Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD4086

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
Awb 06/1940
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank laat verleende bouwvergunning voor het oprichten van drie gebouwen aan de markt In Hadenberg in stand nu zich geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet voordoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 06/1940

Uitspraak

in het geding tussen:

Vereniging eigenaars- en huurders belangen Centrum Hardenberg e.a.,

gevestigd te Hardenberg,

H. Wiechers Hardenberg B.V., gevestigd te Hardenberg,

eisers,

gemachtigde: mr. H.E. Davelaar, advocaat te Zwolle,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder,

Multi Veste 121 B.V.,

gevestigd te Gouda, belanghebbende,

gemachtigde: mr. F.M.G.M. Leyendeckers, advocaat te Utrecht.

1.Procesverloop

Op 7 oktober 2005 heeft Multi Veste 121 B.V. een aanvraag gedaan om verlening van een reguliere bouwvergunning voor het geheel oprichten van drie gebouwen met de functies wonen, detailhandel, dienstverlenende bedrijven, horeca, openbare nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen op en aan de Markt te Hardenberg, op de percelen HDB02, sectie A, nummer 3591 ged.; 4193 ged.; 4446 ged.; 4447 ged.; 4448 ged.; 4449 ged.; 4665 ged.; 4666 ged.; 4710, 4809, 4969, 5021, 5052 en 5401 ged.

Bij besluit van 28 februari 2006 heeft verweerder, onder gebruikmaking van een op 21 februari 2006 door het college van gedeputeerde staten van Overijssel afgegeven verklaring van geen bezwaar, met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor dit bouwplan vrijstelling verleend van het bestemmingsplan ‘Hardenberg Centrum’. Bij besluit van 2 maart 2006 heeft verweerder de aanvraag om verlening van een bouwvergunning gehonoreerd. Beide besluiten zijn gezamenlijk bekendgemaakt op 2 maart 2006.

Bij brief van 5 april 2006 is hiertegen namens de Vereniging eigenaars- en huurders belangen Centrum Hardenberg (verder: VCH) een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 11 april 2006 is hiertegen namens H. Wiechers Hardenberg B.V. (verder: Wiechers) een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 4 juli 2006, verzonden op 17 juli 2006, heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Bij brief van 25 augustus 2006 hebben eisers hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op 13 november 2006 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 november 2006 heeft de rechtbank, naar aanleiding van een hiertoe gedaan verzoek, Multi Veste 121 B.V. (verder: belanghebbende) in de gelegenheid gesteld om als gevoegde partij deel te nemen aan dit geding.

Het beroep is op 9 april 2008 behandeld ter zitting. De VCH heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer W. Kanst en de heer J. Soer. Wiechers heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer H. Wiechers en drs. B. Wiechers. Eisers hebben zich doen bijstaan door mr. Davelaar. Als deskundige hebben eisers drs. I. Niks, planologisch adviseur, meegebracht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. P.G. Faber en ing. H.M.M. Schuttebeld, ambtenaren van de gemeente Hardenberg. Als deskundige heeft verweerder dr. E. van der Krabben, universitair hoofddocent, meegebracht. Belanghebbende heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J.N.M. Hunveld, bedrijfsjurist, bijgestaan door mr. J. van Vulpen, advocaat te Utrecht.

2. Overwegingen

De rechtbank stelt vast dat de VCH zich blijkens haar statuten onder meer ten doel stelt om de belangen te behartigen van de leden als eigenaar of huurder van onroerende zaken in het centrum van Hardenberg. Gelet op deze statutaire doelstelling heeft verweerder de VCH terecht als belanghebbende aangemerkt en ontvangen in haar bezwaar.

De rechtbank stelt voorts vast dat Wiechers een vestiging van de HEMA exploiteert, welke gesitueerd is tegenover een van de drie gebouwen waarop het bouwplan betrekking heeft. Voldoende aannemelijk is dat Wiechers door het bouwplan in haar belangen wordt getroffen. Wiechers is terecht ontvangen in haar bezwaar.

In geding is vervolgens de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

Het bouwplan voorziet in de oprichting van een drietal gebouwen met de functies wonen, detailhandel, dienstverlenende bedrijven, horeca, openbare nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen op en aan de Markt te Hardenberg.

Ingevolge het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet zij worden geweigerd, indien het bouwen niet in overeenstemming is met een van de in dit artikel genoemde gronden.

Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet bepaalt dat de bouwvergunning moet worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Vast staat dat het bouwplan in strijd is met geldende bestemmingsplan Hardenberg Centrum d.d. 29 juni 1976. Om toch bouwvergunning te mogen verlenen heeft verweerder op 28 februari 2006 besloten om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen van de belemmerende bepalingen van het geldende bestemmingsplan. Vast staat dat de gemeenteraad van Hardenberg de bevoegdheid om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen bij de ‘Nadere regeling delegatie en mandaat 2001’ d.d. 2 januari 2001 heeft gedelegeerd aan verweerder. Ook aan de overige formele vereisten om met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te kunnen verlenen is voldaan. Verweerder was derhalve bevoegd om te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling worden verleend van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten (GS) de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Verweerder heeft, bij wijze van ruimtelijke onderbouwing van het project, een groot aantal stukken overgelegd, waaronder het Masterplan Centrum Hardenberg 2002 en bijlagenboek, het Ontwerp bestemmingsplan Hardenberg Centrum Markt en omgeving d.d. 5 juli 2005 en het Masterplan Plus centrum Hardenberg, d.d. 24 november 2005, te beschouwen als structuurplan. Voorts heeft verweerder distributieplanologisch onderzoek laten verrichten: het onderzoek “uitbreiding van het centrumgebied Hardenberg; herijking uitkomst studies SAB/WPM” van ECORYS Research and Consulting d.d. 27 oktober 2005, nader aangevuld op 4 mei 2006. Voorts zijn aanwezig rapporten over geluid, milieu, geur, schaduwwerking, verkeer en dergelijke. Het bouwplan past in het Ontwerp bestemmingsplan Hardenberg Centrum Markt en omgeving.

Eisers stellen zich op het standpunt dat het project niet voorzien is van een goede ruimtelijke onderbouwing, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Eisers wijzen voor dit standpunt ondermeer op het rapport “impactanalyse centrumplan Hardenberg” van iXin Vastgoedmanagement en Consultancy d.d. 28 april 2006. Ter zitting heeft drs. Niks nader uiteengezet waarom zij meent dat het onderzoek van ECORYS op onjuiste aannames is gebaseerd. Dit standpunt is ter zitting door dr. Van der Krabben weersproken.

De rechtbank stelt voorop dat ruimtelijke ordening niet tot doel heeft de concurrentieverhoudingen te regelen. Er kan pas gesproken worden van strijd met een goede ruimtelijke ordening indien het project zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau en/of de detailhandelstructuur in Hardenberg. De rechtbank stelt vast dat beide ter zitting aanwezige deskundigen van mening blijven verschillen over de vraag of bij de onderzoeken naar de te verwachten ontwikkelingen in de marktsituatie in het centrum van Hardenberg de juiste uitgangspunten zijn gehanteerd. De rechtbank overweegt, naar aanleiding hiervan, dat, wat er ook zij van de verschillende aannames en conclusies van de beide deskundigen, niet gebleken is dat het project zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau en van de detailhandelstructuur in Hardenberg. Dat de realisering van het project, volgens de analyse van iXin, naar verwachting zal leiden tot een negatieve marktsituatie voor ondernemers in het centrum van Hardenberg, is daartoe onvoldoende. De door eisers, middels hun deskundige, geuite kritiek op het door ECORYS verrichte distributieplanologisch onderzoek kan dan ook niet tot het oordeel leiden dat het project niet voorzien is van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Dat niet meer dan 8000 m² vloeroppervlak voor detailhandel zal worden aangewend volgt uit de bij de bouwaanvraag behorende tekeningen van 17 januari 2005, zoals gewijzigd op 7 oktober 2005 (30-100, 30-200 en 30-300), inzake ‘gebouwfuncties en oppervlakteberekening’. Het bouwplan is in dit opzicht voldoende duidelijk en het past binnen het hiervoor genoemde Ontwerp bestemmingsplan, dat mede dient als ruimtelijke onderbouwing van dit project.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat voldaan is aan het vereiste van artikel 19, eerste lid, van de WRO, dat een project waarvoor vrijstelling krachtens deze bepaling wordt verleend voorzien dient te zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing.

Nu tevens is voldaan aan de overige formele vereisten voor de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO, dient vervolgens beoordeeld te worden of verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen. De vraag of verweerder van de bevoegdheid om met toepassing van deze bepaling vrijstelling te verlenen gebruik heeft kunnen maken kan door de rechtbank slechts terughoudend worden getoetst.

Eisers stellen zich op het standpunt dat het bouwplan leidt tot een onveiliger verkeerssituatie in het centrum van Hardenberg. Eisers stellen zich voorts op het standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van Wiechers, als exploitant van een vestiging van de HEMA, doordat als gevolg van het bouwplan ter hoogte van een de ingangen van de HEMA, tussen het Klepperplein en de Markt, een hellingbaan ontstaat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om, met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan Hardenberg Centrum te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat de realisering van het project naar verwachting tot een onveilige verkeerssituatie in het centrum van het Hardenberg zal leiden. Zo is ter zitting gebleken dat voor de bevoorrading van de winkels in het centrum gewerkt zal worden met vaste bevoorradingsroutes en met venstertijden. Tevens zal het voetgangersgebied tussen de drie gebouwen die deel uitmaken van dit project in beginsel niet toegankelijk zijn voor vrachtwagens. Voorts brengt het gegeven dat sprake is van een natuurlijk hoogteverschil van circa 80 centimeter tussen het Klepperplein enerzijds en de lagergelegen Markt anderzijds mee dat dit hoogteverschil op een of andere wijze zal moeten worden overbrugd. Er is voor gekozen om ter hoogte van de doorsteek tussen het gebouw 3 van het bouwplan en de vestiging van de HEMA een helling in twee delen, met tussen deze beide delen een egaal stuk, aan te leggen. De rechtbank is niet gebleken dat de gekozen oplossing ter overbrugging van dit hoogteverschil de toegankelijkheid van de HEMA op onaanvaardbare wijze vermindert of dat andere belangen van derden hierdoor op onaanvaardbare wijze geschaad worden. In dit verband acht de rechtbank van belang dat ter hoogte van de ingang van de HEMA de bodem egaal is.

Ook de overige door eisers gestelde belangen acht de rechtbank onvoldoende zwaarwegend om tot de conclusie te kunnen leiden dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling te verlenen.

Nu verweerder de ten behoeve van dit bouwplan verleende vrijstelling van het geldende bestemmingsplan ‘Hardenberg Centrum’ in redelijkheid heeft kunnen verlenen, kan de bouwvergunning niet geweigerd worden op grond van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww.

Op grond van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ww moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien de aanvraag niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven in de bouwverordening.

Artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Hardenberg (hierna: de bouwverordening) bepaalt, voor zover hier van belang, dat, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.

Artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening bepaalt, voor zover hier van belang, dat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van het bepaalde in het eerste lid:

a.indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

b.voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in aanvulling op het besluit van 2 maart 2006, krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, omdat op andere wijze wordt voorzien in de nodige parkeerruimte. In de omgeving van het bouwplan worden volgens verweerder voldoende nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd om te voorzien in de uitbreiding van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de cijfers waarvan verweerder bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan. Deze cijfers geven aan dat in het kernwinkelgebied van Hardenberg voorheen sprake was van een overcapaciteit van 19 parkeerplaatsen. Voorts bestaat geen aanleiding om de uitkomsten van de door verweerder overgelegde notitie ‘Berekening parkeerbehoefte en parkeerruimte blok 1, 2 en 3’ van 5 mei 2006 voor onjuist te houden. Blijkens deze notitie wordt na uitbreiding van het aantal beschikbare parkeerplaatsen op het parkeerdek blok 1, aan de Gedempte Haven en aan het Oostplein, alle op acceptabele loopafstand van het bouwplan, voorzien in voldoende parkeerruimte. Verweerder heeft zich dan ook mogen baseren op voornoemde notitie van 5 mei 2006 en de bij het bestreden besluit verleende aanvullende ontheffing krachtens artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening is dan ook deugdelijk gemotiveerd.

Nu gesteld noch gebleken is dat het bouwplan op andere onderdelen in strijd is met de bouwverordening, kan de bouwvergunning niet geweigerd worden op grond van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet.

Op grond van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet.

Eisers stellen zich op het standpunt dat het bouwplan niet voorziet in voldoende stallingsruimte voor fietsen en dat het bouwplan daarom in strijd is met het bepaalde in artikel 4.62 van het Bouwbesluit 2003. Eisers benadrukken dat in het centrum van Hardenberg ook voorheen al sprake was van te weinig fietsenstallingen, welk tekort door dit bouwplan nog wordt vergroot.

Artikel 4.62, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 bepaalt dat een te bouwen bouwwerk een stallingsruimte heeft voor fietsen. Krachtens het bepaalde in artikel 4.62, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 dienen de voorschriften van tabel 4.62 hierbij in acht te worden genomen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de kaart “WRM Markt” d.d. 27 april 2006 vastgesteld als behorend bij het besluit van 2 maart 2006, waarbij bouwvergunning is verleend. Op deze kaart is aangegeven waar fietsenstallingen zijn voorzien. Bewoners van de te realiseren woningen kunnen hun fietsen inpandig stallen.

De rechtbank is van oordeel dat blijkens de kaart “WRM Markt” voldaan wordt aan de ingevolge artikel 4.62 van het Bouwbesluit 2003 voor deze gebruiksfunctie geldende eis dat voorzien wordt in een oppervlakte van 2 % stallingsruimte voor fietsen. Uit het bepaalde in artikel 4.62 van het Bouwbesluit 2003 volgt niet dat deze stallingsruimte op hetzelfde perceel gelegen moet zijn als het te bouwen bouwwerk. Nu, blijkens de kaart “WRM Markt”, in de directe omgeving van het bouwplan voorzien is in stallingsruimte voor fietsen, voldoet het bouwplan daarmee aan het bepaalde in artikel 4.62 van het Bouwbesluit 2003. De rechtbank is niet gebleken dat de fietsenstallingen op bevoorradingsroutes voor winkels geprojecteerd zijn. Dat, naar eisers stellen, ook los van het bouwplan sprake is van een tekort aan fietsenstallingen in het centrum van Hardenberg, betekent niet dat dit bestaande tekort eerst moet worden aangevuld, alvorens bezien dient te worden of het bouwplan voldoet aan het bepaalde in artikel 4.62 van het Bouwbesluit 2003.

Nu gesteld noch gebleken is dat het bouwplan op andere onderdelen in strijd is met het bepaalde in het Bouwbesluit 2003, kan de bouwvergunning niet geweigerd worden op grond van het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet.

Nu zich ook overigens geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet voordoet, mocht de aangevraagde bouwvergunning niet worden geweigerd. Hieruit volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets doorstaat.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, mr. J.H.M. Hesseling en mr. A. Oosterveld, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier, op

Afschrift verzonden op: