Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD4310

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
Awb 08/575
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoekers overeenkomstig zijn voornemen gelast binnen 4 maanden na de datum van verzending van dit besluit alle opstallen, inclusief de in de grond aanwezige funderingen en eventuele kelders, af te breken, te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 08/575

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen:

[verzoekers],

wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. E.W. Roessingh, advocaat te Hengelo,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, verweerder.

1. Procesverloop

Op 13 september 2007 heeft verweerder verzoekers meegedeeld voornemens te zijn handhavend op te treden tegen het zonder bouwvergunning gebouwde opstal op hun perceel [adres] te [plaats].

Tegen dit voornemen heeft mr. Roessingh een zienswijze ingediend.

Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit van 19 februari 2008 verzoekers zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk op grond van artikel 40, eerste lid, sub b, van de Woningwet gelast binnen 4 maanden na de datum van verzending van deze lastgeving alle opstallen, inclusief de in de grond aanwezige funderingen en eventuele kelders die zich bevinden op het voornoemde perceel, af te breken, te verwijderen en verwijderd te houden.

Namens verzoekers heeft mr. Roessingh daartegen een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 8 april 2008 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld is artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft de gedingstukken en zijn verweerschrift ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 mei 2008, waar [verzoeker] in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Roessingh. Verweerder werd vertegenwoordigd door K. Bolks en H. Jipping.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Op 31 juli 1978 heeft verweerder op verzoek van de heer [vergunninghouder] vergunning verleend (nummer: 428/399) voor de bouw van een woning op het perceel plaatselijk bekend [adres bouwvergunning], kadastraal bekend gemeente Hardenberg, sectie [kadaster].

In 1992 zijn verzoekers eigenaar geworden van het perceel met opstal.

Bij brief van 22 maart 2005 heeft verweerder zijn voornemen tot intrekking van die bouwvergunning meegedeeld aan verzoeker [verzoeker] (hierna: [verzoeker]). Bij brief van 5 april 2005 heeft verweerder zijn voornemen tot intrekking van de bouwvergunning meegedeeld aan de houder van de vergunning, [vergunninghouder]. Zowel [verzoeker] als [vergunninghouder] hebben zienswijzen ingediend.

Bij besluit van 23 juni 2005, gericht aan [vergunninghouder] en in afschrift toegezonden aan [verzoeker], heeft verweerder de bouwvergunning ingetrokken. De daartegen ingediende bezwaren heeft verweerder ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij haar uitspraak van 8 november 2006 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft in haar uitspraak van 27 juni 2007 het hoger beroep voor zover ingesteld door [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep voor zover ingesteld door [vergunninghouder] ongegrond verklaard.

Na verzoekers bij brief van 13 september 2007 in kennis te hebben gesteld van zijn voornemen om hen met toepassing van bestuursdwang te gelasten om dat wat op het genoemde perceel is gebouwd af te breken, te verwijderen en verwijderd te houden, heeft mr. Roessingh daartegen een zienswijze ingediend.

Bij het thans bestreden besluit van 19 februari 2008 heeft verweerder verzoekers overeenkomstig zijn voornemen gelast binnen 4 maanden na de datum van verzending van dit besluit alle opstallen, inclusief de in de grond aanwezige funderingen en eventuele kelders, af te breken, te verwijderen en verwijderd te houden.

Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 5:22, van de Awb in verbinding met artikel 125 van de Gemeentewet. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoekers in strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet het in geding zijnde opstal hebben gehandhaafd.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet is het verboden een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

Vaststaat dat de bouwvergunning op basis waarvan de bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden is ingetrokken en dat het intrekkingsbesluit na de uitspraak van de ABRS van 27 juni 2007 onherroepelijk is geworden. Uit de jurisprudentie van de ABRS volgt voorts dat aan de intrekking van een bouwvergunning terugwerkende kracht is verbonden.

Dit leidt tot het oordeel dat wat op grond van de ingetrokken bouwvergunning is gebouwd, na intrekking van de vergunning moet worden geacht te zijn gebouwd zonder geldige titel.

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat handhaving van het in geding zijnde opstal in strijd is met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet.

Verzoekers hebben in bezwaar betoogd dat zij niet zijn aan te merken als overtreders van het uit artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet voortvloeiende verbod omdat enerzijds destijds is gebouwd op grond van een rechtsgeldig verleende vergunning en anderzijds omdat het ontbreken van een bouwvergunning voortvloeit uit het intrekkingsbesluit van 23 juni 2005.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is noch de omstandigheid dat destijds op basis van een rechtsgeldig verleende vergunning is gebouwd, noch de omstandigheid dat een bouwvergunning is gaan ontbreken door toedoen van het intrekkingsbesluit van verweerder relevant voor de vraag of er sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet. Relevant daarvoor is slechts dat ten tijde van het thans bestreden besluit geoordeeld moet worden dat hetgeen is gebouwd geacht moet worden te zijn gebouwd zonder bouwvergunning en dat desondanks het thans zonder titel gebouwde in stand is gelaten.

Verzoekers zijn eigenaren van het perceel en, aangezien niet is gebleken van een beperking in de eigendom, ook van het zonder titel gerealiseerde opstal.

Verzoekers hebben in bezwaar betoogd dat zij het niet in hun macht hebben om aan de last te voldoen, aangezien het hun op grond van het besluit van de burgemeester van Hardenberg van 20 mei 1999 niet is toegestaan hun erf en het opstal te betreden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor zover dat besluit van de burgemeester in dit verband al een belemmering zou kunnen opleveren, verzoekers pas kunnen worden gevolgd in hun redenering nadat zij de burgemeester hebben verzocht om het verbod in het kader van het onderhavige besluit jegens hen op te heffen en hij aan een dergelijk verzoek geen gevolg heeft gegeven. Thans is evenwel niet gebleken van een in dit verband aan de burgemeester gedaan verzoek daartoe. De voorzieningenrechter acht het onwaarschijnlijk dat de burgemeester een dergelijk verzoek niet zal honoreren.

Verzoekers hebben nog betoogd dat het overgangsrecht op het in geding zijnde opstal van toepassing is.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en sub a, van de planvoorschriften behorende bij het geldende bestemmingsplan Baalder/Baalderveld mogen bestaande bouwwerken, die in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd.

Volgens het derde lid, onder a, van dit voorschrift is het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Het ontwerp van het thans geldende bestemmingsplan is op 3 juni 2004 ter visie gelegd. Op dat moment was het in geding zijnde opstal nog niet gereed gemeld en lagen de bouwwerkzaamheden, zo is ter zitting door verweerder gesteld, daaraan ongeveer 11 jaar stil.

Het opstal kon op dat moment dan ook naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gekwalificeerd als woning. Naar de voorzieningenrechter heeft begrepen gold onder het vorige bestemmingsplan een woonbestemming op het perceel.

Nu op de peildatum een opstal aanwezig was dat zich niet kwalificeerde als woning, is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het opstal in strijd met het toen geldende bestemmingsplan aanwezig was. Gelet daarop is, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, het overgangsrecht niet van toepassing.

Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verweerder bevoegd was het handhavingsbesluit te nemen en aan verzoekers te richten.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Verzoekers hebben aangevoerd dat verweerder van handhavend optreden behoort af te zien omdat er concreet zicht op legalisatie bestaat. In dat verband hebben zij er op gewezen dat op hun verzoek om vrijstelling en bouwvergunning bij besluit van 6 maart 2007 ten onrechte afwijzend is beslist en dat zij inmiddels beroep hebben ingesteld tegen de ongegrondverklaring van hun bezwaren (reg.nr.: 08/489). Zij zijn er van overtuigd dat het beroep gegrond zal worden verklaard en dat alsnog vrijstelling en vergunning zal worden verleend.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de bouwvergunning wegens strijd met het vigerende bestemmingsplan niet kan worden verleend en dat ook de benodigde vrijstelling niet kan worden verleend. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003.

Het volgende wordt overwogen.

Volgens het vigerende bestemmingsplan Baalder/Baalderveld hebben de in geding zijnde gronden de bestemming Woongebied. Volgens artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor – onder meer – wonen.

Volgens het derde lid, onder a2, van dit planvoorschrift bedraagt het aantal woningen per bouwperceel niet meer dan het bestaande aantal, met uitzondering van de woningen op de gronden aangegeven met “bijzondere woonvorm”.

Verweerder is van mening dat, aangezien er geen woning op het in geding zijnde perceel aanwezig is, er op grond van het bepaalde in artikel 3, derde lid, onder a2, van de planvoorschriften geen woning meer mag worden gebouwd.

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verweerder daarmee een onjuiste uitleg geeft aan het desbetreffende planvoorschrift. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de planwetgever met dit voorschrift willen voorkomen dat er per bouwperceel een verdere verdichting van bebouwing plaatsvindt dan bij de opzet van het plan is beoogd. De planwetgever heeft derhalve beoogd splitsing van bouwpercelen te voorkomen. De voorzieningenrechter vermag niet in te zien dat de planwetgever beoogd kan hebben om een bouwperceel voor een vrijstaande woning braak moet blijven liggen om reden dat daarop op het peilmoment nog niet was gebouwd.

Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter er toe dat, aangezien geen andere reden voor de strijdigheid met het bestemmingsplan is gegeven, er vooralsnog vanuit moet worden gegaan dat het bestemmingsplan zich niet verzet tegen het alsnog bouwen van een woning op het in geding zijnde perceel.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het bouwplan op meerdere aspecten, waaronder die van de energieprestatiecoëfficiënt, de hoogte van deuren en de hoogte van verblijfsruimten niet voldoet aan het Bouwbesluit 2003 en dat van die eisen geen ontheffing kan worden verleend.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet – geparafraseerd – moet een bouwvergunning worden geweigerd als het bouwen in strijd is met het Bouwbesluit.

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat aangezien er thans voor de realisatie van een woning ter plaatse geen bouwvergunning is verleend, niet kan worden volstaan met een bouwvergunning voor het wijzigen van een bestaand bouwwerk, maar voor het oprichten van een bouwwerk. Gelet daarop zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de voorschriften uit het Bouwbesluit 2003 van toepassing die betrekking hebben op “nieuwbouw”.

De voorzieningenrechter is gebleken dat de wetgever heeft uitgesloten dat ontheffingen worden verleend ter zake van de breedte en hoogte van toegangen (artikel 4.13 van het Bouwbesluit 2003), van de hoogte van verblijfsruimten (artikel4.28 van het Bouwbesluit 2003) en van de eisen ter zake van de energieprestatiecoëfficiënt (artikel 5.14 van het Bouwbesluit 2003).

Nu verzoekers verweerders bevindingen onvoldoende hebben weersproken gaat de voorzieningenrechter er vooralsnog van uit dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003 en dat die omstandigheid gelet op artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet een belemmering vormt voor het verlenen van de gevraagde bouwvergunning.

Verzoekers zijn voorts van mening dat verweerder in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding had moeten vinden om af te zien van het handhavingsbesluit. In dat verband hebben zij er op gewezen dat verzoekster [vergunninghouder] als belanghebbende niet betrokken is geweest bij het intrekkingsbesluit en zij daartegen geen rechtsmiddelen heeft kunnen aanwenden. Voorts hebben verzoekers er op gewezen dat het handhavingsbesluit inbreuk maakt op hun eigendomsrecht hetgeen in strijd is met artikel 1, eerste Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Zij zijn tevens van mening dat het intrekkingsbesluit in strijd is met artikel 6 en artikel 13 van het EVRM nu geen rechtsmiddel heeft open gestaan tegen het oordeel dat aan het intrekkingsbesluit terugwerkende kracht is verbonden. In verband met deze schending van het EVRM hebben zij een verzoekschrift ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Zij zijn van mening dat de omstandigheden die er toe hebben geleid dat zij de woning niet hebben kunnen afbouwen (vandalisme, geen bescherming geboden door de lokale overheid, besluit van de burgemeester waarbij het verboden werd om het perceel en het pand te betreden) dienen te worden meegewogen in het kader van het thans bestreden besluit. Verweerder is naar de mening van verzoekers niet consistent in zijn uitlatingen geweest, aangezien hij enerzijds heeft verklaard dat afbouwen de beste oplossing voor de problemen is en anderzijds de bouwvergunning heeft ingetrokken en vervolgens het handhavingsbesluit heeft genomen. Verzoekers menen dan ook dat zij er op hebben mogen vertrouwen dat verweerder het thans bestreden besluit niet zou nemen, zulks mede gelet op het verloop van de tijd.

Tenslotte zijn verzoekers van mening dat gelet op het verloop van de tijd, de nog aanhangige procedure tegen de geweigerde bouwvergunning en de procedure bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ter zake van het intrekkingsbesluit, de gestelde begunstigingstermijn te kort is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het intrekkingsbesluit inmiddels onherroepelijk is. De voorzieningenrechter is gebleken dat de ingetrokken bouwvergunning op naam van [vergunninghouder] stond en dat deze niet is overgeschreven op de naam van een ander. Gelet daarop diende het intrekkingsbesluit te worden gericht aan de houder van de vergunning, i.c. dus [vergunninghouder].

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen wettelijke plicht op grond waarvan het intrekkende bestuursorgaan gehouden was het intrekkingsbesluit, dan wel het besluit op bezwaar tevens aan verzoekers te richten. Verweerder was op basis van artikel 3:43, eerste lid, van de Awb wel gehouden mededeling te doen van zijn besluit aan degenen die een zienswijze hebben ingediend. Vaststaat dat [verzoeker] een zienswijze heeft ingediend. Verweerder heeft dan ook terecht aan [verzoeker] mededeling gedaan van het intrekkingsbesluit. [verzoeker 2] heeft geen zienswijze ingediend, zodat verweerder niet gehouden was haar van het intrekkingsbesluit in kennis te stellen.

[verzoeker 2] heeft er blijk van gegeven inmiddels kennis te hebben genomen van het intrekkingsbesluit. Voor zover zij als belanghebbende bij het intrekkingsbesluit is aan te merken, had zij zo spoedig mogelijk nadat zij alsnog kennis heeft gekregen van dat besluit daartegen bezwaar kunnen maken. Voor zover de voorzieningenrechter is gebleken heeft zij dat nagelaten, zodat de voorzieningenrechter er in dit verband van uit gaat dat het intrekkingsbesluit ook voor [verzoeker 2] onherroepelijk is geworden.

De omstandigheid dat aan verzoekster het intrekkingsbesluit niet is toegezonden leidt de voorzieningenrechter dan ook niet tot het oordeel dat jegens haar thans geen bestuursdwangbesluit kan worden gericht.

Met betrekking tot verzoekers stelling dat het handhavingsbesluit inbreuk maakt op hun eigendomsrecht, hetgeen in strijd is met artikel 1, eerste Protocol bij het EVRM, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter laat de genoemde verdragsbepaling onverlet dat wettelijke voorschriften die noodzakelijk kunnen worden geacht met betrekking tot het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang worden vastgesteld en toegepast. Het bestemmingsplan en de Woningwet behelzen zodanige voorschriften. Naleving van die voorschriften mag door handhavend optreden worden afgedwongen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er gelet daarop geen sprake van schending door verweerder van deze verdragsbepaling.

Dat geldt evenzeer voor wat betreft het standpunt van verzoekers dat aangezien tegen de conclusie dat aan het intrekkingsbesluit terugwerkende kracht is verbonden geen afzonderlijk rechtsmiddel heeft opengestaan er sprake is van schending van de artikelen 6 en 13 van het EVRM.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit de terugwerkende kracht rechtstreeks voort uit artikel 59 van de Woningwet en is er geen sprake van een afzonderlijk rechtsoordeel. Deze bepaling is in overeenstemming met het algemeen belang vastgesteld. Gelet daarop is er geen sprake van schending van de genoemde verdragsbepalingen.

In de omstandigheid dat verzoekers een verzoekschrift hebben ingediend bij het Europees Hof ziet de voorzieningenrechter geen reden om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Het is nog ongewis of het Europees Hof het verzoekschrift in behandeling zal nemen en hoe lang die procedure zal duren. Verweerder behoeft die procedure niet af te wachten.

Verzoekers zijn van mening dat de omstandigheden waardoor de woning niet is afgebouwd dienen te worden meegewogen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat die omstandigheden in het kader van de vraag of de bouwvergunning al dan niet kon worden ingetrokken van belang zijn geweest. Thans ligt de vraag voor of verweerder wegens strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet het handhavingsbesluit heeft kunnen nemen. Naar het oordeel van de voor-zieningenrechter spelen de door verzoekers genoemde omstandigheden in dat verband geen rol.

De voorzieningenrechter is gebleken dat verweerder in zijn intrekkingsbesluit heeft verklaard dat het afbouwen van de woning vanuit gemeentelijk oogpunt de meest gewenste situatie zou zijn en de voorkeur verdient. In dezelfde alinea heeft verweerder geconcludeerd dat naar zijn mening geen reële kans aanwezig is dat het gebouw als woning ook daadwerkelijk zal worden afgebouwd. Verweerder heeft daarop de verleende bouwvergunning ingetrokken. Hij heeft daarbij tevens verklaard dat de intrekking zou worden gevolgd door een aanschrijving, onder aanzegging van bestuursrechtelijke dwangmaatregelen, om het gebouw af te breken. Van de vermeende inconsistentie is dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

Nu verweerder reeds in het intrekkingsbesluit het handhavingsbesluit in het vooruitzicht heeft gesteld, kan verweerder niet worden verweten dat hij het vertrouwen heeft opgewekt dat hij van handhavend optreden zou afzien.

Anders dan verzoekers ziet de voorzieningenrechter in de door verzoekers genoemde omstandigheden geen aanleiding om de begunstigingstermijn te kort te achten. De voorzieningenrechter wijst er daarbij op dat volgens artikel 5:24, vierde lid, van de Awb in de beschikking een termijn wordt gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de lengte van de begunstigingstermijn gerelateerd te zijn aan de tijd die nodig is om de benodigde maatregelen zelf te treffen, ter voorkoming dat verweerder de maatregelen zal nemen. Verzoekers hebben in het onderhavige geval geen redenen genoemd op grond waarvan dient te worden geoordeeld dat een termijn van vier maanden te kort is om een aanvang te maken met de sloop van hetgeen is gebouwd. De voorzieningenrechter acht in het onderhavige geval een termijn van vier maanden niet onredelijk.

In hetgeen verzoekers overigens hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Bunt als griffier, op 29 mei 2008

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.