Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD5447

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-05-2008
Datum publicatie
26-05-2010
Zaaknummer
143242 - KG ZA 08-116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Wie is contractspartij? huurgarantie? Afnameverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 143242 / KG ZA 08-116

Vonnis in kort geding van 15 mei 2008

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Eiser sub 1] [woonplaats] BEHEER B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 2] HOLDING B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AVIRRA ONROERENDGOED B.V.,

gevestigd te Winschoten,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 4] HOLDING B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 5] VASTGOEDONTWIKKELING AMERSFOORT B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseressen,

procureur mr. C. Borstlap,

advocaat mr. S. Maakal te Heerenveen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] VASTGOED B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. A.J. ter Wee,

advocaat mr. A.J. van der Veen te Alkmaar.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte houdende wijziging van eis, tevens akte overlegging productie d.d. 8 april 2008 van [eiser] c.s.

- de brief met producties van [gedaagde] d.d. 4 april 2008

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser] c.s.

- de pleitnota van [gedaagde]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In 2007 heeft [eiser] c.s. twee percelen grond (door partijen op een bij de gesloten overeenkomst behorende en als zodanig gewaarmerkte tekening als A en B aangeduid) verkocht, die zijn gelegen aan de [adres] te [woonplaats], tezamen groot ongeveer 6.840 m2. Hierbij is door [eiser] c.s. meeverkocht de voor de betreffende locatie vervaardigde bouw- en constructietekeningen van het project “De Wachter” te [woonplaats], welke op dat moment door het bevoegd gezag (de gemeente [woonplaats]) reeds was voorzien van een geldige (en onherroepelijke) bouwvergunning.

2.2. Eiser sub 5 is tot op heden eigenaar van het vorenbedoelde perceel B, terwijl de overige eisers (sub 1 t/m 4) gezamenlijk eigenaar zijn van perceel A.

2.3. Vorenbedoelde koopovereenkomst is door [eiser] c.s. ondertekend op 23 november 2007 en van de zijde van [gedaagde] op 6 december 2007.

2.4. De koopsom bedraagt EUR 2.600.000,00 exclusief B.T.W. Met betrekking tot het moment van levering kwamen partijen overeen dat deze uiterlijk voor 1 maart 2008 zou plaatsvinden.

In de koopovereenkomst staat onder andere:

“(…)

Wij zullen er voor zorgen dat u op korte termijn alle relevante gegevens m.b.t. het verkochte/gekochte zult ontvangen (voor 1 december 2007) zodat u voor 1 februari 2008 uw onderzoek van deze gegevens kunt hebben afgerond.

Deze ‘due dilligence’ kan aanleiding geven voor koper om deze overeenkomst alsnog te ontbinden. Dit is slechts mogelijk indien uit nader onderzoek door koper zou blijken dat de door verkoper gegeven informatie niet juist zou zijn.

Ook het niet tijdig verkrijgen van de externe financiering kan voor koper aanleiding zijn om de overeenkomst te ontbinden.

Voor beide ontbindende voorwaarden geldt dat koper zich tot uiterlijk 1 februari 2008 hierop kan beroepen.

Indien verkoper uiterlijk 1 februari 2008 geen schriftelijk gemotiveerd verzoek (aangetekend) tot ontbinding heeft ontvangen van koper, zijn de ontbindende voorwaarden uitgewerkt en is de koop gesloten.

U heeft ons in uw emailbericht van 21 november 2007 laten weten dat de koopakte op naam moet worden gesteld van: [gedaagde] Vastgoed BV, gevestigd aan de [adres] [woonplaats], [gedaagde] Vastgoed wordt in deze vertegenwoordigd door haar direkteur, [de heer A].

Indien u akkoord bent met de inhoud van deze brief, ontvangen wij graag een getekend exemplaar van de brief retour. (getekend door zowel [de heer A] als door u)

(…)”

2.5. Nadat met betrekking tot de levering tussen partijen diverse malen telefonisch contact heeft plaatsgevonden en over en weer ook een aantal mailberichten is gewisseld, is [gedaagde] uitgenodigd om te compareren op vrijdag 22 februari 2008. De akte van levering was reeds daarvoor door de notaris in concept aan [gedaagde] ter beoordeling toegezonden. [gedaagde] is bij die gelegenheid niet verschenen.

2.6. Daarop heeft de notaris [gedaagde] namens [eiser] c.s. nogmaals uitgenodigd voor een ander tijdstip en wel op vrijdag 29 februari 2008. [gedaagde] is wederom niet verschenen.

2.7. Tenslotte is namens [eiser] c.s. op 7 maart 2008 een ingebrekestelling/sommatie verzonden, betrekking hebbende op de voorgenomen levering uiterlijk binnen een termijn van acht dagen, te rekenen na de verzenddatum van de betreffende sommatie/ingebrekestelling. Ook hierop is geen reactie van [gedaagde] gevolgd.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vorderen na wijziging van eis uitvoerbaar bij voorraad:

I. te gelasten dat [gedaagde] haar medewerking zal verlenen aan de levering door [eiser] c.s. van:

1. de percelen bouwterrein, gelegen nabij de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente Stad-[woonplaats], [sektie] nummers [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer], tezamen groot vijf en vijftig aren en veertig centiaren;

2. het perceel bouwterrein, gelegen aan en nabij de [adres] en [adres] te [woonplaats], uitmakende het kennelijk op het terrein afgepaald gedeelte – ter grootte van ongeveer dertien aren – van de kadastrale percelen gemeente Stad-[woonplaats], [sectie] nummers [nummer] en [nummer]; het betreft hier een geheel in de kadastrale registers vermeld gedeelte van laatstgemelde percelen;

3. de uitgewerkte bouw- en constructietekeningen, voorzien van een bouwkundig bestek, voor het oprichten van het multifunctionele gebouw “De Wachter”, voor zover deze door de verkoper aan koper geleverd kunnen worden;

aan [gedaagde] tegen een koopsom van EUR 3.094.000,00 k.k. (zegge: drie miljoen vierennegentigduizend euro kosten koper), conform de bepalingen van de conceptakte die als productie 5 in het geding is gebracht,

daarbij te bepalen dat de genoemde koopsom uiterlijk binnen drie werkdagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, dan wel een andere in goede justitie te bepalen termijn, dient te zijn bijgeschreven op het rekeningnummer [nummer] van de Stichting Derdengelden van Vechtstede notarissen, gevestigd te [woonplaats] (nota bene: de administratie van dit notariskantoor is gevestigd te Hardenberg, zodat bij het overmaken van de betreffende gelden bij voorkeur ook Hardenberg als plaatsnaam vermeld dient te worden)

en voorts te bepalen dat dit vonnis dezelfde rechtskracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte, strekkende tot levering van vooromschreven registergoederen, alsmede te bepalen dat dit vonnis in de plaats zal treden van die akte,

zulks onder de bepaling dat het vonnis onmiddellijk na betekening daarvan kan worden ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers, dan wel met bepaling van een andere - in goede justitie vast te stellen – termijn waarop dit vonnis in die registers kan worden ingeschreven;

II. [gedaagde] naast betaling van de vorengenoemde koopsom ook te veroordelen tot betaling aan [eiser] c.s. van een voorschot op de door hen geleden schade, zulks tot een bedrag van EUR 45.000,00, dan wel enig ander in goede justitie vast te stellen bedrag, met bepaling dat indien dit bedrag niet binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis is betaald daarover de wettelijke rente vanaf die datum zal zijn verschuldigd;

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] c.s. ter zake buitengerechtelijke kosten van een bedrag van EUR 1.500,00, met bepaling dat indien dit bedrag niet binnen twee weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis is betaald daarover de wettelijke rente vanaf die datum zal zijn verschuldigd;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding;

V. althans een zodanig beslissing te geven die de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

[eiser] c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] de tussen partijen gesloten koopovereenkomst dient na te komen, nu hij zich niet tijdig op een ontbindende voorwaarde uit de overeenkomst heeft beroepen.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In dit geding is in voldoende mate gebleken van het spoedeisend belang van [eiser] c.s. bij de vordering.

4.2. Contractspartij

4.2.1. [gedaagde] betwist primair dat zij contractspartij is bij de onderhavige koopovereenkomst. Volgens [gedaagde] is niet zij, maar [de heer B], makelaar bij Holland Noord Makelaars B.V. te Den Helder (verder: [de heer B]), contractspartij. Met [eiser] c.s. is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde] contractspartij is. Weliswaar is de brief, waarin de koopovereenkomst nader is uitgewerkt, gericht aan de heer [de heer B], maar de koopovereenkomst is mede-ondertekend door [de heer A] in zijn hoedanigheid van directeur van [gedaagde] (verder: [de heer A]). Uit de mailwisseling tussen [de heer B] en [de heer A] van maandag 5 november 2007 16:00 uur (overgelegd door [gedaagde] als productie 2) blijkt dat [gedaagde] geïnteresseerd is in de koop van de betreffende percelen. [de heer B] wijst [de heer A] in deze mail bovendien op zijn aanbrengfee als aanbrengende makelaar: “als aanbrengfee bedraagt onze courtage 1,5% excl. btw.” Na enige mailwisselingen tussen [de heer B] en [eiser] wordt in de mail van 21 november 2007 12:01 uur het aanbod van [eiser] c.s. aanvaard en verzoekt [de heer B] [eiser] om de koopakte op naam van [gedaagde] Vastgoed B.V. te stellen. Dat [gedaagde] met deze gang van zaken heeft ingestemd blijkt reeds uit de onvoorwaardelijke ondertekening van de koopovereenkomst door [de heer A] op 6 december 2007.

4.2.2. Ook uit uitingen van latere datum van [de heer A] blijkt dat het de bedoeling van [gedaagde] was om zelf de percelen te kopen. In de brief van 28 januari 2008 schrijft [de heer A] immers ondubbelzinnig dat hij graag de koop van het plan “De Wachter” te [woonplaats] wil bevestigen. Ook tijdens de mondelinge behandeling bevestigt [gedaagde] dat zij wel geïnteresseerd was in de koop van het project en dat [de heer B] daartoe in onderhandeling met [eiser] is gegaan, dat [gedaagde], mede met het oog op het verkrijgen van de financiering voor de koop van het project, Multiply Investments heeft gevraagd verschillende berekeningen te maken ten aanzien van de investering voor het project, dat het project een aantrekkelijke investering voor [gedaagde] leek en dat verdere onderhandelingen tussen partijen ([eiser] c.s. en [gedaagde]) over de vraagprijs resulteerden in de onderhavige overeenkomst. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat [gedaagde] als contractspartij is opgetreden en het project voor zichzelf heeft gekocht. Het verweer van [gedaagde] dat de leveringsplicht alleen tussen [de heer B] en [eiser] bestaat en dat [gedaagde] slechts met betrekking tot de tenaamstelling van de onroerende goederen heeft mede-ondertekend, dient dan ook te worden verworpen.

4.3. Intenties of garanties

4.3.1. Subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat de wil van [gedaagde] om tot het sluiten van de overeenkomst over te gaan, werd ingegeven door het feit dat de verschillende onderdelen van het project bij voorbaat reeds nagenoeg geheel verhuurd zouden zijn. De vraagprijs werd volgens [gedaagde] in belangrijke mate hierop gebaseerd. Omdat [gedaagde] meer zekerheid wilde krijgen omtrent de potentiële huurders en huuropbrengsten is bij het sluiten van de overeenkomst een ontbindende voorwaarde bedongen, die [gedaagde] in de gelegenheid stelde om te bezien of de door [eiser] c.s. geleverde informatie juist en volledig was. Volgens [gedaagde] wilde zij met name onderzoeken in hoeverre de huurovereenkomsten ook daadwerkelijk gesloten zouden worden en in hoeverre de door [eiser] c.s. voorgestelde situatie ook juist was. Nu tijdens de due diligence bleek dat het project zou worden geleverd zonder enige vorm van gegarandeerde huuropbrengsten en zonder dat er zelfs maar sprake was van huurintenties, kon volgens [gedaagde] niet meer van haar verwacht worden dat zij zonder meer tot nakoming zou overgaan. De informatie die bij het sluiten van de overeenkomst door [eiser] c.s. was gegeven, bleek achteraf gezien niet juist. Daarom heeft [gedaagde] zich in haar brief van 28 januari 2008 op de ontbindende voorwaarde beroepen. Nu er nog niets verhuurd blijkt te zijn, kon ook het project niet gefinancierd worden.

4.3.2. [eiser] c.s. ontkennen daarentegen dat zij [gedaagde] met betrekking tot het bestaan van (voldoende) huurovereenkomsten garanties hebben verstrekt. Er is volgens [eiser] c.s. alleen gesproken over huurintenties: goede bedoelingen die op geen enkele wijze zo uitgelegd kunnen worden dat hierin een vorm van zekerheid zou zijn gelegen. [gedaagde] heeft niet (tijdig) een beroep gedaan op het financieringsvoorbehoud.

4.3.3. In de kern gaat het om de vraag of de teleurgestelde verwachting van [gedaagde] grond biedt voor afwijzing van (een van) de vorderingen van [eiser] c.s. Allereerst doet zich hierbij de vraag voor of [eiser] c.s. aan [gedaagde] garanties hebben verstrekt met betrekking tot het bestaan van (voldoende) huurovereenkomsten op basis waarvan [gedaagde] zou zijn overgegaan tot koop van de betreffende percelen. Met [eiser] c.s. is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat deze garanties niet door [eiser] c.s. zijn verstrekt. In het mailbericht van [de heer B] aan [de heer A] van maandag 5 november 2007 16:00 uur (overgelegd door [gedaagde] als productie 2) heeft [de heer B] [de heer A] reeds gewezen op het bestaan van een aantal huurintenties: “de volgende intenties zijn met partijen afgesproken”, gevolgd door een opsomming van de door [eiser] c.s. opgegeven huurintenties. Verderop in deze mail heeft [de heer B] nog opgemerkt “Wellicht moeten we werken met een huurgarantie.” Dat [gedaagde] van deze mail van [de heer B] op de hoogte was, blijkt reeds uit de brief van [de heer A] van 28 januari 2008 waarin hij verwijst naar de opgave huur- en huurintenties d.d. 5 november door de heer [de heer B] van Holland Noord Makelaars. Op 5 november 2007 had het [gedaagde] dus al duidelijk moeten zijn dat er van de kant van [eiser] c.s. slechts werd gesproken over huurintenties.

4.3.4. In de mail van [de heer B] aan [eiser] van maandag 5 november 2007 16:30 uur heeft [de heer B] vervolgens aan [eiser] doorgegeven: “Er zijn naar onze mening nog geen huurcontracten getekend, er wordt alleen gesproken over intenties. Deze intenties zullen we overnemen en wij gaan met de betreffende partijen in gesprek over de eventuele huurovereenkomsten.” [de heer B] heeft [eiser] c.s. dus niet om huurgaranties verzocht zoals hij in zijn mail aan [gedaagde] heeft geopperd. Ook in de daarop volgende mailwisselingen tussen [de heer B] en [eiser] wordt enkel gesproken over huurintenties, zoals in de mail van [de heer B] aan [eiser] van dinsdag 13 november 2007 15:16 uur “de intenties met de huurders etc.”.

Op 19 november 2007 15:27 uur heeft [de heer C], makelaar van de door [eiser] c.s. in verband met de verhuur ingeschakelde besloten vennootschap Est!Beheer B.V., een actueel overzicht ten aanzien van mogelijke huurders voor De Wachter in [woonplaats] naar [de heer B] gemaild. Hij heeft in deze mail nogmaals benadrukt dat het gaat om mogelijke huurders “omdat wij tot op heden gewerkt hebben met intentieverklaringen – achteraf bezien niet onverstandig. (…)” Verderop in deze mail geeft [de heer C] een toelichting op mogelijke huurders, waarin hij tevens zijn twijfels ten aanzien van een aantal huurders uit. Aan het einde van de mail besluit hij met de opmerking “Ik heb voorgaande naar eer en geweten opgesteld, maar kan voor geen enkele mogelijke huurder garanties afgeven.” Dat [gedaagde] ook van deze mail van [de heer C] op de hoogte is, blijkt uit de brief van [de heer A] van 28 januari 2008 waarin hij verwijst naar de opgave huurintenties door [de heer C] van Est!Beheer van 19 november 2007.

4.3.5. Ook uit de door [eiser] c.s. nagezonden intentie-overeenkomsten blijkt dat het enkel gaat om intentieverklaringen. In de intentieverklaring van [eiser sub 2] Holding B.V. van 17 april 2007 staat bovendien nog vermeld dat het gaat om een optieverlening, dat de optie wordt verleend voor een periode van zes maanden en dat de optie in overleg verlengd kan worden. Gezien het vorenstaande had [gedaagde] zich dus al voor het tekenen van de koopovereenkomst op 6 december 2007 behoren te realiseren dat er geen sprake was van het verstrekken van huurgaranties door [eiser] c.s. [gedaagde] mocht op grond van al hetgeen zij op dat moment al wist, althans behoorde te weten, bij het aangaan van de overeenkomst ook niet meer verwachten. Dat hij er blijkbaar toch van uit is gegaan dat het ging om garanties komt voor zijn rekening en risico. Dat in de informatie die is verstrekt door het bedrijf Multiply Investments wel wordt aangegeven dat het zou gaan om een bijna volledig verhuurde nieuwbouwontwikkeling met huurcontracten doet hier niet aan af, nu [eiser] c.s. voldoende onderbouwd heeft weersproken dat dit bedrijf deze informatie in opdracht van [eiser] c.s. heeft verspreid.

4.4. (On)juiste informatie

4.4.1. Ten aanzien van de beantwoording van de vraag of [eiser] c.s. onjuiste informatie hebben verstrekt naar aanleiding waarvan [gedaagde] een beroep zou kunnen doen op de daarop betrekking hebbende ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Op verzoek van [gedaagde] is in de koopovereenkomst een ontbindende voorwaarde opgenomen die zij zou kunnen inroepen, indien haar naar aanleiding van het due diligence-onderzoek zou blijken dat de door [eiser] c.s. gegeven informatie niet juist zou zijn. Het betreft volgens de mail van Waardenbrug aan [eiser] van dinsdag 13 november 2007 15:16 uur (overgelegd als productie 3 bij de dagvaarding) een onderzoek of de gegevens die door [eiser] c.s. zijn verstrekt juist zijn, zoals het controleren van de bouwvergunning, het bestek en de huurintenties. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben [eiser] c.s. [gedaagde] voor 1 december 2007 alle relevantie informatie verschaft, die [gedaagde] nodig zou hebben voor dit onderzoek naar de ten tijde van de onderhandelingen door [eiser] c.s. verstrekte gegevens. Zo heeft [de heer C] een actueel overzicht ten aanzien van de op dat moment bestaande intentieverklaringen op 19 november 2007 naar [de heer B] gemaild en heeft [eiser] de bij deze mail behorende intentieverklaringen tijdig aan [de heer B] nagezonden. De voorzieningenrechter vermag dan ook niet in te zien dat de door [eiser] c.s. voor 1 december 2007 verstrekte informatie onjuist of onvolledig zou zijn geweest, zodat [gedaagde] ook op die grond niet de ontbindende voorwaarde kan inroepen.

4.4.2. Uit het voorgaande volgt dat de vordering onder I kan worden toegewezen.

4.5. De onder II. gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

4.6. Nu [eiser] c.s. hebben nagelaten het door hen gevorderde bedrag te onderbouwen en te specificeren en geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd die meebrengen dat betaling van het gevorderde voorschot uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden, zal deze vordering worden afgewezen.

4.7. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiser] c.s. hebben niet voldoende gemotiveerd gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk hebben gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.8. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- vast recht 254,00

- salaris procureur 904,00 (factor 2,0 x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.243,44

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] haar medewerking te verlenen aan de levering door [eiser] c.s. van:

1. de percelen bouwterrein, gelegen nabij de [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend als gemeente Stad-[woonplaats], [sektie] nummers [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer], tezamen groot vijf en vijftig aren en veertig centiaren;

2. het perceel bouwterrein, gelegen aan en nabij de [adres] en [adres] te [woonplaats], uitmakende het kennelijk op het terrein afgepaald gedeelte – ter grootte van ongeveer dertien aren – van de kadastrale percelen gemeente Stad-[woonplaats], [sectie] nummers [nummer] en [nummer]; het betreft hier een geheel in de kadastrale registers vermeld gedeelte van laatstgemelde percelen;

3. de uitgewerkte bouw- en constructietekeningen, voorzien van een bouwkundig bestek, voor het oprichten van het multifunctionele gebouw “De Wachter”, voor zover deze door de verkoper aan koper geleverd kunnen worden;

aan [gedaagde] tegen een koopsom van EUR 3.094.000,00 k.k. (zegge: drie

miljoen vierennegentigduizend euro kosten koper), conform de bepalingen van de

conceptakte die door [eiser] c.s. als productie 5 in het geding is gebracht;

5.2. bepaalt dat de onder 5.1. genoemde koopsom uiterlijk binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis dient te zijn bijgeschreven op het rekeningnummer [nummer] van de Stichting Derdengelden van Vechtstede notarissen, gevestigd te [woonplaats];

5.3. bepaalt dat dit vonnis dezelfde rechtskracht zal hebben als een in wettige vorm opgemaakte akte, strekkende tot levering van vooromschreven registergoederen;

5.4. bepaalt dat dit vonnis in de plaats zal treden van de onder 5.3. genoemde akte;

5.5. bepaalt dat dit vonnis onmiddellijk na betekening daarvan kan worden ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers;

5.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.243,44,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2008.