Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2008:BD0142

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
141356 - KG ZA 08-35
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ne bis in idem. Zaakwaarneming. Geldvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 141356 / KG ZA 08-35

Vonnis in kort geding van 7 maart 2008

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. R.K.E. Buysrogge,

advocaat mr. S.A. Wensing te Roden,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. M.F.H.M. van Haastert,

advocaat mr. A. de Feijter te Arnhem.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [A]

- de pleitnota van [B]

- de eis in reconventie

- de fax van 7 februari 2008 van [A] met de daarbij behorende producties

- de fax van 25 februari 2008 van [A]

- de fax van 25 februari 2008 van [B].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 31 augustus 2004 heeft [A] van [B] het paard “[naam]” gekocht. Dit paard is een afstammeling van Farrington en is geboren op [datum]. De koopsom bedroeg EUR 8.300,00.

2.2. Op 3 september 2004 is het paard door [B] aan [A] in [land] geleverd.

2.3. In september en oktober 2004 ondervond [A] problemen met het paard. Na overleg met [B] heeft [A] het paard op 25 oktober 2004 weer aan [B] geretourneerd.

2.4. Vervolgens hebben partijen gezocht naar een passende oplossing hetgeen niet is gelukt. [A] heeft een beroep gedaan op een beweerdelijke terugnamegarantie en vervolgens de koopsom teruggevorderd. [B] heeft zich niet bereid verklaard aan de ontbinding mee te werken.

2.5. Op 30 mei 2005 heeft [A] [B] gedagvaard en de koopsom alsmede de kosten gevorderd.

2.6. In reconventie heeft [B] de kosten van stalling en verzorging gevorderd, te weten een bedrag van EUR 7.749,00 en een bedrag ad EUR 27,00 per dag zijnde kosten van stalling en training.

2.7. Bij tussenvonnis van 6 december 2006 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het door [B] geleverde paard niet afwijkt van het overeengekomene. Voor wat betreft het beroep van [A] op een terugnamegarantie heeft de rechtbank een bewijsopdracht verstrekt. Met betrekking tot de vordering van [B] tot vergoeding van kosten van onderzoek, training en stalling heeft de rechtbank geoordeeld dat [B] dient te bewijzen dat [A] hem daartoe opdracht heeft gegeven.

2.8. Uiteindelijk zijn beide partijen er niet in geslaagd het bewijs te leveren. Bij eindvonnis van 9 januari 2008 heeft deze rechtbank de respectievelijke vorderingen van [A] en [B] afgewezen.

2.9. [A] heeft inmiddels [B] gesommeerd het paard aan haar af te geven. [B] weigert dit met een beroep op zaakwaarneming en het daarmee verband houdende retentierecht.

3. Het geschil in conventie

3.1. [A] vordert samengevat – uitvoerbaar bij voorraad:

I. [B] te bevelen binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen

vonnis, althans binnen zodanige termijn als bij dit vonnis in goede justitie te

bepalen, het paard en bijbehorende documenten (stamboekpapier en

paardenpaspoort), aan [A] af te geven;

II. te bepalen dat [B] aan [A] verschuldigd is een dwangsom van

EUR 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke mochten

blijven aan de vordering onder I. te voldoen, zulks met een maximum van

EUR 15.000,00;

III. een voorziening te treffen zoals de voorzieningenrechter in goede justitie moge

behagen;

IV. [B] te veroordelen in de kosten van dit geding.

[A] legt aan haar vorderingen in conventie ten grondslag dat deze rechtbank bij voormelde vonnissen van 6 december 2006 en 9 januari 2008 heeft bepaald dat zij eigenaar van het paard is. [A] verzoekt om afgifte van het paard nu zij een gerechtvaardigd belang heeft bij revindicatie ex art. 3:121 BW.

3.2. [B] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [B] vordert samengevat - uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair: [A] te veroordelen om binnen één week na het in deze te wijzen vonnis

aan [B] te voldoen de somma van EUR 10.600,00, te vermeerderen met de

wettelijke rente vanaf 11 februari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening,

alsmede te veroordelen tot het – na volledige betaling – doen ophalen van het

paard;

subsidiair: [A] te veroordelen om binnen één week na het in deze te wijzen

vonnis aan [B] bij wege van voorschot op de volledige schadevergoeding te

voldoen de somma van EUR 7.000,00, althans een zodanig bedrag als de

voorzieningenrechter in goede justitie mag vermenen te behoren;

II. [A] te veroordelen in de kosten van dit geding, zowel in conventie als in

reconventie.

[B] legt aan zijn vorderingen in reconventie ten grondslag dat hij kosten van stalling en verzorging ten behoeve van het paard heeft gemaakt. Nu er sprake is van zaakwaarneming voor de kosten waarvan [A] dient in te staan, althans ongerechtvaardigde verrijking, beroept [B] zich op het hem toekomend retentierecht. [B] is (slechts) bereid het paard aan [A] af te staan indien en voor zover de door hem ten behoeve van het paard gemaakte kosten van stalling en verzorging door [A] worden vergoed. Deze kosten lopen elke dag op en van [B] mag niet verwacht worden dat hij deze kosten nog langer voorschiet.

4.2. [A] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Bij fax van 25 februari 2008 heeft de raadsman van [A] de voorzieningenrechter verzocht vonnis te wijzen. In deze fax wordt nog nader op de zaak ingegaan. Bij fax van 25 februari 2008 heeft de advocaat van [B] de voorzieningenrechter eveneens verzocht om vonnis te wijzen en daarnaast om hetgeen de raadsman van [A] in zijn fax nog inhoudelijk heeft aangevoerd terzijde te leggen.

De voorzieningenrechter neemt geen kennis van berichten van een partij die de rechter bereiken nadat de behandeling ter zitting is gesloten. Mede gelet op de fax van de raadsman van [B] van 25 februari 2008 zal niet worden ingegaan op hetgeen nog nader door de raadsman van [A] is aangevoerd.

5.2. De rechtbank ziet aanleiding alvorens in conventie een beslissing te nemen, de vordering in reconventie te beoordelen.

in reconventie

5.3. In dit geding is in voldoende mate gebleken van het spoedeisend belang van [B] bij zijn vordering.

5.4. “Ne bis in idem” c.q. misbruik van procesrecht

5.4.1. [A] heeft in de eerste plaats het verweer gevoerd dat [B] al eerder dezelfde vordering tegen [A] heeft ingediend, waarbij deze rechtbank bij eerder gemeld eindvonnis de vordering van [B] heeft afgewezen. Op grond van het beginsel “Ne bis in idem” kan [B] niet voor de tweede keer dezelfde vordering instellen en dient daarom zijn vordering afgewezen te worden dan wel dient hij niet-ontvankelijk in zijn vordering te worden verklaard.

5.4.2. [B] heeft daartegen aangevoerd dat het beginsel “Ne bis in idem” niet aan de orde is, omdat er nu sprake is van een andere grondslag voor de vordering.

5.4.3. Het beginsel van “Ne bis in idem” houdt een verbod in om - anders dan via het instellen van een rechtsmiddel - tegenover dezelfde wederpartij een herhaalde vordering van gelijke inhoud en strekking in te stellen. In tegenstelling tot in het strafrecht bestaat in het Nederlandse rechtssysteem ten aanzien van civiele zaken geen algemeen “Ne bis in idem”- beginsel. Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad heeft als uitgangspunt te gelden dat schending van dit beginsel in een burgerlijk geschil op zichzelf geen grond is die kan leiden tot niet-ontvankelijkheid: elke vordering die door een eiser wordt ingediend, dient door de civiele rechter beoordeeld te worden, ook al betreft het dezelfde procespartijen en ook al worden dezelfde vorderingen ingediend op dezelfde grondslag. Voor zover [A] bedoeld heeft te betogen dat niet-ontvankelijkheid dient te volgen op basis van voornoemd beginsel, kan zij daarin dan ook niet worden gevolgd.

5.4.4. De onderhavige kwestie kan niettemin wel een rol spelen bij de vraag of sprake is van misbruik van procesrecht door op dezelfde gronden een identieke vordering tegenover dezelfde wederpartij in te stellen. Uit de door [A] genoemde feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet volgen dat de goede procesorde zich er tegen verzet dat [B] thans zijn vorderingen - opnieuw - in kort geding voorlegt. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat de aan de rechtbank voorgelegde rechtsvraag, te weten of [A] op grond van een overeenkomst van opdracht gehouden was de kosten van stalling en verzorging aan [B] te betalen, een andere is dan de thans ter beoordeling voorliggende rechtsvraag of [A] op grond van zaakwaarneming dan wel ongerechtvaardigde verrijking gehouden is deze kosten aan [B] te betalen. Dat in beide procedures mogelijk dezelfde stellingen aan de orde komen en getoetst worden levert op zich geen strijd met de goede procesorde op.

5.5. Zaakwaarneming

5.5.1. Zaakwaarneming (art. 6:198 BW) vereist dat [B] zich als zaakwaarnemer willens en wetens en op redelijke grond heeft ingelaten met de behartiging van het belang van [A], zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

5.5.2. In de bodemprocedure heeft [B] de stelling geponeerd dat aan de stalling en verzorging van het paard een met [A] gesloten overeenkomst van opdracht ten grondslag lag. De daarop gebaseerde vordering van [B] tot vergoeding van gemaakte kosten, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 9 januari 2008 afgewezen omdat de grondslag door de rechtbank niet bewezen werd geacht. Wanneer partijen door middel van een overeenkomst hun onderlinge rechtsverhouding hebben beogen te regelen, en aldus tussen hen de bevoegdheid tot belangenbehartiging in het leven hebben geroepen, komt men niet meer aan zaakwaarneming toe. Nu de rechtbank echter heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een overeenkomst van opdracht en er dus geen contractuele grondslag is voor de stalling en verzorging van het paard, is voldaan aan het vereiste dat [B] zich heeft ingelaten zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

5.5.3. De zaakwaarnemer moet het belang van de ander behartigen als ware het zijn eigen belang: hij dient de nodige zorg te betrachten. Het uiteindelijke resultaat van de belangenbehartiging wordt hierbij niet gewogen. Nu het paard in leven is gebleven, mag voorshands aangenomen worden dat [B] zijn taak met de voldoende zorg heeft betracht. De omstandigheid of het paard ook nog regelmatig is geënt, ontwormd en vakkundig is getraind, is daarbij niet maatgevend.

5.5.4. Vaststaat dat het paard van [A] is en dat het paard op verzoek van [A] weer bij [B] is gestald, omdat het paard gebrekkig zou zijn. Uit wat ter zitting door partijen is aangevoerd, houdt de voorzieningenrechter het er voor dat het branchegebruik is om een (vermeend) gebrekkig paard terug te sturen naar de verkoper teneinde in overleg tot een oplossing te komen. Ook tussen partijen is ten tijde van het terugsturen van het paard niets afgesproken over de kosten van stalling en verzorging. [A] heeft de door [B] aangeboden en op 14 december 2004 door haar bezichtigde “omruilpaarden” niet geaccepteerd, maar heeft bij schrijven van 27 januari 2005 de koopovereenkomst ontbonden c.q. vernietigd en [B] gesommeerd hieraan mee te werken. Bij schrijven van 4 februari 2005 heeft [B] zich bereid getoond mee werken aan een minnelijke regeling, met dien verstande dat van ontbinding van de koopovereenkomst geen sprake zou kunnen zijn. [B] heeft [A] wel gesommeerd het paard binnen tien dagen nadien terug te nemen. Hieraan heeft [A] niet voldaan.

5.5.5. Het paard wordt inmiddels sinds 25 oktober 2004 gestald en verzorgd door [B], die daarvoor sindsdien elke dag weer nieuwe kosten heeft moeten maken. Essentieel voor de kwalificatie zaakwaarneming hierbij is niet zozeer het element van de wil of de vermoedelijke wil van de belanghebbende als wel het element van de redelijke grond waarop de zaakwaarnemer zich met de belangenbehartiging dient in te laten. Deze redelijke grond kan in bepaalde omstandigheden ook tegen de wil van de belanghebbende het optreden van de zaakwaarnemer rechtvaardigen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [B] op redelijke grond in het belang van [A] - als eigenaar van het paard - gehandeld: immers zonder de voor een paard noodzakelijke stalling en verzorging zou het paard zijn overleden. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat [B] willens en wetens de stalling en verzorging van het paard op zich genomen heeft.

Gezien het hiervoren overwogene is al met al in het onderhavige geval aan de voorwaarden van zaakwaarneming naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldaan.

5.6. Kosten stalling en verzorging

5.6.1. Voor toewijzing van een geldsom in kort geding dient het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk te zijn, in die zin dat het in een bodemprocedure hoogst waarschijnlijk is dat de vordering wordt toegewezen. Daarnaast dient ook sprake te zijn van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl tevens beoordeeld dient te worden of er sprake is van een onaanvaardbaar restitutierisico.

5.6.2. Gezien het hierboven overwogene zou naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in een - eventueel nieuw te entameren - bodemprocedure de vordering van [B] uit hoofde van zaakwaarneming hoogstwaarschijnlijk toegewezen worden.

5.6.3. Nu niet is gesteld of gebleken dat er aan de zijde van [B] sprake is van een restitutierisico staat dit aan toewijzing van de vordering niet in de weg. De spoedeisendheid blijkt al uit het nog steeds dagelijks toenemen van de kosten.

5.6.4. De voorzieningenrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van de hoogte van de gevorderde kosten.

Ingevolge art. 6: 200 lid 2 BW heeft de zaakwaarnemer die in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gehandeld, voor zover dit redelijk is, recht op een vergoeding voor zijn verrichtingen, met inachtneming van de prijzen die daarvoor ten tijde van de zaakwaarneming gewoonlijk werden berekend. [B] heeft zijn vordering gebaseerd op prijzen die door een tweetal andere stalhouders worden berekend. De goedkoopste stalhouder berekent een maandprijs van EUR 290,00 per paard, de duurste EUR 300,00. [A] heeft gedurende de weidegang een lager maandbedrag berekend, namelijk

EUR 100,00 voor een termijn van zeven maanden. Voormelde bedragen zijn echter niet nader onderbouwd. Onvoldoende duidelijk is bijvoorbeeld hoe het bedrag van EUR 100,00 tot stand is gekomen en op welk jaar de bedragen van EUR 290,00 en 300,00 betrekking hebben. Evenmin is duidelijk waarvoor deze bedragen worden berekend: zijn deze bedragen bijvoorbeeld inclusief of exclusief voer en medische behandelingen. De voorzieningenrechter is met [A] dan ook van oordeel dat hoogte van de primair gevorderde kosten van stalling en verzorging ad EUR 10.600,00 door [B] onvoldoende is onderbouwd. In kort geding is echter geen plaats voor nader feitelijk onderzoek hieromtrent. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende reden om het gevorderde bedrag ad EUR 10.600,00 af te wijzen.

5.6.5. Partijen houden elkaar momenteel echter in een houdgreep, waardoor er een vicieuze cirkel is ontstaan die doorbroken zou moeten worden. Gezien de spoedeisende belangen van partijen - [A] wil haar paard terug teneinde het weer te kunnen verkopen en [B] wil het nog verder oplopen van zijn kosten voorkomen - en de door [B] overgelegde overzichten van prijzen die andere stalhouders voor stalling en verzorging hanteren die wel een indicatie van in de regio gebruikelijke tarieven geven, ziet de voorzieningenrechter in het kader van het deswegen subsidiair gevorderde voldoende aanleiding om [A] voorshands te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 5.500,00 aan [B], als voorschot op een eventueel nog nader door de bodemrechter vast te stellen volledige schadevergoeding, nu dit bedrag de voorzieningenrechter - indachtig de specifieke omstandigheden van het geval - niet onredelijk voorkomt.

5.7. [A] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op:

- salaris procureur EUR 452,00 (factor 0,5 × tarief EUR 904,00)

Totaal EUR 452,00

in conventie

5.8. Onder verwijzing naar hetgeen in reconventie is overwogen wordt de vordering van [A] onder I. afgewezen.

5.9. Nadat [B] voormeld voorschot van EUR 5.500,00 van [A] heeft ontvangen, mag van [B] wel gevergd worden dat hij het paard en de bijbehorende documenten aan [A] zal afgeven, hetgeen de voorzieningenrechter als zodanig zal bepalen.

5.10. De voorzieningenrechter ziet gezien de aard van deze zaak vooralsnog geen aanleiding om een dwangsom aan het verbod te verbinden, nu van [B] verwacht mag worden, dat hij na deze uitspraak en na betaling van het voorschot zo snel mogelijk tot afgifte van het paard en de bijbehorende documenten zal overgaan teneinde het verder oplopen van de kosten te voorkomen dan wel te beperken.

5.11. [A] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op:

- vast recht EUR 254,00

- salaris procureur 904,00 (factor 2,0 x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. beveelt [B] om binnen vijf dagen na ontvangst van het bedrag van

EUR 5.500,00 (vijfduizendvijfhonderd euro) het paard en de bijbehorende documenten (stamboekpapier en paardenpaspoort) aan [A] af te geven,

6.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op EUR 1.158,00,

6.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.5. veroordeelt [A] om binnen één week na betekening van dit vonnis bij wijze van voorschot aan [B] te voldoen een bedrag van EUR 5.500,00 (vijfduizendvijfhonderd euro),

6.6. veroordeelt [A] tot het doen ophalen van het paard binnen vijf dagen nadat [B] het bedrag van EUR 5.500,00 heeft ontvangen,

6.7. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op EUR 452,00,

6.8. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op

7 maart 2008.