Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD0257

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
07.607421-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

voorwaardelijke opzet

poging doodslag

feit van algemene bekendheid

strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.607421-07

Uitspraakdatum : 15 april 2008

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

[geboortedatum],

[woonplaats]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Taner, advocaat te Lelystad

De officier van justitie, mr. M. Vink, heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 824,= als vergoeding voor materiële schade, alsmede oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag;

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit en daartoe gesteld dat het opzet voor het van het leven beroven van de latere slachtoffers, ook in voorwaardelijke zin, niet is komen vast te staan.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt in verband hiermee het volgende.

Of in het onderhavige geval moet worden aangenomen dat er sprake is van voorwaardelijk opzet hangt voor een belangrijk deel af van hetgeen bekend is omtrent hetgeen in de verdachte is omgegaan ten tijde van het ongeval en voor zover daaromtrent geen inzicht bestaat, uitsluitend van de omstandigheden van het geval.

Daarbij dient de gedraging van de verdachte zozeer gericht te zijn op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg - de dood van [slachtoffer] en/of [benadeelde partij] - willens en wetens heeft aanvaard.

Ten overstaan van de politie heeft de verdachte verklaard dat hij, na zijn auto uit de parkeerplaats te hebben gereden, met een hogere snelheid de hoek is omgereden en toen een aantal mensen midden op de weg heeft zien staan. In zijn verklaring geeft de verdachte zelfs aan wie hij heeft zien staan, te weten: “die dikkere [slachtoffer] wilde slaan” en “iemand helemaal in het zwart”, de twee latere slachtoffers. Ter terechtzitting heeft de verdachte weliswaar verklaard de latere slachtoffers niet te hebben gezien, maar de rechtbank acht dit niet geloofwaardig, mede gelet op het feit dat de verdachte tot tweemaal toe bij de politie heeft verklaard mensen voor hem op de weg te hebben zien staan.

Op basis van de door verdachte zelf vervaardigde tekening die zich in het dossier bevindt stelt de rechtbank voorts vast dat de latere slachtoffers zich bevonden op een plaats die op enige afstand gelegen is van de plaats van waaraf de verdachte voor het eerst onbelemmerd zicht op hen had. De andere bezoekers van de discotheek hadden zich immers, zo heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard, in een rij op het trottoir voor de discotheek opgesteld. De rijbaan was dus vrij. De verdachte, die bovendien stelt niet harder dan 20 à 30 kilometer te hebben gereden, moet naar het oordeel van de rechtbank ook om die reden voldoende gelegenheid hebben gehad de twee latere slachtoffers, die, zo volgt uit de getuigenverklaringen en de tekeningen, midden op de rijbaan stonden, tijdig op te merken.

Dat verdachte heeft geremd, wordt noch door verdachte zelf verklaard, noch door de getuigen. De beide slachtoffers alsmede de getuige [getuige] verklaren dat verdachte niet heeft geremd.

Tegenover de politie heeft de verdachte voorts verklaard dat hij niet kan uitleggen waarom hij er bij zijn vertrek voor heeft gekozen de veel langere rijroute voor de discotheek langs te kiezen. Uit zijn verklaring ten overstaan van de politie volgt dat de verdachte gespannen was en bang, juist voor de personen die zich voor de discotheek bevonden, wat de keuze voor de door de verdachte gekozen rijroute langs de voorzijde van de discotheek naar het oordeel van de rechtbank des te onbegrijpelijker maakt. Eerst ter terechtzitting heeft verdachte in afwijking van hetgeen hij ten overstaan van de politie heeft verklaard, aangegeven dat alle -kortere- alternatieve rijroutes waren afgesneden omdat, ofwel een andere auto, ofwel een groep jongeren die routes blokkeerden. Die latere verklaring ter terechtzitting wijkt zozeer af van de eerdere verklaringen dat de rechtbank die niet geloofwaardig acht.

Tenslotte neemt de rechtbank ook in aanmerking hetgeen de medepassagier van de verdachte bij de politie heeft verklaard ter zake hetgeen de verdachte vlak voor de aanrijding in de auto tegen hem heeft gezegd, namelijk: “Zullen we ze aanrijden?”. Daaruit volgt wat er in de verdachte omging kort voordat de aanrijding plaatsvond. Aan de ontkenning hiervan door de verdachte- ook ter terechtzitting- hecht de rechtbank geen geloof, mede ook omdat niet aannemelijk is dat de medepassagier, zijnde een vriend van verdachte, ten onrechte belastend over verdachte zou verklaren.

Nu naar het oordeel van de rechtbank de verdachte voldoende zicht en tijd moet hebben gehad om de aanrijding te vermijden of tenminste zijn snelheid door flink remmen te verminderen, maar desondanks de slachtoffers met niet of nauwelijks verminderde snelheid heeft aangereden, staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard heeft op de dood van de latere twee slachtoffers.

Hierbij overweegt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat de kans dat bij een botsing tussen een auto en een onbeschermde voetganger de laatste de dood vindt aanmerkelijk is te achten, hetgeen mede ondersteund wordt door het gegeven dat tengevolge van de thans aan de orde zijnde botsing een tweetal slachtoffers aanzienlijk lichamelijk letsel hebben opgelopen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

(volgt bewezenverklaring; zie aangehechte kopie dagvaarding)

Van het meer of anders tenlastegelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287, juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Het feit en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft op de avond van 25 november 2007, samen met zijn vriend rijdend in een auto de parkeerplaats voor discotheek [adres] verlaten en is ingereden op twee personen die hij midden op straat voor de discotheek zag staan. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij in een uitgaansgebied, waar veel voetgangers zich ondanks het aanwezige verkeer betrekkelijk veilig mogen wanen, met betrekkelijk hoge snelheid op een tweetal personen is ingereden. Dit moet een, niet alleen voor de betrokken slachtoffers, maar ook voor de overige daar aanwezige voetgangers/bezoekers van de discotheek uitermate bedreigende situatie zijn geweest. Het is aan het toeval en beslist niet de handelswijze van verdachte te wijten dat niet één of beide slachtoffers de dood hebben gevonden. De handelwijze van verdachte veroorzaakt gevoelens van grote onveiligheid en verdient dan ook scherpe afkeuring.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een rapport d.d. 18 februari 2008, uitgebracht door M. Verweij, reclasseringswerker van Reclassering Nederland;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het primair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 1000,= mede gelet op het ter terechtzitting waargenomen litteken in het gelaat van de benadeelde partij, voor de immateriële schade en € 500,= voor de materiële schade, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 1.500,= ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] [benadeelde partij].

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 6 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 1.500,= (zegge: vijftienhonderd euro), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500,= ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] [benadeelde partij] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. J.P.C. Obbink, voorzitter, mrs. G. H. Meijer en G.J.J.M. Essink rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2008.