Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD6574

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
31-07-2008
Zaaknummer
139148 / HA ZA 07-1476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op nietigheid van een in algemene voorwaarden opgenomen arbitragereglement vanwege de onredelijk bezwarendheid daarvan, wordt verworpen. Reflexwerking van art 6:236 onder g BW niet aan de orde, nu het beding er niet toe strekt dat een wettelijke verjaringstermijn wordt om gezet in een kortere. Ook overigens geen grond voor oordeel dat beding op grond van artikel 6:233 onder a BW nietig moet worden verklaard. Arbitraal beding kent vervaltermijn van 2 maanden voor het aanvragen van arbitrage. Dit is geen onredelijk bewarende termijn nu gedaagde als ervaren aardappelteler geacht moet worden de nodige ervaring te hebben met het gesloten poolcontract pootaardappelen. Dat geschillen in het kader van een dergelijk contract een spoedige beslechting behoeven omdat het gaat om beperkt houdbare en / of kwetsbare agrarische produkten, moet bij telers in deze branch ook als voldoende bekend worden verondersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 139148 / HA ZA 07-1476

Vonnis in incident van 9 april 2008

in de zaak van

[eiser],

gevestigd te [adres], gemeente Noordoostpolder,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. H. Hulshof,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats], gemeente Noordoostpolder,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. L.J. den Hollander te Middelharnis.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van [gedaagde]

- de incidentele conclusie van antwoord van [eiser]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. [gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

standpunt van eiseres in het incident

2.2. [gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van de hoofdzaak kennis te nemen dan wel [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat de vordering van [eiser] in de hoofdzaak is gebaseerd op het tussen partijen op 4 december 2002 gesloten poolcontract pootaardappelen, in het kader van welke overeenkomst de Algemene Voorwaarden Pootaardappelen (AVP) met bijbehorend arbitragereglement op deze overeenkomst van toepassing zijn. In artikel 52 van deze voorwaarden is vastgelegd dat alle geschillen moeten worden beslecht door arbitrage op de wijze zoals in het bij de AVP behorende arbitragereglement is bepaald.

standpunt van gedaagde in het incident

2.3. [eiser] beroept zich op de nietigheid van het arbitragereglement in de AVP omdat dit onredelijk bezwarend is. Met de in het arbitragereglement opgenomen termijn van twee maanden nadat is gebleken dat het geschil niet in der minne tussen partijen kan worden opgelost, wordt namelijk de wettelijke verjaringstermijn van 5 jaar bekort naar een onredelijk korte termijn van twee maanden. [eiser] beroept zich te dien aanzien op reflexwerking van artikel 6:236 sub g BW (zwarte lijst) wat betreft een onredelijk bezwarend geding in algemene voorwaarden, daarbij in aanmerking nemende de met die van een consument vergelijkbare (afhankelijkheid)positie van [eiser] ten opzichte van [gedaagde].

Bovendien voert [eiser] aan dat [gedaagde] hem nimmer heeft gewezen op de algemene voorwaarden, die slechts in 2002 eenmalig zouden zijn verstrekt, en evenmin heeft voorgesteld het geschil aan de arbitragecommissie voor te leggen.

de motivering

2.4. De rechtbank neemt, gelet op de standpunten van partijen, als uitgangspunt dat de AVP door [eiser] zijn aanvaard en dat tussen partijen derhalve deze algemene voorwaarden gelden.

2.5. De rechtbank verstaat het beroep van [eiser] op de nietigheid van het arbitragereglement aldus, dat [eiser] op grond van artikel 6:233 onder a BW de nietigheid inroept van het arbitraal beding in de AVP, zoals dat geldt krachtens artikel 52, lid 1, van de AVP juncto artikel 4 lid 1 van het van de AVP deel uitmakende arbitragereglement, omdat dit onevenredig bezwarend is, waarbij het onredelijk bezwarend karakter in de rechtsverhouding tussen partijen naar analogie van het bepaalde in artikel 6:236 onder g BW moet worden aangenomen.

2.6. De rechtbank stelt vast dat het arbitraal beding niet ertoe strekt dat een wettelijke verjaringstermijn wordt omgezet in een kortere verjaringstermijn. Van een beding in de zin van artikel 6:236 onder g BW is dan ook geen sprake. Reeds hierom kan reflexwerking als gesteld niet aan de orde zijn.

2.7. De rechtbank ziet ook overigens in het standpunt van [eiser] geen grond voor het oordeel dat het arbitraal beding, gelet op de in artikel 6:233 onder a BW opgenomen criteria, nietig moet worden verklaard.

2.8. De wet kent geen termijn voor het aanhangig maken van arbitrages.

2.9. Het tussen partijen krachtens overeenkomst geldend arbitragebeding kent een vervaltermijn voor het aanvragen van arbitrage, inhoudende dat arbitrage binnen twee maanden nadat is gebleken dat het geschil niet in der minne tussen partijen kan worden opgelost, dient te worden aangevraagd.

2.10. De rechtbank acht het beding in verband met deze termijn niet onredelijk bezwarend voor [eiser], waartoe zij het volgende overweegt.

2.11. [eiser] oefent een agrarisch bedrijf uit en levert als aardappelteler bedrijfsmatig aardappelen aan [gedaagde] als afnemer (exporteur). Partijen hebben daartoe een duur- overeenkomst gesloten, op basis waarvan [eiser] bij herhaling oogsten aardappelen aan [gedaagde] aflevert. Het sluiten van dergelijke overeenkomsten komt de rechtbank voor als typisch bedrijfsmatig in deze (agrarische) bedrijfstak en in zoverre moet [eiser] geacht worden daarmee de nodige ervaring te hebben. Dat deze overeenkomsten, die beperkt houdbare en/of kwetsbare agrarische producten betreffen, met het oog op de wederzijdse belangen van beide partijen met voortvarendheid moeten worden uitgevoerd en ook geschillen in dat kader daardoor een spoedige beslechting behoeven, moet bij de deelnemers (telers) in deze branche ook als voldoende bekend worden verondersteld. [eiser] moet dan ook geacht worden kennis te kunnen hebben (gehad) van (de voorwaarden) van het arbitragebeding, ook al heeft hij kennelijk niet eerder sinds het sluiten van de overeenkomst reden gezien voor een beroep daarop. Gesteld noch gebleken is overigens waarom [eiser] niet tijdig arbitrage voor het geschil heeft kunnen inroepen.

2.12. Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank zich in verband met het arbitragebeding, waarin de gewone rechter is uitgesloten van het beslechten van geschillen als waarvoor de hoofdzaak aanhangig is gemaakt, onbevoegd zal verklaren van de vordering van [eiser] in de hoofdzaak kennis te nemen.

2.13. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

3.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 755,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2008.