Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD3177

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
143735 - KG ZA 08-136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing van beslag. Onrechtmatige daad. Belanghebbende bij opheffing dient, gelet op artikel 705 lid 3 juncto 435 lid 5 Rv, zowel de executant als de geëxecuteerde te dagvaarden. Dat was niet gebeurd, zodat de primaire vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen. De subsidiaire vordering tot veroordeling van de executant tot doorhaling van beslag, gebaseerd op onrechtmatige daad, wordt toegewezen aangezien de executant geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij het beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 143735 / KG ZA 08-136

Vonnis in kort geding van 14 april 2008

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RANDMEREN,

zetelend te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE GRAAF VAN VILSTEREN B.V.,MAKELAARS O/G EN ASSURANTIE-ADVISEURS,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limberger te Zwolle.

Partijen zullen hierna de Ontvanger en Van Vilsteren genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de Ontvanger

- de pleitnota van Van Vilsteren.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Ontvanger heeft uit hoofde van belastingaanslagen een vordering op de heer [A], wonende te [land]. Hiervoor heeft de Ontvanger vier maal executoriaal beslag gelegd op de onroerende zaak gelegen aan de [adres] en [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer], groot 1.73 are, die eigendom van [de heer A] is.

2.2. Van Vilsteren heeft op 2 maart 2007 conservatoir beslag op de onroerende zaak gelegd, ter verzekering van een vordering op [de heer A].

2.3. [de heer A] heeft de onroerende zaak verkocht aan mevrouw [B], voor een bedrag van EUR 485.000,=. In de koopovereenkomst is opgenomen:

“De leveringsakte zal voor de notaris worden verleden op 17-04-2008 of zoveel later als het conservatoir beslag ten behoeve van de besloten vennootschap: De Graaf van Vilsteren B.V., gevestigd te Zwolle, blijkens proces verbaal van 02-03-2007, ingeschreven in de openbare registers op diezelfde dag in deel [nummer] nummer [0] is doorgehaald c.q. waardeloos is verklaard.”

3. Het geschil

3.1. De Ontvanger vordert – samengevat –:

- primair: de opheffing van het in opdracht van Van Vilsteren op de onroerende zaak gelegde beslag; en

- subsidiair: veroordeling van Van Vilsteren tot doorhaling van het in haar opdracht gelegde beslag op de onroerende zaak op straffe van een dwangsom,

- veroordeling van Van Vilsteren in de kosten van dit geding.

3.2. Van Vilsteren voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Van een spoedeisend belang van de Ontvanger bij zijn vorderingen is in voldoende mate gebleken, reeds vanwege het feit dat zolang [de heer A] de aanslagen niet voldoet de verschuldigde rente oploopt.

4.2. Hoewel artikel 705 Rv aan elke belanghebbende, zo ook de Ontvanger, de mogelijkheid geeft om in kort geding opheffing van gelegd beslag te vorderen, heeft hij verzuimd aan het vereiste van artikel 705 lid 3 jo 438 lid 5 te voldoen: de Ontvanger heeft immers nagelaten de schuldenaar, [de heer A], te betrekken in deze procedure. Nu de Ontvanger aldus niet heeft voldaan aan het betreffende vereiste van artikel 705 Rv zal de primaire vordering, die is gebaseerd op dit artikel, worden afgewezen.

4.3. De vraag of handhaving van het gelegde conservatoir beslag door Van Vilsteren als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Hierbij is het volgende van belang. Ter zitting heeft de Ontvanger na een daartoe gericht verweer aangegeven dat zijn vordering op [de heer A] tenminste EUR [bedrag],= bedraagt. Voor dit bedrag heeft de Ontvanger ex artikel 21 Invorderingswet een voorrecht op alle goederen van [de heer A].

[de heer A] heeft de onroerende zaak voor een bedrag van EUR 485.000,= aan [A] verkocht. Uit het door de Ontvanger overgelegde taxatierapport blijkt dat de vrije verkoopwaarde van de onroerende zaak EUR 480.000,= en de executiewaarde EUR 385.000,= bedraagt. De verkoopprijs die [de heer A] en [A] zijn overeengekomen ligt derhalve boven de vrije verkoopwaarde. De enkele stelling van Van Vilsteren dat “een prijs rond EUR 600.000,= een stuk reëler zou zijn”, zonder dit met documenten of anderszins voldoende overtuigend te staven, moet worden gepasseerd.

Bij verkoop van de onroerende zaak door [de heer A] aan [A] zal eerst de hypotheekhouder dienen te worden voldaan. Het restant van de opbrengst, zijnde ongeveer EUR 320.300,= zal vervolgens toevloeien naar de Ontvanger. De Ontvanger heeft dan een restantvordering van EUR 89.700,=. Uit de verkoopopbrengst kan de vordering van Van Vilsteren niet meer worden voldaan.

4.4. Nu er voor Van Vilsteren geen enkele wijze zicht is op een voldoening van zijn vordering op [de heer A] middels het onderhavige beslag en gezien het vorenstaande concludeert de voorzieningenrechter dat Van Vilsteren in dit geval geen rechtens te respecteren belang bij haar weigering tot doorhaling van het beslag heeft. Daar komt nog bij dat uit de koopovereenkomst kan worden afgeleid dat ook [de heer A] de onroerende zaak vrij van het litigieuze beslag wenst te leveren aan [A].

4.5. De susidiaire vordering zal bijgevolg worden toegewezen, waarbij de dwangsom als navolgend zal worden gematigd en beperkt.

4.6. De vordering van de Ontvanger om Van Vilsteren in de werkelijk gemaakte proceskosten te veroordelen zal worden afgewezen. Het feit dat Van Vilsteren niet eerder dan ter zitting heeft gemeld wat haar verweer is is niet een zodanige buitengewone omstandigheid die een volledige vergoedingsplicht rechtvaardigt.

4.7. Van Vilsteren zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

- dagvaarding EUR 14,00

- vast recht 254,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.172,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt Van Vilsteren het in opdracht van haar gelegde conservatoir beslag op de onroerende zaak, gelegen aan de [adres] en [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer], groot 1.73 are, ingeschreven in de openbare registers in deel [nummer], nummer [0], binnen twee dagen na betekening van dit vonnis door te halen,

5.2. bepaalt dat Van Vilsteren voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan de Ontvanger een dwangsom verbeurt van EUR 5.000,=, tot een maximum van EUR 50.000,=,

5.3. veroordeelt Van Vilsteren in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op EUR 1.172,00,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2008.