Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD1644

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
378392 CV 07-5795
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonzaak, consumentenkoop. Rechtsverwerking aangenomen nu verkoper niet reageert op verzoek om uitleg over incassobrief met betrekking tot geringe vordering en pas vier jaar later overgaat tot dagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 323

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 378392 CV EXPL 07-5795

Datum : 13 mei 2008

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LINDORFF PURCHASE B.V.,

gevestigd te Zwolle,

eisende partij,

verder te noemen Lindorff,

gemachtigde M.G. de Jong te Arnhem,

tegen

[GEDAAGDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij],

schriftelijk procederend.

Procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van [gedaagde partij]

- de nadere toelichtingen van partijen.

Geschil en beoordeling

1.

Lindorff vordert, na vermindering van eis met € 0,03, onder meer betaling van een drietal artike-len die [gedaagde partij] volgens haar in de maand juli 2001 bij Wehkamp B.V. heeft besteld. Uit het door Lindorff overgelegde overzicht volgt dat het totaalbedrag van de bestelling (vier artikelen) € 73,89 bedraagt, vermeerderd met € 8,48 bezorgkosten en € 5,53 rente berekend over de periode 4 juni 2001 tot en met 21 januari 2002, waarop in mindering komt de koopsom van een retourzending ad € 16,31 en een betaling van € 26,73. Per saldo € 44,86. Volgens productie 2 bij repliek is de uitkomst van deze som € 40,80 maar dat bedrag is niet juist. Overigens een fout in het voordeel van [gedaagde partij].

Onbetwist is gebleven dat de vordering van Wehkamp aan Lindorff is overgedragen.

2.

Uit bedoelde productie 2 blijkt verder --hetgeen [gedaagde partij] heeft erkend-- dat op 31 mei 2001 door haar een bikini is gekocht. De koopsom van deze bikini ad € 22,67 vermeerderd met € 4,06 verzendkosten, in totaal € 26,73, is op 7 juni 2001 door [gedaagde partij] betaald.

3.

Verder blijkt uit andere door Lindorff overgelegde producties dat [gedaagde partij] door het incassobureau Transfair B.V. op 30 januari 2002, 12 maart 2002, 22 oktober 2002, 28 januari 2003 en 25 juni 2003 is aangemaand. Daarna ligt het dossier blijkbaar vier jaren stil want de eerstvolgende aanmaning is van 30 mei 2007 ([gedaagde partij] betwijfelt trouwens of zij die wel heeft ontvangen), gevolgd door de dagvaarding van 22 oktober 2007.

4.

[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat zij zich nog weet te herinneren dat zij destijds herhaalde-lijk geprobeerd heeft duidelijkheid te verkrijgen over de vordering maar dat zij noch van Weh-kamp noch van Transfair B.V. antwoord heeft ontvangen. [gedaagde partij] stelt dat de goede-ren, behoudens de betaalde bikini, haar niet bekend zijn en heeft verwezen naar haar (door Lin-dorff overgelegde) brief van 31 oktober 2002 gericht aan Transfair waarop destijds niet is gere-ageerd. In de daaropvolgende aanmaning van 28 januari 2003 is op de inhoud van de brief van [gedaagde partij] niet ingegaan.

[gedaagde partij] stelt verder op een gegeven moment alle stukken maar te hebben weggegooid omdat niets meer over de vordering werd vernomen. Dat laatste is kennelijk juist want tussen juni 2003 en mei 2007 ligt het dossier stil zoals hiervoor al was vastgesteld.

5.

Van verjaring is geen sprake omdat de termijn van vijf jaren, gerekend vanaf de aanmaning van 25 juni 2003, niet is verstreken. Overigens heeft [gedaagde partij] ook niet met zoveel woorden een beroep op verjaring gedaan.

Wel ligt in het verweer van [gedaagde partij] een beroep op rechtsverwerking besloten, welk verweer de kantonrechter gegrond acht. Die conclusie berust op de volgende overwegingen.

Het gaat in dezen om een zeer bescheiden restant koopsom (€ 34,91 exclusief verzendkosten) verband houdend met een bestelling medio 2001. Voorts: [gedaagde partij] heeft blijkens haar brief van 31 oktober 2002 Wehkamp meerdere keren (vruchteloos) verzocht om een nadere toelichting op de gestelde vordering. Wehkamp had daarop destijds adequaat behoren te reage-ren, bijvoorbeeld door toezending van een kopie van de bestelbon of iets vergelijkbaars. Rede-lijkerwijze mag niet van [gedaagde partij] worden gevergd dat zij mogelijk relevante stukken --zoals (kopieën van) brieven met verzoeken om inlichtingen, facturen en dergelijke-- jarenlang bewaart, hoewel zij, ondanks verzoeken om opheldering, eveneens jarenlang niets meer ver-neemt. Door zo lang stil te zitten is [gedaagde partij] in een nadeliger positie gebracht dan het geval zou zijn als het geschil in de loop van (bijvoorbeeld) 2003 in rechte aanhangig was ge-maakt. In dat geval had [gedaagde partij] naar mag worden aangenomen de mogelijk relevante stukken nog niet weggegooid en was haar herinnering naar mag worden aangenomen beter ge-weest dan thans nog het geval is.

De kantonrechter acht het onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en bil-lijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde partij] alsnog met de vordering wordt geconfronteerd.

De vordering zal daarom worden afgewezen. Lindorff dient als verliezende partij in de proces-kosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt Lindorff in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terecht- zitting van 13 mei 2008, in het bijzijn van de griffier.