Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD5750

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
07.607340-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen poging doodslag

bewijs

noodweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht – Politierechter

Parketnummer : 07.607340-07

Uitspraak : 9 juni 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum],

[woonplaats],

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M.A.W. Erven, advocaat te Almere.

De officier van justitie, mr. A. Kengen, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 289 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft bij haar vordering in aanmerking genomen de omstandigheid dat de verdachte de Nederlandse taal niet verstaat en spreekt waardoor een werkstraf moeilijk uitvoerbaar is.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

De politierechter overweegt terzake voornoemde bewezenverklaring:

De verklaring van aangever wordt gesteund door de hieronder genoemde onafhankelijke getuigen die allen geen enkele relatie of betrokkenheid met de aangever dan wel de verdachten hebben.

Getuige [getuige] verklaart een vechtpartij gezien te hebben waarbij vier personen betrokken waren. Hij heeft gezien dat persoon 1 (aangever) ten val kwam en dat aangever - terwijl hij zich op de grond bevond- door persoon 3 vol en hard met de vuist (in het gezicht) werd geslagen. Getuige heeft gezien dat persoon 4 ([medeverdachte]) het op een gegeven moment overnam en dat deze [medeverdachte] met zijn vuisten hard op het hoofd van aangever sloeg en hem regelmatig hard trapte. Getuige heeft gezien dat persoon 3 inmiddels de taak op zich genomen had om aangever om zijn nek aan de achterzijde vast te houden, dat alle personen daarbij op de grond lagen en dat aangever er alles aan deed om los te kunnen komen, hetgeen hem niet lukte. Getuige heeft gezien dat persoon 2 (verdachte) elke keer wanneer er een gaatje was op ferme wijze en met een aanloop aangever trapte en dat dit een keer of vijftien gebeurde. Getuige verklaart dat het gevecht ongeveer vijf minuten duurde en dat aangever daarbij meerdere malen in het gezicht, tegen de rug en tegen het onderlijf werd geraakt.

[getuige] verklaart getuige te zijn geweest van de vechtpartij. Zij heeft gezien dat persoon 3 en persoon 4 ([medeverdachte]) richting persoon 1 (aangever) liepen en hem begonnen te slaan waardoor aangever ten val kwam. Getuige heeft gezien dat persoon 2 (verdachte), persoon 3 en [medeverdachte] allen aangever begonnen te schoppen en te slaan, terwijl hij zich liggend op de grond bevond. Getuige verklaart dat verdachte door het dolle heen was dat hij er elke keer voor zorgde dat het vechten doorging. Getuige verklaart dat zij het idee had dat aangever dood zou worden geschopt en geslagen.

Getuige [getuige], filiaalmanager van [bedrijf], verklaart getuige te zijn geweest van een vechtpartij waarbij vier daders betrokken waren. Getuige heeft gezien dat dader 1 (aangever) en dader 4 ([medeverdachte]) met elkaar aan het vechten waren en dat dader 5 en dader 3 (verdachte) opzettelijk en niet met geringe kracht met gebalde vuisten aangever sloegen. Getuige verklaart dat hij getracht heeft de daders uit elkaar te halen, maar dat dit niet lukte. Getuige heeft gezien dat aangever op de grond lag, dat [medeverdachte] bovenop aangever zat en zijn arm vasthield zodat aangever zich niet kon verdedigen. Getuige heeft gezien dat [medeverdachte] met zijn andere vuist opzettelijk en met heel veel kracht op het hoofd en tegen het gehele lichaam van aangever sloeg en dat dit vermoedelijk meer dan 10 keer gebeurde. Getuige verklaart dat [medeverdachte] een beer van een kerel was en dat –terwijl [medeverdachte] bovenop aangever zat en hem vasthield- de andere daders aangever opzettelijk en met heel veel kracht sloegen en trapten in het gezicht en tegen de rechterzij. Getuige verklaart dat hij dacht dat aangever dood zou gaan.

In het proces-verbaal van bevindingen relateren verbalisanten met betrekking tot het letsel van aangever: Aangever was gewond in het gezicht, hij bloedde op verschillende plaatsen in het gezicht, had opgezwollen ogen en hij spuugde bloed op de grond.

Gelet op de omstandigheid dat de verklaring van aangever ondersteund wordt door drie onafhankelijke getuigen en gelet op het ernstige letsel van aangever dient naar het oordeel van de politierechter de conclusie te worden getrokken dat verdachte heeft gedaan wat hem wordt verweten.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de politierechter dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Medeplegen van poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287, juncto artikel 45, juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De politierechter overweegt hiertoe dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door het toegepaste geweld zou overlijden.

Getuige [getuige] en getuige [getuige] verklaren beiden dat het geweld dermate ernstig was dat zij dachten dat aangever dood zou gaan.

Het beroep dat is gedaan op noodweer, subsidiair op noodweer-exces, moet naar het oordeel van de politierechter worden verworpen. De door de verdachte aangevoerde omstandigheid dat aangever een junk is die altijd een mes op zak heeft en dat verdachte zich derhalve wel moest verdedigen, vindt geen enkele steun in de in het dossier bevindende stukken.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de politierechter de na te noemen beslissing passend.

Bij zijn beslissing heeft de politierechter rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 6 mei 2008.

Bij zijn beslissing heeft de politierechter geen rekening gehouden met het feit dat de verdachte zijn verblijfsvergunning kwijt zou kunnen raken. De politierechter overweegt hiertoe dat verdachte zelf in een eerder stadium had moeten bedenken wat de gevolgen zouden kunnen zijn voor zijn verblijfvergunning. Verdachte had zich vooraf moeten bedenkenken dat hij zich beter niet schuldig zou kunnen maken aan het plegen van een dergelijk ernstig stafbaar feit.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De politierechter legt aan verdachte op:

- Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de duur van 134 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Aldus gewezen door mr. E.W. Akkerman, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Weerdhuizen-Loman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2008.