Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD6594

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
31-07-2008
Zaaknummer
135923 - HA ZA 07-1099
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Twee eisende partijen: de ene vordert een bedrag gelegen boven de competentiegrens van de sector kanton, de andere een bedrag daaronder. Gedaagde vordert ten aanzien van de vordering van de tweede eiser verwijzing naar de sector kanton.

Oordeel rechtbank: vergaande samenhang tussen de twee vorderingen vanwege het onderwerp van het geschil, c.q. het aan de vorderingen ten grondslag liggende feitencomplex en de rechtsgrond ervan. Zodanig verknochtheid dat behandeling door dezelfde rechter aangewezen is. Bij herzienning regels omtrent de wijze van procederen in eerste aanleg geldt als uitgangspunt van de wetgever dat ingeval van zaken waarbij verschillende vorderingen worden ingesteld, het gelang dat samenhangende zaken gezamenlijk worden behandeld van zwaarder gewicht wordt geoordeeld dan het belang van behandeling van die zaken volgens het in beginsel toepasselijke regime.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 135923 / HA ZA 07-1099

Vonnis in incident van 19 maart 2008

in de zaak van

1. de onderlinge waarborgmaatschappij

VERENIGING ORANJE ONDERLINGE VERZEKERING VAN SCHEPEN U.A.,

gevestigd te Groningen,

2. [eiser sub 1],

wonende te [adres], gemeente Terneuzen,

3. [eiser sub 2],

wonende te [adres], gemeente Terneuzen,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

procureur mr. P.F. Schepel,

advocaat mr. E.A. Bik te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE DEVENTER,

zetelend te Deventer,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. J.M.H.W. Bindels te Arnhem.

Partijen zullen hierna respectievelijk Oranje, [eisers cs] en de gemeente Deventer worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring voor zover betreft de vordering van [eisers cs] tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord in de hoofdzaak

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. De gemeente Deventer heeft de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen ten aanzien van de vordering van [eisers cs] in de hoofdzaak. Oranje en [eisers cs] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2. De gemeente Deventer heeft haar vordering gegrond op de omstandigheid dat [eisers cs] in de hoofdzaak een eigen vordering pretendeert op de gemeente Deventer, waarbij deze vordering gelet op het beloop daarvan –lager dan EUR 5.000,- – op grond van artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) onder de competentie van de sector kanton valt, zodat de rechtbank niet bevoegd is.

2.3. Aangezien de sector kanton evenals de sector civiel deel uitmaakt van de rechtbank en van (absolute) onbevoegdheid van de rechtbank, zoals gesteld door de gemeente Deventer, daarom geen sprake is, maar het gaat om de vraag welke sector van de rechtbank van de bedoelde vordering kennis zal moeten nemen, verstaat de rechtbank de incidentele vordering van de gemeente Deventer als een incidentele vordering tot verwijzing van de zaak, voor zover deze [eisers cs] betreft, naar de sector kanton op de voet van artikel 71 Rv.

2.4. Oranje en [eisers cs] hebben afwijzing van het verzoek tot verwijzing gevorderd, waartoe zij –kort gezegd– hebben aangevoerd dat de gemeente Deventer door zich enkel te baseren op de competentiegrens aan de hand van de waarde van de vordering eraan voorbij gaat dat de vorderingen van Oranje en [eisers cs] in de hoofdzaak hetzelfde schade-incident betreffen en eenzelfde grondslag hebben (onrechtmatige daad), terwijl de rechtsvraag en het feitencomplex in beide gevallen dezelfde zijn. Oranje en [eisers cs] hebben verder gesteld dat, afgezien van het beloop van de vordering van [eisers cs] in de hoofdzaak, de gemeente Deventer geen gronden heeft aangevoerd waarom de sector kanton in dezen de meest aangewezen rechter zou zijn. Oranje en [eisers cs] achten het vanuit proces-economisch oogpunt wenselijk dat met het oog op de samenhang van de vorderingen daarop door één rechter wordt beslist.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat in de hoofdzaak de vordering van [eisers cs] een vergaande samenhang vertoont met de vordering van Oranje. De rechtbank komt tot dit oordeel met het oog op het onderwerp van het geschil tussen partijen c.q. op het aan de beide vorderingen ten grondslag liggende feitencomplex en de rechtsgrond ervan. De rechtbank acht de vorderingen zodanig verknocht dat behandeling van beide vorderingen door dezelfde rechter aangewezen is.

Voor zodanige behandeling ziet de rechtbank te meer een aanknopingspunt gelet op het uitgangspunt van de wetgever bij de herziening van de regels omtrent de wijze van procederen in eerste aanleg, dat in geval van zaken waarbij verschillende vorderingen worden behandeld het belang dat samenhangende zaken gezamenlijk worden behandeld van zwaarder gewicht wordt geoordeeld dan het belang van behandeling van die zaken volgens het in beginsel toepasselijk regime. De gemeente Deventer heeft bij haar incidentele vordering enkel aan laatstbedoeld regime gerefereerd.

2.6. De rechtbank zal de incidentele vordering op grond van het voorgaande afwijzen, hetgeen meebrengt dat de behandeling van de hoofdzaak bij de rechtbank, sector civiel, zal worden voortgezet.

2.7. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de hoofdzaak weer op de rol zal komen van 2 april 2008 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2008.