Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD5792

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
07.607103-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bedreiging

bewijs

gericht schot op been verdachte

strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.607103-07 (p)

Uitspraakdatum : 19 juni 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[v[verdachte]hte],

[geboortedatum],

[woonplaats].

ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 5 juni 2008, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.H.J. Harmeijer en van hetgeen door de raadsman van verdachte naar voren is gebracht.

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte ervan wordt verdacht dat hij op 6 maart 2007 zijn echtgenote verbaal en met een mes heeft bedreigd. Voorst wordt hij ervan verdacht een busje traangas in bezit te hebben gehad.

BEWIJS

A. Vaststaande feiten

De vindplaatsvermeldingen, die voorkomen in de navolgende overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen naar de doorgenummerde pagina’s van de afzonderlijke processen-verbaal die bij het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van voortgang met het nummer 2007015681 zijn gevoegd, dat op 5 april 2007 is gesloten en getekend door [verbalisant] van politie Flevoland.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de echtscheiding nog niet is uitgesproken.

In het dossier bevindt zich een beschikking d.d. 9 februari 2007 waarin door de rechtbank Zwolle-Lelystad bij wijze van voorlopige voorziening is beslist dat het gebruik van de woning aan aangeefster [echtgenote] wordt toebedeeld en dat het de man, verdachte, niet is toegestaan de woning te betreden.

Op 6 maart 2007 bevond de verdachte zich in de woning van zijn echtgenote [echtgenote]. Hij verbleef daar zonder haar uitdrukkelijke toestemming.

Ondanks haar verzoek te vertrekken is verdachte van 5 op 6 maart 2007 in de woning gebleven en was bovendien voornemens ook de nacht van 6 op 7 maart in de woning te verblijven. In verband met de onveiligheid die [echtgenote] voelde als gevolg van de aanwezigheid van verdachte, heeft zij een vriendin, getuige [getuige] gebeld om naar de woning te komen. Op enig moment is [echtgenote] naar boven gegaan om te slapen en is de verdachte in gesprek met [getuige] geraakt. Dit gesprek werd op enig moment luidruchtig en heeft [echtgenote] ertoe gebracht naar beneden te komen en verdachte te verzoeken de woning te verlaten. Toen hij dit weigerde heeft zij de politie gebeld en dat aan verdachte kenbaar gemaakt. Daarop heeft verdachte zich in dreigende taal uitgelaten ten opzichte van [echtgenote] en aangegeven dat hij geweld tegen haar zou gaan gebruiken. Op enig moment is hij naar de keuken gelopen, heeft uit een besteklade een schaar en een mes gehaald en daarbij het mes aan de schaar geslepen onder het uitspreken van de woorden dat hij haar -[echtgenote]- zou gaan snijden in haar gezicht. Op advies van haar vriendin, de getuige [getuige], is [echtgenote] toen het huis uitgerend. Verdachte is haar achterna gelopen. Verdachte heeft het door hem gepakte mes, op uitdrukkelijk verzoek gegeven aan getuige [getuige] en is naar zijn auto gerend met de bedoeling [echtgenote] te achtervolgen. De verbalisanten zijn in hun dienstauto verdachte gevolgd en hebben zijn auto tot stilstand gebracht. Vervolgens hebben zij de verdachte gesommeerd om uit de auto te stappen en toen hij dit weigerde hem met traangas in zijn ogen gespoten. De verbalisanten hebben de situatie als zozeer bedreigend ervaren dat nadien nog tweemaal is gespoten met peperspray en, nadat de verdachte in de richting van één van de verbalisanten was gerend, met een dienstwapen in het been van de verdachte hebben geschoten, waarna aanhouding plaatsvond. De rechter-commissaris in strafzaken heeft bij beschikking d.d. 21 maart 2007 de aanhouding en de in verzekeringstelling onrechtmatig geoordeeld “nu vooralsnog niet is gebleken van de in redelijkheid bestaande noodzakelijkheid van het gebruikte geweld”.

Na aanhouding is in de auto van verdachte een tas aangetroffen met daarin een busje met het opschrift: “Bodyguard Euro-paralisant” ter zake waarvan de verdachte heeft verklaard dat het traangas bevat.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie, mr. H.H.J. Harmeijer, acht de drie tenlastegelegde feiten bewezen en wijst er, daar waar het gaat om feit 1. nog op dat er al eerdere meldingen zijn geweest van huiselijk geweld van de verdachte jegens [echtgenote]. De officier van justitie, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 3. tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Verder heeft hij gevorderd de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,--, alsmede oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag. Tenslotte heeft hij gevorderd het geschorste bevel gevangenhouding op te heffen.

C. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van feit 1. voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met inachtneming van het volgende. Hij merkt op dat bewijs voor bewezenverklaring van bedreiging met een misdrijf tegen het leven, zoals ook ten laste gelegd, ontbreekt. De ten laste gelegde feitelijkheden missen naar zijn mening een bedreigend karakter.

Ten onrechte, aldus de raadsman, is het mes niet -onder andere op sporen- onderzocht.

Tussen de verklaring van [echtgenote] -het was een groot keukenmes- en het uiteindelijk aangetroffen mes dat geen “groot keukenmes” is, bestaat een zodanig verschil dat niet vaststaat met welk mes [echtgenote] bedreigd is en of dit het naast de woning aangetroffen mes betreft. Ten aanzien van feit 2. heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Er was naar mening van de raadsman voor de verbalisanten die bij de aanhouding betrokken waren geen aanleiding om te veronderstellen dat de verdachte een wapen had, anders dan op basis van de enkele melding daarvan door [echtgenote] of [betro[getuige]. Bij de verdachte hebben zij, vanaf het moment dat zij ter plaatse waren tot en met de aanhouding geen wapen gezien. Het door de verbalisanten toegepaste geweld, waarbij de verdachte tot driemaal toe is gepepperd en in zijn been werd geschoten, is disproportioneel. Nu de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken, dient de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van feit 3. betoogt de raadsman het volgende. Nu niet vaststaat dat de inhoud van het bij de verdachte aangetroffen busje de werking heeft zoals tenlaste gelegd -onderzoek naar de inhoud heeft naar zijn mening immers niet plaatsgevonden- kan dit feit niet worden bewezen verklaard en dient vrijspraak te volgen.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte opzettelijk met een mes naar zijn echtgenote is gelopen onder het uitspreken van dreigende taal en onder andere gericht op het toebrengen van lichamelijk letsel. Zo verklaart [echtgenote] ten aanzien van de aan haar adres geuite dreigende taal dat verdachte haar heeft gezegd: “Ik maak je leven kapot. Ik ga jou in je gezicht snijden zodat niemand je meer wil zien. Ik ga op de ambassade van alles zeggen zodat je terug moet naar Iran” De verklaring van getuige [getuige] bevestigt dat, waar zij verklaart dat de verdachte zegt: “Nu je de politie gebeld hebt, ga ik een mes pakken, je in je gezicht steken en dan het huis verlaten”. Ten aanzien van de bedreiging met een mes verklaart [echtgenote]: “Ik zag dat [verdachte] de besteklade opendeed. Ik zag dat hij zich naar op zij draaide, en zag een groot keukenmes (het mes gebruik ik altijd voor het vlees) en de schaar. Hij hield de schaar open en haalde het mes er langs, alsof hij het mes aan het slijpen (was)” De verklaring van de getuige bevestigt dit als volgt: “Ik zag dat [verdachte] naar de keuken liep. Ik zag dat hij de keukenlade opendeed en een mes pakte (….) Ik zag dat [verdachte] in zijn linkerhand een keukenschaar had en in zijn rechterhand het mes. Hij haalde het mes langs de schaar alsof hij het ging slijpen (….) Hij ging met het mes in zijn rechterhand, met zijn arm iets omhoog, op [slachtoffer] af”. In het licht van die verklaringen komt de verklaring die de verdachte ten overstaan van de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd en die bestaat in een ontkenning van het pakken en dreigen met een mes en het spreken van dreigende taal, de rechtbank ongeloofwaardig voor. Uit de verklaring van de verdachte, die van [echtgenote] en die van getuige [getuige] is af te leiden dat verdachte het moeilijk had met de door [echtgenote] voorgenomen echtscheiding en zich daartegen heeft verzet.

Uit de verklaringen in het dossier is naar het oordeel van de rechtbank echter niet af te leiden dat de verdachte, [echtgenote] heeft bedreigd met een misdrijf gericht tegen het leven, zodat de rechtbank de verdachte van dat deel van het tenlastegelegde zal vrijspreken.

De rechtbank stelt ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde, op basis van de processen-verbaal van bevindingen en de aangifte van agente [agent] vast dat de verdachte zich bij zijn aanhouding heeft verzet. Verdachte heeft daarbij, aldus het relaas in voornoemde processen-verbaal, geschreeuwd, een kledingstuk van zijn bovenlijf gerukt en op enig moment een bokshouding aangenomen. De verbalisanten hebben bij de aanhouding geweld toegepast op basis van de veronderstelling dat de verdachte een mes in zijn bezit had. Nadat verdachte in zijn ogen was gespoten met pepperspray en op het moment dat de verdachte met hoge snelheid naar verbalisante [agent] zou zijn gerend, heeft agent [agent] een schot gelost in de richting van de benen van de verdachte. Verbalisante [agent] heeft verklaard dat de afstand tussen haar en verdachte –die door het dolle heen was- dermate klein was dat het enige dat zij kon doen was zichzelf kleiner maken en de armen voor haar lichaam houden om zich tegen een aanval van verdachte te beschermen. De situatie heeft aldus haar verklaring diepe indruk gemaakt en ze voelt zich er emotioneel beschadigd door. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend op verbalisante te zijn afgerend en heeft verklaard het onbegrijpelijk te vinden waarom er pepperspray in zijn ogen werd gespoten en er in zijn been werd geschoten. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden aangenomen dat er sprake is van een situatie die zodanig was dat er sprake is van bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek van Stafrecht. Daarbij wijst de rechtbank er op dat, zoals ten laste gelegd, het onduidelijk of onverstaanbaar agressief schreeuwen niet als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven althans zware mishandeling kan worden aangemerkt terwijl de overige, in de tenlastelegging opgenomen feitelijkheden, dat evenmin zonder meer zijn. De reactie van de verdachte op het jegens hem toegepaste geweld acht de rechtbank onder de omstandigheden van het geval niet zeer uitzonderlijk en daarmee voor de verbalisanten niet onvoorzienbaar. De situatie kan bovendien niet los worden gezien van de taakuitoefening van de verbalisanten. In verband daarmee mogen zwaardere eisen worden gesteld aan de professionele vaardigheden van het slachtoffer als agent van politie, om met een situatie als de onderhavige om te gaan. Van enige uitzonderlijke omstandigheid die dat anders maakt is de rechtbank in dit geval niet gebleken. Daarbij heeft de officier van justitie verklaard dat de resultaten van nader onderzoek door de rijksrecherche ter zake de aanhouding, niet aan het dossier worden toegevoegd. Daarmee blijft naar het oordeel van de rechtbank deels onduidelijk wat precies de ontwikkelingen zijn geweest die aan de gebeurtenissen een voor het slachtoffer bedreigend karakter hebben gegeven, maar is evenmin vast te stellen of en zo ja in welke mate de verbalisanten onder de gegeven omstandigheden al dan niet overeenkomstig hun ambtsinstructie hebben gehandeld.

De verdachte dient van het onder 2. tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank stelt ten aanzien van feit 3. vast dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte een busje traangas , aangetroffen in een tas in zijn auto bij diens aanhouding op 6 maart 2007, in zijn bezit heeft gehad.

Ter zake van dit busje heeft de verdachte immers verklaard dat het traangas bevat. Voorts heeft hij verklaard dat hij dit busje had gekregen in het AZC van iemand die uitgezet werd.

Hij wilde het aan zijn vrouw gegeven omdat zijn vrouw werkte als oppas en s’ avonds en ’s nacht over straat moest.

Het betoog dat eerst de inhoud van het busje moet worden vastgesteld alvorens tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, passeert de rechtbank gelet op de verklaring die verdachte daarover zelf heeft afgelegd.

E. De bewezenverklaring

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het onder 2. tenlastegelegde nu de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1. en 3. ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 6 maart 2007 in de gemeente Almere S. [echtgenote] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

-een mes en een schaar, gepakt en

-vervolgens dat mes aan die schaar, in het bijzijn van die [echtgenote] geslepen en met dat mes in de richting van die [echtgenote] gelopen en die [echtgenote] achterna gezeten

en daarbij deze dreigend in het Farsisch de woorden toegevoegd:

-”Ik maak jouw gezicht kapot, ik maak het hele huis kapot, ik maak je familie in Iran kapot.” en

-“Als het de bedoeling is dat ik weg ga, dan ga ik het huis eerst met olie doen en afbranden”,

althans woorden van gelijke aard of strekking.

3.

hij op 6 maart 2007 in de gemeente Almere een busje traangas met opschrift: Bodyguard Euro-paralisant, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6e, voorhanden heeft gehad;

Van het onder 1. en 3. meer of anders tenlastegelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1.:

Bedreiging met zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht;

Feit 3.:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De verdachte is, wetende dat hij op basis van een beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad niet de woning van zijn echtgenote [echtgenote] mocht betreden en ondanks haar uitdrukkelijke en herhaalde verzoek te vertrekken, daar toch gebleven. Bij zijn bezoek is hij een discussie gestart over de echtscheiding, althans het voornemen daartoe, op een wijze die zijn echtgenote als zo bedreigend heeft ervaren dat zij verdachte heeft verzocht de woning te verlaten. Toen hij dat niet deed heeft zij de politie gebeld. Dat de verdachte vervolgens het slachtoffer -behalve verbaal- ook heeft bedreigd met het toebrengen van ernstig letsel en met de uitvoering daarvan een aanvang heeft gemaakt door een mes te pakken, verdient scherpe afkeuring. [echtgenote] heeft zich, zoals uit haar verklaringen volgt, door deze gedragingen ernstig bedreigd gevoeld, zeker waar de bedreiging met het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door in het gezicht te snijden, in het land van herkomst van zowel de verdachte als het slachtoffer -Iran- cultureel bepaald is. Indien het slachtoffer niet naar buiten was gerend, zou zij mogelijk ernstig verwond zijn geraakt. Het is derhalve aan haar eigen doortastendheid, die van haar vriendin [getuige] en de interventie van de politie te danken geweest dat dit gevolg is uitgebleven. De handelswijze van de verdachte is onacceptabel en dient te worden bestraft.

De rechtbank ziet aanleiding om naast een onvoorwaardelijk deel, de verdachte ook een voorwaardelijke straf op te leggen zodat er daarmee voor verdachte een stok achter de deur is om zich in de toekomst van dit soort gedrag te onthouden, dit temeer nu de echtscheiding tussen verdachte en [echtgenote] nog niet uitgesproken is.

Ten voordele van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest in verband met het plegen van strafbare feiten. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte onnodig leed heeft ondervonden als gevolg van de door de rechter-commissaris in strafzaken als onrechtmatig geoordeelde aanhouding en inverzekeringstelling. In verband hiermee zal de rechtbank een lagere dan de door de officier van justitie geëiste straf opleggen.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

De benadeelde partij [agent] dient in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte van het hem onder 2. ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het onder 2. ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1. en 3. ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1. en 3. meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 4 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [agent] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. J.P.C. Obbink, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en M.A. Wijnands-Veninga, rechters, in tegenwoordigheid van M. Smit, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2008.