Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD3363

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
30-05-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
Awb 07/646
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2010:BN6370
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres ontvangt sedert 2002 een bijstandsuitkering van verweerder. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft verweerder haar verzoek om in aanmerking te worden gebracht voor langdurigheidstoeslag afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres in de periode van 60 maanden voorafgaand aan haar aanvraag meer dan € 4152,00 aan inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres (kennelijk) ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 07/646

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. M. Tempelman

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere,

gevestigd te Almere, verweerder.

1. Procesverloop

Eiseres heeft op 20 december 2006 bij verweerder een aanvraag om langdurigheidstoeslag ingediend. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit is op 19 februari 2007 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 6 maart 2007 is het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard. Op 16 april 2007 is tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 3 mei 2007 een verweerschrift ingezonden. Het beroep is op 30 augustus 2007 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.M. de Freitas en R. van Daalen.

Bij beslissing van 26 oktober 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde verweerder vragen te stellen. Verweerder heeft bij brief van 9 oktober 2007 de vragen van de rechtbank beantwoord. Op 2 november 2007 heeft gemachtigde van eiseres haar reactie hierop ingezonden. Partijen hebben vervolgens toestemming verleend zonder nadere zitting uitspraak te doen.

2. Overwegingen

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontvangt sedert 2002 een bijstandsuitkering van verweerder. Bij besluit van 19 januari 2007 heeft verweerder haar verzoek om in aanmerking te worden gebracht voor langdurigheidstoeslag afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres in de periode van 60 maanden voorafgaand aan haar aanvraag meer dan € 4152,00 aan inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres (kennelijk) ongegrond verklaard.

Namens eiseres is in beroep in de eerste plaats aangevoerd dat eiseres in bezwaar ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord, waardoor het besluit in strijd met 7:3 Awb tot stand is gekomen.

Voorts is namens eiseres -samengevat- betoogd, dat eiseres materieel gezien behoort tot de groep waarvoor de langdurigheidstoeslag is bedoeld. Dat eiseres eveneens een WW-uitkering ontving in de periode 1 januari 2002 tot en met mei 2003 is volgens eiseres voor verweerder ten onrechte grond voor de conclusie dat er sprake is van arbeidsmarktperspectief. In de referteperiode heeft eiseres geen arbeid verricht, hoewel zij actief op zoek was naar werk in die periode. Van een reëel arbeidsmarktperspectief is geen sprake, aldus gemachtigde van eiseres.

De rechtbank overweegt het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat verweerder op grond van het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb gehouden is de belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, alvorens op een bezwaarschrift te beslissen. Hiervan kan blijkens artikel 7:3 van de Awb slechts worden afgezien in een beperkt aantal gevallen, onder meer wanneer het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is. Uit vaste rechtspraak blijkt dat de uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht restrictief dienen te worden gehanteerd, hetgeen betekent dat eerst van een kennelijk ongegrond bezwaar gesproken kan worden wanneer uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk is. Daarvan is geen sprake.

Al op deze grond komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal vervolgens nagaan of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 36, eerste lid van de WWB, zoals dat luidt per 1 januari 2006, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank gaat ervan uit, dat het inkomen van eiseres sedert 22 december 2001 op het niveau ligt van een bijstandsgerechtigde en de peildatum daarmee moet worden bepaald op 22 december 2006. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het feit dat eiseres in de referteperiode (22 december 2001 tot 22 december 2006) een WW-uitkering heeft ontvangen (van 1 januari 2002 tot en met 1 mei 2003) gelet op het bepaalde in artikel 36, eerste lid onder b WWB in de weg kan staan aan toekenning van een langdurigheidstoeslag.

Verweerder heeft aangegeven beleid te voeren voor de situatie dat in de referteperiode sprake is van inkomsten in verband met arbeid. Het enkele genieten van een WW-uitkering in de referteperiode leidt standaard tot afwijzing van de aanvraag. Verweerder heeft - met een beroep op de jurisprudentie - aangegeven slechts een uitzondering te maken als het gaat om inkomsten uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verweerder heeft op dat punt gesteld dat met een WW-uitkering de deuren naar de arbeidsmarkt nog openstaan en dus geen sprake is van verlies aan arbeidsmarktperspectief.

De rechtbank stelt voorop dat het beleid dat verweerder voert niet kan worden aangemerkt als beleidsregels op basis van een bevoegdheid maar van uitleg van de beoordelingsruimte die in artikel 36, eerste lid onder b van de WWB is neergelegd. Voorts overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder heeft de afwijzing gebaseerd op het Handboek Wet Werk en Bijstand, hoofdstuk 8, als bijlage 1 met de brief van 9 oktober 2007 meegezonden. Met betrekking tot inkomsten in verband met arbeid in de referteperiode wordt in dit hoofdstuk op bladzijde 2 in de voorlaatste alinea de uitspraak besproken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juli 2006 (LJN: AY0161) ). In deze uitspraak heeft de CRvB geoordeeld dat artikel 36, eerste lid, onderdeel b WWB in de situatie van iemand die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt buiten toepassing moet blijven wegens schending van artikel 26 IVBPR.

In bedoelde passage staat onder andere het volgende vermeld:

“Aangenomen moet worden dat dit in wezen voor alle soorten van inkomsten in verband met arbeid geldt. In gevallen waarin enkel de inkomsten in verband met arbeid maken dat er niet is voldaan aan de voorwaarden voor het recht op langdurigheidstoeslag, moet daarom op grond van artikel 26 IVBPR toch langdurigheidstoeslag worden toegekend. Ingeval een belanghebbende slechts zeer geringe inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen moet het college op grond van artikel 36, lid 1 onderdeel b WWB beoordelen of er, ondanks deze zeer geringe inkomsten, toch geen sprake is van de afwezigheid van reëel arbeidsmarktperspectief.”

Vervolgens is in het kader op bladzijde 3 na de zinsnede “zie onderstaande richtlijn B 158 voor het gemeentelijk beleid…” de volgende tekst opgenomen:

“er is sprake van geringe inkomsten gedurende een geringe periode, waarbij nog geen sprake is van arbeidsmarktperspectief, als er gedurende de referteperiode (5 jaar) een inkomen uit arbeid is genoten dat niet hoger is dan netto 4152 euro. Wanneer het inkomen uit arbeid hoger uitkomt dan bovenstaand bedrag is er geen recht op de langdurigheidstoeslag”.

De rechtbank stelt vast dat de invulling die verweerder aan artikel 36, eerste lid onder b WWB geeft en in het kader is geformuleerd als gemeentelijk beleid, enkel ziet op inkomsten uit arbeid. Het ziet niet op inkomsten in verband met arbeid, waarvan in de situatie van eiseres sprake is.

De rechtbank begrijpt uit de brief van verweerder van 9 oktober 2007, dat niet alleen wat in het kader is vermeld, maar het volledige hoofdstuk 8 van het Handboek voor verweerder geldt als het beleid. Verweerder heeft in die brief aangegeven dat het enkele genieten van een WW-uitkering in de referteperiode leidt tot afwijzing van de aanvraag om toekenning van langdurigheidstoeslag vanwege het aanwezig zijn van arbeidsmarktperspectief.

De rechtbank stelt vast dat een dergelijke categorale afwijzing niet in overeenstemming is met het overgelegde en hierboven aangehaalde beleid. Hierin wordt immers juist beschreven dat een onderscheid tussen arbeidsongeschiktheidsuitkering en WW-uitkering níet gemaakt dient te worden. De rechtbank stelt voorts vast dat de in geding zijnde afwijzing van verweerder, om reden dat eiseres in de referteperiode een WW-uitkering genoot, niet in overeenstemming is met het beleid dat verweerder zegt te hanteren. Het besluit wordt dan ook niet gedragen door de motivering en kan ook om die reden niet in stand blijven.

De rechtbank merkt voorts op, zoals ook gemachtigde van eiseres heeft gesignaleerd, dat niet valt in te zien waarom een bijstandsgerechtigde die in de referteperiode inkomsten uit arbeid heeft gehad tot een bedrag van € 4.152 géén arbeidsmarktperspectief heeft, en iemand die niet werkt maar wel enige tijd WW-uitkering genoot per definitie wel. Indien verweerder meent dat in een concrete situatie, waarin in de referteperiode een WW-uitkering is ontvangen, wel sprake is van arbeidsmarktperspectief, dient verweerder dit gemotiveerd te onderbouwen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven De rechtbank komt tot de slotsom dat het besluit vernietigd dient te worden en het beroep gegrond verklaard.

Verweerder dient een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze worden begroot op € 805,00 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de nadere reactie x € 322,00).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Almere aan eiseres het betaalde griffierecht ad € 39,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 805, - en wijst gemeente Almere aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F. Ernens als griffier, op 30 mei 2008

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.