Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD3031

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
05-06-2008
Zaaknummer
122043 - HA ZA 06-821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gecompliceerde boedelscheiding tussen twee ex-echtgenoten.

Uitgangspunten voor afdoening. Discretionaire bevoegdheid rechter bij vaststelling van verdeling.

Het is in de eerste plaats van de partij die standpunt inneemt om dat standpunt op inzichtelijke wijze te onderbouwen. Het is immers niet de taak van de rechter grote hoeveelheden stukken zelfstandig uit te zoeken, te rangschikken en op hun betekenis voor het betreffende standpunt van die partij te onderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 122043 / HA ZA 06-821

Vonnis van 7 mei 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. M.G.I.W. Teunis,

advocaat mr. van Dalen te Leeuwarden,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. P.F. Schepel,

advocaat mr. van der Werff te Zutphen.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 november 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 2 maart 2007

- de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op [datum] te Amsterdam in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd; de kinderen zijn inmiddels meerderjarig.

2.2. Bij verzoekschrift d.d. 18 april 1996 heeft de vrouw de echtscheiding aanhangig gemaakt; na een op 30 september 1996 gehouden comparitie is deze bij beschikking van de rechtbank Alkmaar van 24 oktober 1996 uitgesproken, waarvan de man vervolgens in hoger beroep is gekomen. In appel is de echtscheiding door het hof Amsterdam bij beschikking d.d. 14 augustus 1997 bevestigd en op 29 oktober 1997 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam.

2.3. De man ontvangt sinds 7 januari 1997 een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2.4. Enige afspraken met betrekking tot de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zijn vastgelegd in een echtscheidingsconvenant d.d. 15 oktober 1998.

2.5. Bij beschikking van 24 februari 2000 van de rechtbank Alkmaar is een aantal tussen partijen gemaakte afspraken vastgelegd, in het bijzonder:

A. de gekapitaliseerde afkoop van de uitkering tot levensonderhoud ad fl. 600.000,00 ten behoeve van de vrouw, die de man zal voldoen “in de vorm van lijfrentepolissen”; en

B. de toedeling van de roerende zaken aan de man (met uitzondering van de lijfsieraden van de vrouw) “tegen overdracht van gemengde polissen aan de vrouw ter waarde van fl. 150.000,- netto”.

2.6. Uit kracht van het vonnis in kort geding van de president van de rechtbank Alkmaar d.d. 4 november 1996 zijn de door [bedrijf A] Beheer BV - waarvan de man directeur was en de vrouw commissaris, thans genaamd [bedrijf B] Beheer BV - gehouden 60% van de aandelen in [bedrijf A] Engineering Group BV overgedragen aan de overige aandeelhouders.

2.7. Navolgende polissen bij Nationale Nederlanden zijn inmiddels verdeeld, te weten:

I. aan de vrouw zijn toegedeeld: de kapitaalverzekeringen met de nummers [nummer 1] en [nummer 2] alsmede de lijfrentepolis met het nummer [nummer 3];

II. aan de man zijn toegedeeld: de kapitaalverzekeringen met de nummers [nummer 4], [nummer 5] en [nummer 7].

2.8. Ten aanzien van een viertal polissen (twee bij Nationale Nederlanden, met de nummers [nummer 8] en [nummer 9], en twee bij Winterthur) heeft in het kader van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding in onderling overleg conversie plaatsgevonden.

2.9. Op 25 juni 1999 is de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] aan een derde geleverd; het per saldo resterende bedrag is aanvankelijk bij de notaris in depot gebleven.

2.10. Als peildatum wat betreft de omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap gaan partijen uit van voormelde datum 29 oktober 1997.

3. Het geschil

in conventie

3.1. De man vordert veroordeling van de vrouw als in het petitum van de dagvaarding omschreven.

3.2. De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. De vrouw vordert veroordeling van de man als in het petitum van de conclusie van antwoord, tevens houdende van eis in reconventie omschreven.

3.4. De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1. Voorop staat dat de echtscheiding van partijen dateert van meer dan 10 jaar geleden en dat tussen hen een groot aantal gerechtelijke procedures is gevoerd (die deels wellicht - in hoger beroep - nog steeds lopen). Indachtig dit tijdsverloop is het in het belang van partijen dat er een algeheel eind komt aan het onderhavige geschil met betrekking tot de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, doch de rechtbank komt tot de slotsom dat zij daartoe thans nog niet in staat is.

4.2. De rechtbank heeft daarom (wederom) behoefte aan een persoonlijke verschijning van partijen en hun raadslieden teneinde de huidige stand van zaken - ook ten aanzien van de in appel gevoerde procedures en de actuele stand van eventuele vermogensoverhevelingen (‘voorschotten’), zoals bij voorbeeld ten aanzien van de door de man in de dagvaarding aangekondigde betaling aan de vrouw van EUR 140.000,00 - met hen te bespreken, mede aan de hand van onderstaande (voorlopige) beoordelingen.

4.3. Leidraad bij de afdoening is enerzijds de redelijkheid en billijkheid die immers de rechtsverhouding tussen deelgenoten mede bepaalt en anderzijds de discretionaire bevoegdheid die de rechter in dezen heeft, waarbij hij niet gebonden is aan hetgeen partijen vorderen en evenmin gehouden is expliciet in te gaan op hetgeen zij aanvoeren (vgl. HR 17 april 1998, NJ 1999, 550)

4.4. Van belang is daarbij dat in een civiel geding het vergaren van materiaal ter staving van een door een procespartij ingenomen standpunt geschiedt door die betreffende partij en niet door de rechter. Geen rechtsregel verzet zich weliswaar tegen het in het geding brengen van een grote hoeveelheid producties, zoals ook in dezen aan de orde is, doch dit dient wel op een zodanig inzichtelijke wijze te geschieden dat duidelijk is wat daarvan de relevantie is en tot welke - bij voorkeur eenvoudig verifieerbare - boekhoudkundige/rekenkundige consequenties een en ander in de visie van die partij heeft te leiden, ten einde de procedure niet te belasten met nodeloze, niet-juridische puzzels. Het is immers niet de taak van de rechter grote hoeveelheden stukken zelfstandig uit te zoeken, te rangschikken en op hun betekenis voor het betreffende standpunt van die partij te onderzoeken.

4.5. Tegen vorenstaande achtergrond komt de rechtbank tot de navolgende voorlopige beoordeling, waarbij zij de reconventionele vorderingen van de vrouw centraal stelt en deze zal behandelen in de volgorde als aangehouden door de man in diens conclusie van antwoord in reconventie. De vorderingen in conventie van de man behoeven aldus geen afzonderlijke bespreking.

4.6. Met betrekking tot de afgifte van het origineel van de brief van de moeder van de vrouw aan de vrouw staat enerzijds als niet weersproken vast dat de man een copie daarvan aan de vrouw heeft verstrekt, anderzijds betwist de man dat hij het origineel in zijn bezit heeft. Dat die copie op enig moment is afgegeven, impliceert naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet noodzakelijkerwijs dat de man thans (nog) beschikt over dit origineel.

4.7. Wat de gevorderde uitvoering van de beschikking van de rechtbank Alkmaar d.d. 24 februari 2000 aangaat - in concreto: betaling van EUR 68.067,03 (fl. 150.000,00) inzake de roerende zaken - verzuimt de vrouw daarbij te memoreren dat ten aanzien van bedoelde toedeling is bepaald dat deze geschiedt “tegen overdracht van gemengde polissen aan de vrouw ter waarde van fl. 150.000,- netto”, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.5 sub B is geciteerd. De man verwijst dienaangaande naar de brief d.d. 13 februari 2001 (productie 29) van de heer Van Dijk RA - aan wiens uitlatingen als accountant van de vrouw betekenis valt toe te kennen - en naar in de inleidende dagvaarding sub 49 genoemde polissen, te weten de hiervoor in rechtsoverweging 2.7. sub I gemelde inmiddels op naam van de vrouw staande kapitaalverzekeringen. De rechtbank stelt vast dat bedoelde polissen in ieder geval een waarde vertegenwoordigden die ligt boven gemeld bedrag van fl. 150.000,00.

4.8. In confesso is dat van de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] per saldo fl. 104.306,00 bij de notaris in depot is gebleven (weliswaar rept de vrouw over fl. 114.000,00 doch zij verwijst daarbij eveneens naar de afrekening van de notaris, waarin evident melding wordt gemaakt van eerstgenoemd bedrag). De man beroept zich op een faxbericht van notaris Butijn waarin staat dat het depotbedrag op 5 november 2001 is overgemaakt naar “de derdengeldenrekening van [A] en van [B] ten gunste van de heer [C]”. Genoemde [C] is volgens de man een ex-werknemer van een deelneming en/of dochter van [bedrijf B] Beheer BV die onder de notaris beslag had gelegd en aan wie bedoeld saldo ten goede is gekomen. Wat daarvan zij, vooralsnog valt niet in te zien dat dit ertoe zou moeten leiden dat de vrouw om die reden geen aanspraak zou kunnen maken op haar aandeel terzake, te vermeerderen met de helft van de door de notaris over dit bedrag uitgekeerde rente.

4.9. Volgens de vrouw heeft de man naast de pensioenaanspraken die door conversie zijn verdeeld ook in de vennootschap pensioenrechten opgebouwd, die de man moet verrekenen volgens het arrest Boon-van Loon. Zij onderbouwt die stelling evenwel op geen enkele wijze. De man wijst er bovendien terecht op dat, zo van een dergelijke opbouw wel sprake was, een en ander valt onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

4.10. Ten aanzien van de certificaten in thans [bedrijf B] Beheer BV is in gemeld echtscheidingsconvenant d.d. 15 oktober 1998 bepaald dat aan iedere partij de helft wordt toebedeeld. Primair wenst de man hieraan vast te houden doch de vrouw vordert toescheiding van alle certificaten aan de man tegen betaling aan haar van per saldo EUR 904.783,00, uitgaande van de balans per 1 oktober 1998 en de stand van de rekening-courant per 29 oktober 1997 (omdat de toename van de schulden vanaf dat moment de gemeenschap niet meer regardeert), althans een bedrag gelijk aan de helft van de waarde.

4.11. Gelet op het tijdsverloop sinds de echtscheiding, de verstandhouding tussen partijen en het gegeven dat de man na de echtscheiding nog enige tijd directeur van de vennootschap is gebleven en de overige omstandigheden van het geval - die hierna aan de orde zullen komen - komt het de rechtbank geraden voor de vrouw te volgen in de door haar thans voorgestane toedeling van de certificaten aan de man, met dien verstande dat de wegens overbedeling door de man terzake aan de vrouw verschuldigde vergoeding zelfstandig door de rechtbank zal dienen te worden vastgesteld.

4.12. Met betrekking tot de te hanteren maatstaven bij de waardebepaling van de certificaten (en de daarmee nauw verband houdende schuld in rekening-courant) wordt als volgt overwogen.

In voormeld echtscheidingsconvenant is als uitgangspunt voor de verdeling van de certificaten de balans per 1 oktober 1998 genoemd. De rechtbank kan zich hiermee voorshands verenigen, hetgeen te meer voor de hand ligt waar immers genoegzaam vast staat dat de litigieuze schuld in rekening-courant nadien aan zeer aanmerkelijke veranderingen onderhevig is geweest. Uit het echtscheidingsconvenant blijkt voorts dat de koopsom, verbouwing en inrichting van het door de man ten behoeve van zijn moeder na datum echtscheiding aangekochte woonhuis te [woonplaats] door de vennootschap is gefinancierd, hetgeen bij deze peildatum niet tot complicaties leidt. Dit spoort ook met artikel 3 van het echtscheidingsconvenant.

4.13. Het vorenstaande laat onverlet dat nader onderzoek behoeft welke bedragen als gemeenschapsschulden en - wat de vrouw in haar conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie sub 18 benoemt als - kosten van instandhouding van de gemeenschappelijke eigendommen dan wel andere posten op bedoeld eigen vermogen van de onderneming in mindering moeten worden gebracht, mede indachtig de beginselen van redelijkheid en billijkheid.

4.14. In dat kader heeft de vrouw aangevoerd dat na 1998 geen sprake meer is geweest van enige substantiële activiteit in de onderneming en dat de man sindsdien het bedrijfsvermogen consumeert ten behoeve van het eigen levensonderhoud.

4.15. De man betwist een en ander, waarbij hij de stelling betrekt dat de vrouw de helft van het saldo van de rekening-courant per 31 december 1995 aan hem dient te betalen (te weten: de helft van fl. 163.766,00). In de dagvaarding sub 56 tot en met 75 becijfert hij onder verwijzing naar de producties 24 tot en met 28 voorts dat de vrouw op grond van door hem verrichte betalingen na 1 januari 1996 - uit bedoelde rekening-courant doch ook uit diverse andere door hem genoemde bronnen - aan hem verschuldigd is EUR 622.385,00 (met rente), welk bedrag hij wenst te gebruiken om het saldo van de rekening-courant terug te brengen. Tevens maakt hij melding van andere door hem betaalde posten, zoals een aantal (naheffings)aanslagen inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 1991 tot en met 1996, kosten van de gemeenschappelijke woning en ontbindingsvergoedingen aan het huishoudelijke personeel. Door de man wordt er ook op gewezen dat de waarde van de deelneming in [bedrijf c] Automatisering BV op nul gesteld moet worden aangezien deze op 19 oktober 2006 in staat van faillissement is verklaard.

4.16. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.4. en constateert dat de door de man dienaangaande gepresenteerde gegevens en becijferingen niet zodanig inzichtelijk zijn dat voldaan is aan bedoelde eisen van begrijpelijkheid en eenvoudige verifieerbaarheid.

Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat ter zitting aan de orde kan komen of een deskundigenonderzoek terzake noodzakelijk is, welke vragen door de deskundige(n) beantwoord moeten worden en wie partijen als deskundige(n) benoemd willen zien.

4.17. De rechtbank zal derhalve een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

4.18. Partijen kunnen zich op de zitting laten bijstaan door een eigen adviseur, waarbij in het bijzonder is te denken aan een financieel deskundige.

4.19. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.20. De rechter, ten overstaan van wie op 2 maart 2007 een comparitie is gehouden, heeft dit vonnis wegens tijdelijke afwezigheid niet kunnen wijzen.

4.21. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. T.R. Hidma in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.2. bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 mei 2008 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de maandagen, dinsdagen, donderdagen en vrijdagen in de maanden juni tot en met augustus 2008, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.4. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.5. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.6. wijst partijen er op, dat voor de zitting een dagdeel zal worden uitgetrokken,

5.7. bepaalt dat voor de terechtzitting relevante schriftelijke informatie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij moet zijn toegestuurd,

5.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2008.