- de conclusie van antwoord in reconventie en

- het proces-verbaal van comparitie van 1 november 2007.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

in conventie en in reconventie

2.1. [gedaagde] heeft in 2006 van aannemer [A] een project aangenomen voor de afwerking van plafonds en muren van een complex “Lexpoint” te Hoofddorp.

2.2. [gedaagde] heeft op 15 december 2006 met Aalwood een overeenkomst gesloten, inhoudende dat Aalwood in genoemd complex wanden en plafonds zou monteren voor een som van € 76.251,57. Aalwood is haar werkzaamheden op 8 januari 2007 gestart.

2.3. Bij faxbrief van 5 februari 2007 heeft de heer [B], projectleider bij aannemer [A], aan [gedaagde] meegedeeld dat hij niet voldoet aan de afgesproken termijn, dat hij passende maatregelen moet nemen en dat naar zijn mening de onderaannemer ‘veel te traag te gaat’ en dat ‘er dus extra mensen bij moeten of een andere ploeg’.

2.4. Bij brief van 6 februari 2007 heeft de heer [C] van Aalwood aan [gedaagde] onder meer meegedeeld: “(..) Ik heb opdracht gegeven om de wanden waaraan wij zijn begonnen om deze af te maken. Hierna zullen mijn medewerkers vertrekken van de bouw en weer aanvangen met de werkzaamheden tot er weer voldoende productie kan worden gemaakt. Tevens moet ik u mededelen dat onze kredietlimiet ten aanzien van u al te boven zijn gegaan. Er zullen dus eerst betalingen moeten worden gedaan. (..)”

2.5. Op vrijdag 9 februari 2007 heeft [gedaagde] Aalwood opgedragen haar werkzaamheden te staken. Bij brief van maandag 12 februari 2007 heeft Aalwood daartegen geprotesteerd en [gedaagde] verzocht toe te staan dat zij op 14 februari 2007 haar werkzaamheden zou hervatten. [gedaagde] heeft op de middag van 12 februari 2007 geantwoord dat hij geen gebruik meer zal maken van Aalwoods diensten en dat hij het werk door een andere onderaannemer zal laten afmaken.

2.6. Bij brief van 15 februari 2007 heeft Aalwood de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst met [gedaagde] ingeroepen en aanspraak gemaakt op de volledige aanneemsom, vermeerderd met een bedrag van € 20.447,47 aan kosten van meerwerk.

2.7. [gedaagde] heeft een bedrag van € 12.000,00 aan Aalwood voldaan.

2.8. Krachtens daartoe verkregen rechterlijk verlof heeft Aalwood op 1 maart 2007 ten laste van [gedaagde] onder aannemer [A] en de Rabobank te Genemuiden conservatoir derdenbeslag laten leggen.

2.9. Op 19 maart 2007 heeft de heer [D], uitvoerder bij aannemer [A], schriftelijk verklaard dat hij op 7 februari 2007 heeft opgenomen dat Aalwood tot dan toe 429,05 m2 aan dubbelgipswanden, 190,74 m2 aan enkelgipswanden, 265 m2 aan voorzetwanden en 130 m aan onderbakken heeft verwerkt en dat Aalwood op 7 februari 2007 door [gedaagde] is verzocht geen verdere werkzaamheden uit te voeren.

2.10. Op 29 mei 2007 heeft [de heer B] voormeld schriftelijk verklaard dat er op 20 december 2006 een werkbespreking is geweest met [gedaagde] en Aalwood over de planning en de uitvoering van het werk, onder meer over de aan te houden tijdsplanning (inhoudende start in week 2 van 2007 met een maximale uitvoeringsduur van 6 weken voor de wanden) dat al spoedig bleek dat de planning niet gehaald zou worden omdat te weinig personeel werd ingezet, dat Aalwood meermalen is aangesproken op de voortgang van de werkzaamheden en dat haar is aangezegd dat zij van het werk verwijderd zou worden als er geen verbetering zou optreden. Tot slot is verwoord dat hij wegens de alsmaar oplopende achterstand [gedaagde] heeft moeten sommeren passende maatregelen te nemen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Aalwood vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 86.487,04, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [gedaagde] vordert samengevat - een verklaring voor recht dat Aalwood toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst, een verklaring voor recht dat Aalwood onrechtmatig heeft gehandeld door ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag te leggen en de veroordeling van Aalwood tot betaling van € 47.538,00 respectievelijk € 1.695,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.4. Aalwood voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. De rechter ten overstaan van wie op 1 november 2007 de comparitie van partijen heeft plaatsgevonden, is vanwege haar overgang naar een andere rechtbank buiten staat om in deze zaak (mede) vonnis te wijzen.

4.2. Gelet op de samenhang van de vordering in reconventie met de vordering in conventie zullen de geschillen samen worden beoordeeld.

4.3. In geschil is allereerst het antwoord op de vraag of [gedaagde] Aalwood per 9 februari 2007 mocht opdragen het werk te staken, zoals [gedaagde] stelt en Aalwoord betwist.

4.3.1. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd gesteld dat tussen partijen de afspraak gold dat Aalwood haar werkzaamheden in week 2 van 2007 zou beginnen en dat zij maximaal zes weken de tijd had om de wanden aan te brengen en dat Aalwood daarmee dus op 20 februari 2007 klaar diende te zijn. [gedaagde] heeft daarvoor verwezen naar de hiervoor weergegeven schriftelijke verklaring van de projectleider van aannemer [A], welke verklaring niet inhoudelijk door Aalwood is betwist. Daardoor is in voldoende mate gebleken dat tussen partijen 20 februari 2007 als (uiterste) opleverdatum gold. Anders dan Aalwood aanvoert, behoefde die datum, alvorens haar werking te hebben, niet (expliciet) schriftelijk tussen partijen te zijn vastgelegd.

4.3.2. Aalwood heeft niet gemotiveerd weersproken dat de omvang van het door haar verrichte werk achter is gebleven bij een geplande uitvoeringsduur van zes weken. In het bijzonder heeft zij niet gemotiveerd bestreden de door de uitvoerder van aannemer [A] op 9 februari 2007 (in plaats van 7 februari 2007 naar de rechtbank begrijpt) gedane opname als hiervoor in punt 2.9. verwoord. [gedaagde] heeft op basis van die gespecificeerde opname berekend dat Aalwood op 9 februari 2007, en daarmee na 5 weken na aanvang van haar werk, pas 11% van de enkelgips-wanden, 28% van de voorzetwanden en 81% van de dubbelgips-wanden ofwel 27% van de totale wanden, en niets van de plafonds had aangebracht. Aalwood heeft daartegen niet meer ingebracht dan dat zij naar eigen berekening ongeveer 70% van het op zich genomen werk heeft verricht. Nu die stelling van iedere onderbouwing is gespeend, moet daaraan voorbij worden gegaan en zal de rechtbank de juistheid van de door [gedaagde] gestelde cijfers uitgaan.

4.3.3. Aalwood heeft evenmin voldoende gemotiveerd bestreden dat zij tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden herhaalde malen is aangesproken, door zowel aannemer [A] als [gedaagde], op de voortgang van die werkzaamheden. Zij heeft ter comparitie zelfs gesteld dat zij vanwege de vertraging meer mensen op het werk heeft ingezet. Daaruit volgt al dat Aalwood nog tijdens haar uitvoering van het werk kennis droeg van de bij [gedaagde] en/of aannemer [A] levende ontevredenheid over de voortgang van de montagewerkzaamheden.

4.3.4. Aalwood stelt wel dat de gebrekkige voortgang te wijten is aan een ‘stagnatie in de aanlevering van de te monteren materialen’ doch die stelling is gemotiveerd door [gedaagde] bestreden. Hij heeft in dat kader bij antwoord meerdere facturen overgelegd van haar leverancier waaruit blijkt dat deze op 8 (634 m2 + 207 m2), 17 (664 m2 + 90 m2) en 18 (1.658 m2) januari 2007 telkens grote hoeveelheden aan gipsplaten met toebehoren bij het complex heeft afgeleverd. Afgezet tegen de per 9 februari 2007 opgenomen, door Aalwood verwerkte hoeveelheid van 884 m2 als bedoeld in punt 2.9. en 4.3.2., moet de door Aalwood geduide oorzaak voor de vertraging als onaannemelijk worden gepasseerd. Die onaannemelijkheid wordt overigens onderstreept door de inhoudelijk onweersproken gebleven schriftelijke verklaring van de projectleider van aannemer [A], als verwoord in punt 2.10. Die projectleider spreekt immers over een vertraging veroorzaakt door te weinig inzet van personeel. Voorts geldt dat Aalwood ter comparitie heeft gesteld in haar planning te zijn uitgegaan van tien tot twaalf weken, wat eveneens wijst op te weinig inzet van personeel nu Aalwood de wanden met zes weken gereed diende te hebben.

4.3.5. Aangezien echter Aalwoods verplichting tot het gemonteerd hebben van de wanden niet eerder opeisbaar was dan op 20 februari 2007, was conform het bepaalde in artikel 6:80 BW de bevoegdheid van [gedaagde] om al op voorhand bepaalde gevolgen van niet-nakoming in te roepen beperkt tot de drie in dat artikel limitatief genoemde gevallen, waarin zeker is dat de schuldenaar te zijner tijd tekort zal schieten. Dit zou het geval zijn wanneer vast staat dat:

- nakoming (objectief) onmogelijk is (lid 1 sub a.) en

- bij de schuldenaar de (subjectieve) bereidheid om zijn verplichtingen na te komen, ontbreekt (lid 1 sub b. en c.).

4.3.6. Naar het oordeel van de rechtbank zijn voldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat op 9 februari 2007 objectief ofwel naar menselijke berekening vaststond dat nakoming op 20 februari 2007 zonder tekortkoming onmogelijk zou zijn.

Daarvoor is redengevend dat Aalwood - naar zij ook ten processe heeft aangevoerd - de uiterste opleverdag van 20 februari 2007 niet (er)kende, (ook bij brief van 6 februari 2007) onderschreef dat er sprake van vertraging in de montage van de wanden en dat zij bij die brief van 6 februari 2007 meedeelde haar medewerkers op korte termijn van de bouw zou laten vertrekken en dat pas zou worden hervat indien ‘er weer voldoende productie kan worden gemaakt’ en ‘er eerst betalingen [zijn] gedaan’.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] Aalwood aanleiding had gegeven voor twijfel of

betaling zou plaatsvinden en/of Aalwood in die zin [gedaagde] al eerder vergeefs had gemaand dan wel [gedaagde] ter zake in verzuim zou verkeren. Voorts moet, zoals al hiervoor in punt 4.3.4. is overwogen, worden gepasseerd de stelling dat Aalwood door het ontbreken van voldoende materiaal niet in staat was om voldoende wanden te monteren.

Uit Aalwoods brief van 12 februari 2007 blijkt voorts dat zij al eerder in de week van vrijdag 9 februari 2007 aan [gedaagde] heeft meegedeeld dat zij niet toestond dat hij - naast Aalwood - inmiddels een derde voor de montage van de wanden had ingeschakeld.

Met het vaststaande feit dat Aalwood per 9 februari 2007, ofwel na vijf van de zes weken uitvoering, pas 27% van de benodigde wanden had gemonteerd, blijkt dan uit een en ander afdoende dat Aalwood geen bereidheid had om tijdig te presteren en zij ook niet op andere wijze aan een tijdige oplevering wilde meewerken. Daardoor kon [gedaagde] geen andere conclusie trekken dan dat de beoogde oplevering van de wanden per 20 februari 2007 niet gehaald zou worden.

4.3.7. De gevolgen van niet-nakoming konden daardoor ingevolge het bepaalde in artikel 6:80 lid 1 sub a. BW intreden hoewel de vordering van [gedaagde] jegens Aalwood ter zake van de oplevering van de wanden nog niet opeisbaar was.

4.3.8. [gedaagde] mocht dan ook zijn verplichting om Aalwood in staat te stellen de bedongen werkzaamheden te verrichten per 9 februari 2007 opschorten.

4.3.9. De door Aalwood bij brief van 12 februari 2007 - zonder nadere voorwaarden - uitgesproken bereidheid om de montagewerkzaamheden per woensdag 14 februari 2007 te hervatten, kan aan het voorgaande niets afdoen. Gesteld noch gebleken is immers dat Aalwood die bereidheid kracht heeft bijgezet door een overzicht, planning, schema of iets dergelijks waaruit zou kunnen volgen dat voormelde objectief te trekken conclusie onjuist zou zijn en dat zij (alsnog) in staat was om de wanden op 20 februari 2007 gereed te hebben.

4.3.10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de door [gedaagde] sub I. gevorderde verklaring voor recht voor toewijzing vatbaar en heeft hij aanspraak op vergoeding van de schade die hij ten gevolge van de niet-nakoming heeft geleden.

4.4. Het voorgaande leidt ertoe dat enerzijds de waarde van wat door Aalwood wel is gepresteerd moet worden vastgesteld en anderzijds de omvang van de (vervangende) schade moet worden bepaald, waarvan [gedaagde] de vergoeding vordert.

4.5. Wat betreft de waarde van de door Aalwood verrichte prestatie geldt het volgende.

4.5.1. [gedaagde] heeft deze waarde bij antwoord beargumenteerd berekend op € 26.876,00. [gedaagde] is daarvoor onder meer uitgegaan van de door de uitvoerder van aannemer [A] opgenomen verwerkte hoeveelheden en wat door [gedaagde] gemotiveerd onderbouwd is geaccepteerd aan andere kosten, te weten deurkozijnen, huur van hoogwerkers en aan een niet overeengekomen ronde wand gewerkte uren.

4.5.2. Aalwood stelt zich, blijkens de bij dagvaarding overgelegde facturen en wat zij daarover bij dagvaarding heeft aangevoerd, op het standpunt dat haar de gehele bedongen aanneemsom ad € 76.251,57 toekomt, vermeerderd met het door haar berekende meerwerk ad € 20.447,47.

4.5.3. Bij antwoord in reconventie noch ter comparitie is Aalwood ingegaan op [gedaagde]s betwisting en de door hem daartegenover gestelde berekening van het meerwerk. Nu Aalwood voorts - ongemotiveerd, zoals in punt 4.3.2. is overwogen - zich heeft beperkt tot de stelling dat zij 70% van het montagewerk had verricht, moet aan de stellingname van Aalwood voorbij worden gegaan en zal de rechtbank uitgaan van de juistheid van de door [gedaagde] gegeven berekening.

4.5.4. Nu vast staat dat [gedaagde] al € 12.000,00 aan Aalwood had betaald, moet het nog aan haar toekomende op € 14.876,00 worden becijferd.

4.6. Wat betreft de aan [gedaagde] toekomende vervangende schadevergoeding geldt het volgende.

4.6.1. De rechtbank stelt voorop dat pas van zulke schade sprake is indien de kosten van de voltooiing van het aan Aalwood opgedragen werk hoger zijn dan de met Aalwoord overeengekomen vergoeding.

4.6.2. [gedaagde] heeft becijferd dat hij in verband met het aan Aalwood opgedragen werk € 111.538,98 heeft uitgegeven in plaats van de met Aalwood bedongen vergoeding van € 76.000,00, zodat hij € 35.538,98 teveel heeft betaald, welk bedrag, vermeerderd met het al aan Aalwood betaalde bedrag van € 12.000,00, tezamen € 47.538,98, door Aalwood moet worden vergoed althans terugbetaald.

4.6.3. Bij die becijfering past allereerst de kanttekening dat de daarin verwerkte aanneemsom ten onrechte op € 76.000,00 is gesteld, nu vast staat dat deze € 76.251,57 bedraagt. De berekening van [gedaagde] dient dan ook in die zin te worden aan gepast.

4.6.4. Wat betreft de kosten aan ‘extra weken’ aan huur van hoogwerkers geldt dat vast staat dat de montage van wanden langer heeft geduurd dan de bedongen periode van zes weken. Voor zover de overgelegde facturen betrekking hebben op de periode na 9 februari 2007 (de facturen van 26 februari, 6, 12, 20 en 26 maart 2007) kan van deze post ad € 4.376,52 incl. BTW dan ook een gedeelte van € 2.941,75 excl. BTW in de berekening worden meegenomen.

4.6.5. De door [gedaagde] verwerkte post van ‘buitengerechtelijke kosten’ ad € 2.749,70 valt blijkens de overgelegde facturen in twee delen uiteen. Een gedeelte van € 749,70 is berekend door ene mr. [E] te Bergum. Gesteld noch gebleken is echter waarop diens inspanningen betrekking hebben gehad, zodat op deze post als onvoldoende onderbouwd geen acht kan worden geslagen. Het resterende bedrag van € 2.000,00 betreft een factuur van de (huidige) advocaat van [gedaagde] en ziet kennelijk op de kosten van bijstand in deze procedure. Voor vergoeding van dergelijke kosten is [gedaagde] op een proceskostenveroordeling aangewezen, zodat deze post eveneens uit de berekening van [gedaagde] moet worden verwijderd.

4.6.6. [gedaagde] heeft gesteld dat hij voor het voltooien van Aalwoods werk twee andere onderaannemers heeft moeten inschakelen, te weten [aannemer F], die hem een bedrag van € 59.877,34 heeft berekend, en [aannemer G], die hem een bedrag van € 12.992,10 in rekening heeft gebracht. [gedaagde] heeft daarvan de onderliggende facturen in het geding gebracht, die op voormelde bedragen sluiten. Aangezien Aalwood bij antwoord in reconventie noch ter comparitie op deze posten en de daaraan ten grondslag liggende facturen is ingegaan, zal de rechtbank deze bedragen in de berekening betrekken.

4.6.7. De overige in de berekening van [gedaagde] voorkomende posten van

- extra uren afsmeerwerk van de wanden ad EUR 4.800,00

- extra uren afplakwerk ivm spuiten van de wanden ad EUR 7.200,00

- kosten bankgarantie ad EUR 487,00

- kosten (..) ivm beslaglegging ad EUR 3.000,00 en

- de opgevoerde kosten ‘gemaakt door [A]’ ad EUR 16.056,32

zijn niet nader toegelicht en evenmin voorzien van onderbouwende stukken. Ook deze posten moeten dan ook als onvoldoende onderbouwd uit de berekening worden gehouden.

4.6.8. In de berekening van alle kosten van de realisatie van de aan Aalwood opgedragen wanden en plafonds dient eveneens de door [gedaagde] berekende waarde van Aalwoods prestatie te worden meegenomen.

4.6.9. Gelet op het voorgaande kunnen bedoelde kosten als volgt becijferd:

- de aan Aalwoods toekomende vergoeding € 26.876,84

- de aan [aannemer F] toekomende vergoeding € 59.877,34

- de aan [aannemer G] toekomende vergoeding € 12.992,10

- de aan [H] (extra huur hoogwerkers) toekomende vergoeding € 2.941,75

Subtotaal € 102.688,03

4.6.10. [gedaagde] zou aan Aalwood een vergoeding verschuldigd zijn van € 76.251,57, volgens de eigen berekening van [gedaagde] als bedoeld in punt 4.5.1. te vermeerderen met een vergoeding van de kosten van huur van hoogwerkers ad € 3.336,35 en een vergoeding van meerwerk aan vervaardiging van een ronde wand ad € 9.088,00, ofwel € 88.675,92 in totaal.

4.6.11. Per saldo heeft [gedaagde] dan met € 14.012,11 aan extra kosten te maken gehad, welk bedrag hij op de nog aan Aalwood toekomende som van € 14.876,00 (zie punt 4.5.4.) in mindering mag brengen.

4.6.12. [gedaagde] dient dan ook nog € 863,89 aan Aalwood te betalen, zodat tot dat beloop de door Aalwood gevorderde hoofdsom toewijsbaar is. Uit een en ander volgt dat de door [gedaagde] sub I. gevorderde hoofdsom niet toewijsbaar is.

4.7. Nu als vast staand heeft te gelden dat Aalwood per 9 februari 2007 in verzuim was, is er geen grond voor toewijzing van de door Aalwood gevorderde vergoeding van buiten-gerechtelijke kosten ad € 1.788,00. De door Aalwood gevorderde vergoeding van wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf 8 dagen na datum van het vonnis.

4.8. Nu [gedaagde] per saldo slechts nog een bedrag van € 863,99 aan Aalwood is verschuldigd, is het door Aalwood ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag, voor zover het dat bedrag plus 30% aan rente en kosten overstijgt, onrechtmatig te achten. In die zin is de door [gedaagde] sub II gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar.

4.9. [gedaagde] heeft in verband met die onrechtmatige beslaglegging sub II een vergoeding gevorderd van € 1.695,00, zijnde de door de beslaglegging gemiste inkoop-korting van 2% op aan hem gezonden facturen. [gedaagde] heeft de betreffende facturen overgelegd doch alleen uit de overgelegde facturen van de firma Raab Karcher ad € 5.112,78 blijkt dat hij bij tijdige betaling een kredietbeperking van 2% op het factuurbedrag in mindering mocht brengen. De ter zake door hem gemiste korting moet dan ook op € 102,26 worden becijferd. Dit deel van de vordering is dan ook slechts tot dat beloop toewijsbaar.

4.10. De over die gemiste korting gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 12 april 2007, zijnde de in de factuur van Raab Karcher ter zake geduide uiterste betaaldatum voor aftrek van die korting.

4.11. Gelet op het voorgaande zal Aalwood als de overwegend in conventie in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in conventie worden verwezen. Die kosten kunnen als volgt worden begroot:

- vast recht € 1.136,00

- salaris procureur € 1.788,00 (2,0 punten × tarief van € 894,00)

Totaal € 2.924,00

4.12. [gedaagde] zal als de overwegend in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de kosten van die procedure worden verwezen. Die kosten kunnen worden begroot op € 894,00 aan salaris procureur (2,0 punten × 0,5 × tarief van € 894,00).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Aalwood te betalen een bedrag van € 863,99, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf acht dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der betaling,

5.2. veroordeelt Aalwood in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.924,00,

in reconventie

5.3. verklaart voor recht dat Aalwood toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van 15 december 2006,

5.4. verklaart voor recht dat Aalwood jegens [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door ten laste van hem conservatoir beslag te leggen, voor zover dat beslag het bedrag van € 863,99, vermeerderd met 30% aan rente en kosten overstijgt,

5.5. veroordeelt Aalwood aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 102,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2007 tot aan de dag der betaling,

5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Aalwood tot op heden begroot op € 894,00,

in conventie en in reconventie

5.7. verklaart dit vonnis, behoudens de dicta sub 5.3. en 5.4., uitvoerbaar bij voorraad

5.8. wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Boele en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2008.